Tijdverdrijf

Tijdverdrijf

Peter Wallmann


EUR 22,90

Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 184
ISBN: 978-3-99107-805-0
Publicatie datum: 13.10.2022
Peter Wallmann (77) voelt zich kiplekker en vitaal, maar beseft dat hij steeds overbodiger wordt. Hij grijpt het jaar 2022 aan om zijn vitaliteit te bewijzen. Maar dan valt zijn aanvankelijk succesvolle initiatief toch plotseling in duigen.
HOOFDSTUK I


1

Je zal maar verslaafd zijn aan terrassen. Dat je daar het liefst de helft van je leven zou willen zitten. Om te staren naar voorbijgangers, nietszeggende conversaties af te luisteren en te genieten van consumpties. Ik ben zo iemand.
En of het nu om het terras thuis gaat, een overdekt terras in de stad of het terras van een strandpaviljoen, dat maakt me niet uit. Het gaat mij vooral om licht, lucht en gekke mensen.
Vandaag zit ik op het behaaglijk verwarmde terras van ijssalon Schopenhauer. Het is hartje winter. Op gehoorsafstand van mij zegt een vrouw tegen iemand naast haar plompverloren: “Mijn man is in de orkestbak gevallen.” Ik weersta de verleiding om naar het verhaal achter deze opmerking op zoek te gaan. Erover fantaseren is ook een aardig tijdverdrijf. Mensen zitten steeds vaker buiten dan binnen. Dat komt door het rookverbod, maar ook door de klimaatverandering en de behoefte van ondernemers om meer om te zetten, vermoed ik. “Ik kom eraan,” zegt de serveerster, nadat ik heb aangegeven op mijn wenk bediend te willen worden. Als iemand in de horeca zegt dat hij eraan komt, loopt hij altijd weg. Even later zet ze een café latte en een kleine ijscoupe voor me neer. Een bolletje vanille en een bolletje karamel plus een dot verse slagroom, in zo’n glimmend stalen bakje op een hoge, dunne poot. Smullen maar. Vroeger at je geen ijs in de winter. IJssalons veranderden dan tijdelijk in winkels waar je bontjassen of Perzische tapijten kon kopen. Nu is het kennelijk nog steeds niet gewoon, al wordt ijs in elk seizoen aangeboden.
Zonder mij aan te kijken, roept een vrouw naast mij: “Wie eet er nou ijs als het vriest?”
“Ik, zoals u ziet. IJs en vriezen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In Moskou snappen ze dat. Daar eet men ook ijs in de winter en die gewoonte waait langzaam over. Bovendien vind ik ijs een van de mooiste uitvindingen die ooit is gedaan. Geniaal. Het is lekker en niet duur. Op plekken waar ijs geconsumeerd wordt, zijn mensen meestal net iets vrolijker. Dat vind ik ook leuk.”
“Eet u wel ijs als het warmer is?” vraag ik haar.
“Soms.”
We kijken elkaar nog niet aan. Ik neem alvast een hap.
“Geen liefhebber?” informeer ik.
“Hangt van de smaak af,” zegt zij.
“Toch geen Nutella-smaak mag ik hopen?”
“Hoe dat zo?”
“Alles is met Nutella tegenwoordig, tot en met pizza aan toe.”
“En daar heeft u moeite mee?”
“Ja.”
Nu pas draait ze zich naar mij toe. Een mooi gezicht met slimme bruine ogen. Ze monstert me vliegensvlug en zegt: “U lust er wel pap van, zie ik. U zit al onder de slagroom.”
Als ik enigszins schuldbewust mijn buik inspecteer, zit er inderdaad een mooie klodder op.
“Tja, die neem ik voor lief. Dat is de passie voor het ijs.”
Haar directheid maakt me mededeelzaam.
“Maar het ijs is niet de voornaamste reden dat ik hier uithang.”
“U bent een hangoudere?”
“Ik probeer een roman te schrijven. IJs is er onderdeel van. Het verhaal speelt zich voor een deel hier af.”
“Maar hier gebeurt niets noemenswaardigs.”
“Dat denkt u maar.”
“Ik weet het. Ik zou u de hete ijssalon aanbevelen waar Heere Heeresma ooit mooi over schreef. Of heeft u al iets op papier staan? Als u schrijver bent, dan ben ik graag de lezer.”
“U laat er geen gras over groeien, mevrouw. Wilt u niet eerst weten wie ik ben, waar het verhaal over gaat en of ik überhaupt wel kan schrijven?”
“Misschien wel aardig, ja, ik praat alweer voor mijn beurt, merk ik.
Ik zat al aan een titel te denken. ‘Het Nutella-syndroom’ of ‘De nieuwe IJstijd’.”
Haar enthousiasme werkt op mijn lachspieren.
“Mijn naam is Peter Wallmann, maar zo heet ik niet.”
“Aangenaam. Ik ben Eva Pfeiffer. Zo heet ik wel. Bent u undercover?”
“Ja, mijn naam moet geheim blijven. Wallmann is mijn schuilnaam. Daar moet u het voorlopig mee doen.”
“Hm,” mompelt ze en ze kijkt kritisch.
“En binnenkort ga ik doorbreken.”
Als Eva laat merken met deze opmerking geen raad te weten, vervolg ik: “Ik ga de keuken bij de kamer trekken. Maar ter zake nu. Wat mijn roman betreft, zal ik een tipje van de sluier oplichten. U ziet dat ik een man op leeftijd ben. Ik ben van voorbijgaande aard. Hoe ouder je wordt, hoe minder je meetelt, merk ik. De overbodigheid ligt op de loer. Daar verzet ik me tegen. Daarom ga ik dit jaar flink wat deining maken. Ja, 2022 wordt helemaal mijn jaar. Mijn jaar van de waarheid. En ik ga mijn belevenissen aan het papier toevertrouwen.”
“U ziet eruit alsof u daar nog toe in staat bent ook. Wat een leuk plan. Ik ben benieuwd of het een roman zal opleveren.”
“Als u mij uw e-mailadres geeft, dan stuur ik u de eerste achttienhonderd woorden, bij wijze van eerste indruk. Voelt u zich vooral vrij om alsnog af te haken. Maar ik zou het op prijs stellen om van u te horen. Hier, mijn visitekaartje. Wel een beetje ouderwets om me zo voor te stellen.”
“Nee, helemaal niet. Ik ben juist gek op dit soort etiquette. Jammer alleen dat het uw schrijversnaam vermeldt.”
Na een korte stilte:
“Ik zit nog met één vraag, die ik met een zekere schroom stel, omdat we elkaar nog maar net kennen: Denkt u veel na over de dood?”
“Dat wel, maar minder dan misschien zou moeten. De toekomst zit stelselmatig meer in mijn hoofd dan het verleden, waarmee ik de dood associeer. Ik realiseer me heel goed dat het altijd ineens afgelopen kan zijn. En als dat morgen zou zijn, dan overlijdt er morgen een geluksvogel. Een man die van een mooi leven heeft mogen genieten, op een bevoorrechte plek, Europa, tijdens een fantastisch naoorlogs tijdperk. Al baart de pandemie me wel zorgen.”


2

Op weg naar het einde heb ik kortgeleden mijn laatste woning betrokken. Het is een dubbel appartement op de tiende verdieping van wat vroeger een havenloods was, uitkijkend over de rivier. Er wonen vooral opvallend veel schatrijke voetballers, anonieme buitenlanders en criminelen. Hun Jaguars en Tesla S-modellen vrolijken de garage op. Mijn oude huis had ik met heel veel winst kunnen verkopen. Toen ik moest kiezen tussen een sympathieke koper die veel van de vraagprijs wilde afsnoepen en een irritante rijkaard was de keus niet moeilijk geweest. Jammer voor de buren. Mijn huis had zoveel verborgen gebreken dat ze niet langer verborgen konden blijven. De kelder liep steeds vol, de dakgoten lekten en de loden leidingen dateerden ongeveer uit de tijd van de Laat-Gotiek. Als ik ’s nachts op de zoveelste hoosbui werd getrakteerd, lag ik me af te vragen waar het water nu weer uit het plafond zou gaan gutsen. Ook was ik bang dat de grote Japanse kers in de achtertuin elk moment tegen de gevel te pletter zou kunnen slaan. Het boek waaraan ik het meeste heb verdiend, was de pocket waarvan drieduizend onverkochte exemplaren, als gevolg van waterschade in de kelder, door de verzekering werden vergoed. De prachtige foto’s van de in het halfdonker ronddobberende paperbacks hadden de schade-experts overtuigd. Ik cashte rond twintigduizend euro. Moest even aan mijn vader denken die zijn beroepsleven begon als verzekeringsagent en er heilig van overtuigd was dat het er in het verzekeringswezen in de eerste plaats om ging om de gedupeerde burger te helpen.
Het nieuwe paleisje lijkt redelijk rampenbestendig en van alle gemakken voorzien. Met een eigen garage voor mijn hybride Toyota, een snelle grote lift, kranen met kokend en bruisend water, vloerverwarming en een kookeiland met afzuigkap (wat een goor woord!). Omdat wassend water mij angst inboezemt ben ik hoog gaan wonen, hoewel ik in de wolken niet altijd in de wolken ben. Bewust heb ik een dubbel appartement aangeschaft, zodat ik familie en vrienden comfortabel kan ontvangen en de privacy wederzijds optimaal is. Je wilt een verkeerde tante nu eenmaal niet permanent om je heen hebben. Binnendoor kunnen mijn gasten en ik elkaar bereiken, maar je moet wel even bellen om binnengelaten te worden. Voorlopig kan ik mij veroorloven om het tweede huis niet aan tijdelijke bewoners of toeristen te verhuren. Airbnb beschouw ik als een verderfelijk iets.
Mijn flat is, dat berijpt u al, fantastisch. Ruim en licht. Aan de ene kant kijk je uit op de wolkenkrabbers van het centrum van de stad, de andere kant biedt zicht op de rivier en de haven. Het is zo’n stad die je overal kunt aantreffen. Een rumoerige smeltkroes met tientallen verschillende nationaliteiten, vastgelopen verkeer, enkele toeristische trekpleisters en winkelketens van bekende merken die meer exponenten zijn van public relations dan dat ze winst genereren. Een stad waarin de oorspronkelijke bewoners met minder hoge inkomens naar de randen zijn verbannen. Een city met winkelcentra vol koopverslaafden die zich overwegend nutteloze dingen toe-eigenen. In die omgeving zoek ik de krenten in de pap, in de vorm van parkjes, goede horeca, kleine bioscopen en wat dies meer zij.
Terug naar mijn flat. Er is een balkon op het zuiden en een overdekte buitenruimte aan de westzijde waar je van zonsondergangen kan genieten. Het gedeelte waar ik bivakkeer bestaat uit een hele grote leefruimte met ingebouwde keuken, een slaapkamer, een badkamer en een ruimte om spullen op te slaan. Op twee plaatsen heb ik verhogingen laten bouwen, zodat ik ook binnen van het uitzicht kan genieten en dus niet continu tegen de binnenmuren of balkonafbakeningen hoef aan te kijken. Bij een eventueel bezoek aan mij val je letterlijk met de deur in huis, omdat een hal of gang ontbreekt. In de living is een relax-hoek met een bank en een groot tv-scherm; een eethoek, voorzien van het onvermijdelijke kookeiland en een grote tafel; en een werkhoek. Het bureau staat zo dat ik de ruimte en het uitzicht voor me heb. Mensen die ervoor kiezen om een groot deel van hun leven tegen een muur te moeten staren, begrijp ik niet. Ik kan me voorstellen dat de beschrijving van het interieur op het eerste gezicht nogal functioneel en steriel op u overkomt. Maar als ik u vertel dat er boompjes in mijn kamer staan, de muur getooid wordt met een roodkleurig geabstraheerd landschap van Ineke van Koningsbruggen (die niet met haar kwaliteit te koop loopt), dat er kaarsen branden en verse bloemen heerlijk geuren, dan gaat u zich wellicht afvragen of mijn flat niet net iets te gezellig oogt. En dan heb ik het nog niet eens over mijn boeken gehad. Beter laat dan nooit leef ik al enige jaren in de wereld van het boek, een wereld die ik veel eerder had moeten ontdekken en betreden. Ik lees en schrijf met volle teugen, al vraag ik me wel af waarom ik veel zou moeten lezen als er steeds minder van blijft hangen. Soms denk ik dat ik eerder een middelmatige schrijver had moeten worden dan een middelmatige journalist. Voel me ondertussen meer aangetrokken door een enkele slimme auteur dan doorsnee academici. Mijn boekenkasten die meerdere muren van mijn nieuwe onderkomen beslaan getuigen van mijn liefde voor het gedrukte woord en ze weerspiegelen mijn levensloop.
Ik heb mijn boeken niet op alfabet of kleur in de kasten gezet, maar op thema en genre. Een vluchtig overzicht. Het begint met de gebruikelijke portie literatuur, non-fictie en poëzie. Ik heb het oeuvre van mijn held Houellebecq compleet. Dan heb ik alle boeken van onze boekenclub Murakami op een rijtje gezet. Daar zit van alles tussen. Van onvervalste klassiekers zoals ‘Honderd jaar eenzaamheid’ tot en met de biografie van de legendarische Poolse journalist Kapuscinski. De volgende sectie, media en journalistiek, heeft met mijn journalistieke verleden te maken. Mijn lievelingsboek in die categorie is ‘De jacht op de jakhals’ over Carlos en het internationale terrorisme van David A. Yallop. Natuurlijk heb ik ook boeken die met mijn hobby’s en interessegebieden te maken hebben. Ik noem: het fenomeen ‘grote stad’ en ‘stadmaken’, het thema seksualiteit en boeken, vaak gebruikt als lesmateriaal in het kader van mijn cursus ‘Wat wil je met je leven?’ En ergens in een hoekje kun je mijn eigen boeken en publicaties aantreffen, stuk voor stuk non-fictie.

Het is 1 januari 2022 als ik alleen met een latte en een dun melkchocolaatje achter mijn bureau zit. Alleen, maar niet eenzaam. Er is hier tot nu toe nog niemand langs geweest. Op het tv-scherm zie ik de eerste skiër van 2022 ergens in Zuid-Duitsland een vreselijke val maken. Ik zit te piekeren over slechte in plaats van goede voornemens, terwijl mijn blik afdwaalt naar de kerst- en nieuwjaarskaarten. Dat worden er ook steeds minder. Dan verschijnt er op mijn Apple een mail van Eva. “Gelukkig nieuwjaar. Ik heb je eerste geschreven woorden gelezen. Wil er graag snel met je over praten. Groet. Eva.”


3

“Hallo meneer de Koekepeer. Wacht, want voordat u mij gaat haten. Ik kan alleen maar rijmend praten.”
Deze onverwachte begroeting overvalt me enigszins. Daarom vraag ik: “Bent u gek of is het waar?”
Hij: “Ik ben rijmend de sigaar.”
Ik: “Aangenaam, mijn naam is Peter.”
Hij: “Ik heet Herman, dat is beter.”

Het is vandaag zo koud dat ik bij Schopenhauer binnen ben gaan zitten om met Eva te praten. Wat zou ze van mijn tekst vinden? Ik houd mijn hart vast. Stipt op tijd zet ze haar fiets in het rek voor het terras. Het liefst zou ik gelijk over mijn roman in wording beginnen, maar het lijkt me beter om die neiging even te onderdrukken. Daarom wijs ik eerst in de richting van Herman en vertel dat hij beweert dat hij alleen rijmend kan praten. Eva neemt de proef op de som.
“Klopt het dat u alleen kan rijmen?”
“Ja, het is niet om u te lijmen. Bij mij is sprake van een vreemd gebrek. Wilt u dat ik nu vertrek?”
“U bent wel een rare prater. Ben nu druk, maar praat graag later.”
Eva weet niet goed wat ze met de rijmelaar aan moet. “Van de weeromstuit sloeg ik ook aan het rijmen,” zegt ze, zich weer tot mij wendend. We besluiten om Herman even met rust te laten.
“Eigenlijk vind ik het contact met u al gelijk leuk,” begint Eva de conversatie. “De tekst die u stuurde, ervoer ik als een logisch uitvloeisel van onze eerste ontmoeting.”
“Fijn om te horen. Het genoegen is wederzijds. Alleen het woord leuk, dat heeft iets positiefs, maar je kunt er vele kanten mee op.
Ik vind dat een typisch Nederlands woord.”
“U gaat me toch niet op woorden vangen,” hoop ik. Heb je liever dat ik prettig zeg? Ook goed. De tekst riep vooral een aantal vragen op. Over dingen als uw leeftijd, uw schuilnaam, uw flat en uw boekenkast. En wat betreft de taal en stijl die u bezigt: geen enkele tekst is perfect. Vooral aan de dialogen valt nog het nodige te schaven. Ik help graag een handje.”
“Ja, een man alleen en een dialoog is net zoiets als een tang en een varken. Maar zullen we tutoyeren, dat praat makkelijker.”
Eva knikt instemmend.
“Laat ik dan met je vragen beginnen. Over vier jaar word ik 81. Statistisch is dat ongeveer de leeftijd waarop een man in ons land de pijp uitgaat. Daar schrok ik van. Ik wist niet dat ik nog maar zo weinig tijd voor de boeg heb. Moet ik dan nog wel een nieuwe auto kopen of zal ik een tweedehands nemen? Voor mijn gevoel ga ik nog lang niet dood. Op internet zag ik dat je je levensverwachting kan berekenen door in te vullen of je een man of vrouw bent en daarna je leeftijd. Dat leverde 86 jaar en 3 maanden op. Kijk, dat scheelt alweer vijf jaar. Maar toen stond er iets verderop dat het Centraal Bureau voor de Statistiek geen enkele aansprakelijkheid voor de uitkomst aanvaardt noch voor de gevolgen van de beslissingen die je neemt op basis van de berekeningen en de getoonde uitkomsten. Ik zou kunnen besluiten om me als vrouw om te laten bouwen, want die leven drie jaar langer.”
Eva: “Waarom al die moeite voor nog langer leven? Heb je ooit een vrouw willen zijn?”
“Dat niet. Ik ga wel liever met vrouwen om dan met mannen, omdat ik ze sympathieker vind. Noem mij gerust een vrouwenman.”
“Maar heb je enig idee hoe het is om een oude vrouw te zijn zonder ooit jong te zijn geweest? Het is maatschappelijk gezien niet bepaald de meest begeerde positie. Ik moet er zelf niet aan denken omgebouwd te worden. Aan mijn lijf geen polonaise. Een pik voor een dag, als dat kon ja. Alles neuken wat los en vast zit en vooral ook veel wildplassen, dat zou ik dan doen. Je schrikt toch niet van mijn directheid, is het wel?”
“Nee, al had ik dit soort taal niet gelijk achter jou gezocht. Die overweging van mij om me als vrouw te laten ombouwen was meer ironisch bedoeld. Ik dacht erover na hoe ik mijn einde zo lang mogelijk zou kunnen uitstellen.”
“Je zei tijdens onze eerste ontmoeting dat Peter Wallmann je schuilnaam is. Leg eens uit waarom?”
“De schuilnaam is een ode aan twee oude Duitse vrienden. Ik heb ontdekt dat je identiteit er bij het klimmen der jaren steeds minder toe doet. Dus what’s in the name.”
“Nou vooruit, ik ben niet tegen anonimiteit. Maar waarom houd je je schuil tegenover mij? Heeft dat een specifieke reden?”
“Wat maakt het nou uit of ik Peter of Johannes heet? Het gaat toch om mij als persoon als ik hier met jou zit?”
Ik merk dat Eva haar identiteit nog niet zonder meer wil blootgeven. Toch vraag ik wat zij voor de kost doet.
“Waarom vragen mensen toch altijd naar wat je voor de kost doet? Ik vind dat onnoemelijk saai. De kost gaat voor de baat uit, Peter, dat weet je toch? Maar wat kijk je bedremmeld. Door de week ben ik mediator en fotograaf. En in het weekend ben ik homo universalis. Soms ben ik ze allemaal tegelijk en soms ben ik niemand. Als je wilt weten wat voor fotograaf ik ben, dan moet je mijn website maar eens bekijken. De mediator probeert moeilijke puzzels voor andere mensen op te lossen. En ze te laten praten, iets wat heel moeilijk is, vooral voor getrouwde mensen.”
Zou een mediator ook met de problemen van een man alleen kunnen dealen, vraag ik me af zonder de vraag te stellen. Dat ze fotograaf is maakt me eveneens nieuwsgierig. Eva geeft me geen tijd om daar verder over na te denken.
“Waarmee verdiende jij je geld voordat je met pensioen ging?”
“Het liefst was ik achtergrondzangeres geweest, maar het grootste deel van mijn leven was ik journalist.”
“Laten we het nog even over jouw tekst hebben, Peter, ik ben volkomen onbelangrijk in dit verhaal. Zoals jij je huis beschrijft. Ik zie daar een man in zijn element, in zijn speeltuin. En vooral de wijze waarop je je identiteit ontleent aan je boekenkast. Anders zou je er niet zo uitgebreid bij stilstaan. Klopt dat?”
“Ja, dat klopt wel aardig.”

Misschien vind je dit ook leuk :

Tijdverdrijf

Lies van Dalen

Het glazen penthouse

review:
*verplichte velden