Kinderen en jeugd

De beschermengel

Maartje Valstar

De beschermengel

Uittreksel:

Hoofdstuk 1. De crash


In de grote stad Manaus staan in de buurt van het vliegveld enkele flatgebouwen. Manaus is een stad in Brazilië aan de rivier de Rio Negro. Deze rivier is een zijrivier van de machtige Amazone. De Amazone is meer dan 5000 kilometer lang en heeft wel 1100 zijrivieren. Grote en kleine.

In een van de flatgebouwen woont José. Hij woont hier met zijn ouders en zusje Maria. José is twaalf en zijn zusje negen jaar. Ze zitten aan de keukentafel en doen een spelletje.
Het is zaterdag en dan is er geen school. Net als in zoveel landen is hier op zaterdag geen school. Mamma en pappa zijn ook vrij en doen mee met het spelletje. José wint en danst door de keuken.
”Gewonnen, gewonnen, eerlijk gewonnen,” zingt hij.
Maria steekt haar tong uit. ”Puh, ik win zo vaak.”
José trekt haar van haar stoel en nu springen ze samen door de keuken.
”Hou op, denk om de buren,” roept mamma. ”Ik ga voor het eten zorgen,” en ze staat op. ”Wat eten we?” roepen de kinderen.
”Een verrassing, en nu de keuken uit.”

Pappa heeft de tv aangezet voor het nieuws. José en Maria staan op het balkon en kijken naar de stijgende en dalende vliegtuigen in de verte. Pappa werkt op het vliegveld bij de douane. Hij is ook lid van de vliegclub.
De vliegclub heeft een eigen hangar bij het vliegveld. De club heeft vier vliegtuigjes, drie Cessna´s en één Piper Cub. Pappa heeft een vliegbrevet en als hij vrij is gaan ze vaak vliegen. Ze vliegen meestal boven de Amazone.
”Ik zou weleens naar Amerika willen,” zegt Maria.
”O ja? Nou, ik naar Europa, naar Parijs,” antwoordt José.
”Waarom?”
”De meester op school heeft over Parijs verteld. Over de Eiffeltoren en nog veel meer.”
”Willen jullie de tafel dekken?” vraagt mamma uit de keuken.
”Mmm, wat ruikt het lekker in de keuken, eten we Feijoada?” vraagt pappa die ook in de keuken
komt.
“Ja, ik heb gisteren het meeste voorbereid toen jullie er niet waren.”
Feijoada is een stoofpot van rundvlees, varkensvlees en spek met rijst en bonen. Het is een nationaal gerecht. Pappa en de kinderen zijn er gek op. Even later zitten ze alle vier te smullen.
”Hebben jullie zin om vanmiddag een vliegtochtje te maken?” vraagt pappa.
”Ik wil vanmiddag liever naar de stad om wat inkopen te doen,” antwoordt mamma.
”En jij?” Hij kijkt Maria vragend aan. José weet het antwoord wel. Maria houdt niet zo van vliegen. Ze wordt vaak misselijk in het vliegtuig.
”Nee, ik ga liever met mamma mee,” zegt ze.
José roept: “Maar ik wel hoor.”
“Ja, ja dat weet ik wel. Ik heb het vliegtuig voor de hele middag gereserveerd. Dus laten we ons maar gauw klaarmaken.”
”Ho, ho, en de afwas dan?” zegt mamma.
”Mag dat vanavond?” pappa kijkt mamma vragend aan. Ze knikt, ze weet wel dat ze nu zo snel mogelijk moeten gaan.
José pakt een paar appels en kijkt mamma vragend aan, ze knikt, het is goed.
“O wacht, ik heb nog een tablet chocola, neem die ook maar mee.” Ze doet het bij elkaar in een plastic tasje en geeft het aan José.
”Neem een jas mee, je weet nooit,” en pappa pakt zijn jack van de kapstok. ”Ho, niet op die slippers, doe een paar fatsoenlijke schoenen aan.” Pappa wijst naar José zijn voeten.
”Maar dat is zo warm,” zucht José.
”Dan maar niet mee,” zegt pappa en doet alsof hij de deur wil uitgaan. Maar José rent naar zijn kamertje en pakt gauw zijn schoenen. In een oogwenk is hij terug. ”Veters strikken anders lig je dadelijk op je neus.” José mompelt en bukt om zijn schoenen vast te doen. ”Wat zei je?” vraagt pappa.
”O, niks.” Hij durft niet te zeggen wat hij mompelde.
”Nou, we gaan.” Ze kussen mamma en Maria en stappen de galerij op.
Mamma en Maria staan bij de deur en zwaaien hen na.

Onder de flat is een parkeergarage. Deze is voor de mensen die in de flat wonen. Ieder heeft een eigen plaats.
Ze stappen in de auto en rijden de garage uit, de zonnige straat in. Het is niet ver rijden naar het vliegveld. Ze parkeren op de parkeerplaats die bij de vliegclub hoort. Het clubhuis ligt er vlak naast.
”Hé Luis, ga je vliegen met je zoon?” vraagt een clublid dat aan de bar wat staat te drinken. Pappa knikt en bestelt twee glazen cola. Al pratende geeft hij José een glas heerlijk koele cola.
”Kom, we gaan naar de hangar,” zegt pappa even later. José drinkt zijn glas leeg.
In de hangar staan drie ‘kisten’, zoals ze de vliegtuigen noemen. Pappa loopt naar een van de toestellen. ”Deze moeten we hebben.” Voorzichtig manoeuvreren ze hem naar buiten. José moet goed opletten dat het vliegtuig met zijn vleugels niet de andere toestellen raakt. Buiten zetten ze het vliegtuig klaar om te gaan taxiën.
Maar eerst moeten ze alles grondig controleren. Pappa loopt om het toestel heen en kijkt of er geen beschadigingen zijn. En ook of de banden goed zijn. Maar dat is niet alles. Nu nog kijken of ze het hoogteroer, het richtingsroer en de rolroeren vrij kunnen bewegen. De rolroeren zijn kleppen aan de vleugels om bochten te draaien. Alles is in orde.
”Kom, we gaan naar de vliegdienst,” zegt pappa. Daar moet het vluchtplan ingediend worden. En ze moeten ook toestemming vragen. Pappa bespreekt de routegegevens en of er dingen zijn waar ze rekening mee moeten houden. Zoals een brand waarbij enorme rookontwikkeling is. Ook moet hij opgeven met hoeveel mensen hij gaat vliegen. Daarna gaan ze naar de Meteo. Hier bespreken ze het weer en welk weer ze kunnen verwachten tijdens de vlucht. José vindt het allemaal heel interessant en luistert aandachtig mee. Hè, hè eindelijk kunnen ze in het vliegtuig stappen.
”Heb je alles meegenomen, de flesjes water, de appelen, de chocola en je jas?” vraagt pappa. José knikt en doet zijn riem om. Pappa zit ook klaar en zet de radio aan. Hij vraagt in het Engels via de radio toestemming om de motor te starten en naar de brandstofpomp te taxiën. In Brazilië spreken ze Portugees, maar in het vliegverkeer wordt er Engels gesproken.
“Zo, de tanks zijn vol. Nu toestemming vragen of we tot de startbaan mogen taxiën,” zegt pappa. De toestemming wordt gegeven. Tijdens het taxiën worden de remmen en het kompas gecontroleerd. ”En nu?” vraagt pappa aan José. José wil later vlieger worden dus pappa oefent met hem de procedures. José heeft goed opgelet.
”Controleren of de motor goed werkt en ook de instrumenten.” Ze staan nu voor de ingang van de startbaan. Pappa kijkt José vragend aan. Maar hij heeft het goed onthouden en zegt: ”Kijken of de deuren goed dicht zijn en de riemen om.”
”En verder?” pappa kijkt hem weer vragend aan.
”Uh, de vleugelkleppen moeten werken en goed zijn gezet voor de start.” Alles lijkt in orde. Pappa zet de navigatielichten aan. En dan komt de laatste controle. Pappa laat de motor op volle toeren draaien. De motor brult en het vliegtuig staat te schudden. Als hij niet goed op de rem gehouden werd, zou hij er vandoor gaan. Dan vraagt pappa toestemming aan de controletoren om de startbaan op te rijden. En daar te wachten tot hij toestemming krijgt om vol gas te geven en op te stijgen.
José slaakt een zucht als het vliegtuig van de grond komt. Ineens voelt het heel anders. Hij ziet beneden alles kleiner worden. Het vliegveld, de huizen en de wegen. Piepkleine autootjes glijden over de grijze strepen. Links ziet hij flatgebouwen die lang zo hoog niet lijken als op de grond. Daar wonen we ergens, denkt José. Pappa controleert onderwijl of alles goed werkt. En gaat de route vliegen die is afgesproken met de vliegdienst. Ze vliegen langs de Rio Negro en kijken naar het drukke scheepvaartverkeer. Veel grote en kleinere schepen liggen in de haven om te laden en te lossen. De Rio Negro mondt uit in de Amazone. Het vliegtuig zwenkt naar rechts en ze vliegen verder langs de machtige Amazone.

In de stad zitten mamma en Maria op een terras. Mamma drinkt een glas sinaasappelsap. Maria heeft een grote coupe ijs voor zich. De plastic tassen met de inkopen staan naast hen op een stoel. Tevreden kijkt Maria in een van de tassen naar het leuke T-shirt dat ze van mamma mocht kopen. Maandag doet ze hem aan naar school, haar vriendinnen zullen wel jaloers zijn.
Er vliegt een klein vliegtuig boven de stad. Mamma en Maria kijken gelijk omhoog.
”Zou dat pappa zijn?” Maria kijkt mamma vragend aan.
”Nee, die vliegen vast al boven de Amazone.” Maria knikt. Ze is blij dat ze niet is meegegaan. Mamma is in gedachten. Jammer dat Maria niet goed tegen vliegen kan, denkt ze. Het zou zo leuk zijn om eens met zijn vieren een vakantietochtje te maken.
De ober komt afrekenen.
”Gaan we naar huis? Er is iets leuks op tv,” vraagt Maria. Mamma knikt en staat op.

Pappa en José hebben een eind langs de rivier gevlogen.
”Zullen we een stuk over het oerwoud vliegen?” zegt pappa.
”O ja, dat hebben we nog nooit gedaan,” knikt José enthousiast.
Weer gaan ze in een bocht naar rechts. Nu zien ze niets anders dan een groene zee van bomen. Het immens groene vochtige woud strekt zich onder hen uit. Het regenwoud is 7 miljoen vierkante kilometer groot. De mahoniebomen zijn wel 60 meter hoog. Verder groeien er nog veel soorten andere bomen. José heeft het allemaal op school geleerd.
Pappa controleert de brandstof. Er is voldoende om nog een stuk door te vliegen. Raar als je zo over het woud vliegt en niet weet wat er daar allemaal gebeurt, denkt José. Er leven daar heel veel dieren en wij vliegen er gewoon overheen. Het lijkt wel of pappa zijn gedachten heeft geraden.
”Weet jij welke dieren daar allemaal leven?” vraagt hij. ”Noem er eens een paar?”
”Uh, verschillende soorten apen, poema’s, beren en de reuzenotter die wel twee meter lang kan worden, verder weet ik het niet zo gauw.”
”Nou, je weet al heel wat op te noemen. Op school geleerd?” José knikt.
Ze vliegen over een open plek, José tuurt naar beneden of hij dieren ziet maar het gaat te snel. Ze vliegen nog een poosje door.
”We moeten nu terug anders hebben we brandstof te weinig.”
”Jammer, het is zo mooi,” zegt José. Met een grote boog draaien ze en zetten koers naar het vliegveld.

En dan gebeurt het. Het toestel begint enorm te schudden.
José schudt in zijn stoel. Met grote angstogen kijkt hij naar pappa.
”Wat gebeurt er?!” roept hij. Pappa hoort hem niet. Zijn ogen vliegen over de instrumenten. De Cessna schudt zo, dat hij dreigt uit elkaar te vallen. José is misselijk van angst. Pappa drukt het gas dicht. De motor stopt onmiddellijk. Het schudden is ook opgehouden.
”Ik denk dat er een cilinder van de motor uitgevallen is. We moeten een noodlanding maken.” Pappa zet de radio aan voor een noodoproep. Hij krijgt geen gehoor.
”Maar kunnen we zo dan niet terugvliegen?”
Pappa schudt zijn hoofd. ”Nee jongen, de motor zal van de fundatie trillen en dan valt het toestel in stukken naar beneden.”
Langzaam begint het vliegtuig te dalen.
”We kunnen toch nergens landen met die bomen?” zegt José huilend.
”We zijn over een open plek gevlogen, kijk goed of je hem ziet. We hebben nog een minuut of zeven.”
”Een minuut of zeven, dat kan toch niet, dan storten we neer,” roept José in paniek.
”Kijken!” zegt pappa streng.
José slikt en tuurt aan de ene kant van het vliegtuig en pappa aan de andere. ”Daar!” roept
hij en wijst met zijn vinger schuin vooruit. Het vliegtuig vliegt al gevaarlijk laag. Zouden ze het halen? ”O Here, help ons,” bidt hij zachtjes. Hij bidt anders nooit. Op school wordt er wel gebeden.
José zit op een rooms-katholieke school. In Brazilië zijn de meeste mensen rooms-katholiek. Maar José zijn ouders gaan niet naar de kerk. Ze hebben het nooit over God. Zou pappa ook bang zijn? Hij kijkt naar pappa zijn gezicht. Die kijkt ingespannen naar beneden, hij heeft het te druk om bang te zijn.
”Zit je goed vast? Als we landen hou dan je armen voor je gezicht.” Zweetdruppels staan op pappa zijn gezicht. Vlak voor hen is de open plek. José schrikt. De plek is veel kleiner dan het leek. Hier kunnen ze nooit landen maar het kan niet anders, denkt hij. Bij de open plek trekt pappa de neus van het vliegtuig omhoog.
”Wat doe je nou?” roept José.
”We kunnen hier niet landen, we zouden te pletter vliegen.”
”Maar wat nu?” vraagt José half huilend.
”We moeten in de boomtoppen zien te landen.”
”We verongelukken, we gaan dood.” José raakt weer in paniek.
”Stil, we redden het,” zegt pappa hard. Van schrik houdt José op met jammeren. Doordat pappa het vliegtuig probeert op te trekken vermindert de snelheid. Ze gaan nu zo langzaam dat het toestel begint te zakken.
Ze zijn over de open plek heengevlogen. Ze vliegen heel langzaam en dan raken ze de boomtoppen. José houdt zijn adem in. Er klinkt een enorm geraas.
Even ligt het vliegtuig stil in de boomtoppen. Alsof het in een groen bed ligt. Dan zakt het met schokken en luid gekraak naar beneden. Op een gegeven moment blijft het toestel hangen laag bij de grond.
Weer is het stil, doodstil. Het lijkt of het hele woud zijn adem inhoudt.

Mamma en Maria zijn naar huis gegaan. Thuis heeft Maria onmiddellijk de tv aangezet en kijkt nu naar haar favoriete muziekprogramma.
”Niet te hard!” roept mamma.
Het loopt naar het eind van de middag. ”Ik ga de tafel dekken voor de avondboterham, ze zullen zo wel komen,” zegt mamma. Het wordt zes uur.
”Wat zijn ze laat,” zegt Maria.
”Ach, het zal wel gezellig zijn in het clubhuis.” Om zeven uur zijn ze er nog niet. Mamma en Maria zijn maar gaan eten. Om half acht zegt mamma: ”Ze hadden toch wel even kunnen bellen nu het zo laat wordt?”
”Wij kunnen toch wel even het clubhuis bellen?” vraagt Maria.
‘’Ja, daar dacht ik ook net aan, waar heb ik het nummer ook alweer.” Mamma zoekt in de telefoonklapper. De bel gaat. ”Daar zal je ze hebben.”
”Maar ze hebben toch een sleutel?” roept Maria naar mamma, die al naar de deur loopt.

Er staan twee mannen voor de deur. Met een naar voorgevoel kijkt mamma van de één naar de ander. Maria, die achter mamma is aangelopen, slikt.
”Dag mevrouw, mogen we binnenkomen?” De voorste man steekt zijn hand uit en stelt zich voor: ”Carlos da Silva, inspecteur van politie,” zegt hij. Mamma slaat haar hand voor haar mond.
”Zijn ze verongelukt?” vraagt ze.
”Dat weten we niet, mevrouw, maar we willen graag even met u praten.” Zwijgend doet mamma een stap opzij om de mannen binnen te laten. Maria is zacht gaan huilen, mamma slaat een arm om haar heen. Nu steekt de andere man ook zijn hand uit.
”Pedro Carvas van de vliegclub,” zegt hij. Zwijgend gaan ze zitten. Maria zit dicht bij mamma op de bank. Ze houdt haar hand vast. De inspecteur schraapt zijn keel.
”Uh, ik wil u een paar vragen stellen. Uw man heeft een vliegplan ingediend dat hij langs de Amazone ging vliegen. Weet u of hij ook nog een andere route van plan was? Heeft hij het daar weleens over gehad?” Mamma denkt na.
”Nee, ik zou het niet weten.”
”Wilde hij weleens over het oerwoud vliegen?”
”Daar heb ik hem nooit over gehoord,” antwoordt mamma.
”Het is namelijk zo, hij vloog langs de Amazone maar ineens was hij van de radar verdwenen. De radar beslaat niet het oerwoud. We hebben de Amazone afgezocht tot het punt waar hij van het radarscherm verdween. We hebben ook geen noodoproep ontvangen. Morgen zoeken we boven het oerwoud. Maar dat is zo enorm groot en we weten niet of hij links of rechts van de Amazone is afgeslagen.”
Pedro zegt: ”Morgen gaan we met de hele club zoeken. Luis is een ervaren vlieger. Als er een motorstoring was, heeft hij zo goed mogelijk gehandeld. Er is echt wel hoop hoor.” Dankbaar kijkt mamma hem aan.
”Zal ik koffiezetten?” vraagt ze. Beide mannen knikken.
”Graag mevrouw.”
Als ze in de keuken de beker van José ziet staan krijgt ze een brok in haar keel. Ze zijn niet dood, dat kan niet, dat geloof ik niet. Even later komt ze met het blad met de koffie binnen en zet het zwijgend voor hen neer. Maria heeft nog geen woord gezegd.
”Kom, ik moet ervandoor,” zegt de inspecteur. ”Als u iets te binnen schiet laat het ons dan weten. Hier is mijn telefoonnummer, u kunt me dag en nacht bellen.” Hij geeft mamma en Maria een hand. ”Sterkte gewenst. Ik kom er wel uit,” zegt hij als mamma wil opstaan. Ze horen de deur dichtslaan. Nu is het opeens zo stil. Pedro is blijven zitten.
”Zal ik nog een poosje blijven?” vraagt hij. Mamma knikt dankbaar.
”Als je motorstoring hebt boven het oerwoud dan kun je toch nergens landen?”
” Eigenlijk niet, maar een goede vlieger zorgt dat hij heel langzaam in de boomtoppen landt. Natuurlijk blijft het vliegtuig niet heel, toch zijn hier wel mensen levend vanaf gekomen.”
”En zijn ze dus ook gevonden,” zegt mamma. Pedro knikt. Mamma zucht: ”Ik hoop dat ze gevonden worden.”
”Luis en José zijn jong, dat scheelt een stuk,” zegt Pedro. Alle drie zijn ze nu in gedachten. Pedro denkt: het is een wonder als ze gevonden worden. Mamma denkt: als ze maar niet gewond zijn en pijn hebben. Ze slikt haar tranen weg. Ik maak nooit meer ruzie met José, denkt Maria.
”Kom, ik moet ook eens gaan, redt u het alleen?” Pedro staat op. Mamma en Maria zitten stil op de bank. Mamma knikt en staat op om Pedro uit te laten.

”We moeten oma bellen,” zegt mamma. O ja dat is waar, oma is pappa’s moeder, denkt Maria. Mamma pakt de telefoon. Ze horen hoe hij overgaat. Dan klinkt er wat gekraak.
”Met mevrouw Careros,” horen ze oma zeggen. Mamma slikt even en zegt dan haperend:
”Dag ma, Luis en Pedro zijn vanmiddag gaan vliegen…” Mamma kan niet verder praten. Oma begrijpt het onmiddellijk.
”Zijn ze neergestort?”
“Nee uh, dat weet ik niet, ze zijn vermist.” Het is een poos stil aan de andere kant. ”Hallo…,” zegt mamma.
”Ik kom onmiddellijk naar jullie toe,” zegt oma schor.
Na een half uur gaat de bel. Maria rent de gang in, trekt de deur open en vliegt oma huilend om haar hals.
“Rustig maar,” zegt oma, onderwijl haar zachtjes op haar rug kloppend. Mamma komt oma tegemoet. Ze slaat haar armen om oma heen. Zo staan ze een poosje hun tranen wegslikkend. Weer zet mamma koffie. Nu voor oma.
”Het wordt tijd dat je naar bed gaat,” zegt mamma tegen Maria.
”Maar ik kan toch niet slapen.”
”Weet je wat? Slaap vannacht maar bij mij. En nu gaan we oma haar bed opmaken.” Maria is blij wat te doen te hebben. Daarna zitten ze nog een poosje bij elkaar.
Later in bed kunnen ze geen van drieën slapen. Maria moet steeds denken: zullen ze neergestort zijn, zullen ze dood zijn of gewond? Elke keer weer denkt ze hetzelfde. Mamma slaapt ook niet, dat heeft ze wel gemerkt.

Ze staan vroeg op en hebben geen trek in het ontbijt.
”Zal ik eens naar meneer Da Silva bellen? Misschien is er iets bekend.” Mamma pakt de telefoon. De inspecteur is heel vriendelijk maar kan hun niets vertellen.
”Zodra ik iets weet, bel ik u.”
”Dank u.” Mamma legt de telefoon neer.
Na een uur rinkelt de telefoon. Alle drie zitten ze even stijf van schrik. De gedachten vliegen door hun hoofd. Zouden ze gevonden zijn en leven ze nog? Met trillende handen neemt mamma de telefoon op.
”Dag mevrouw Careras, met Pedro.”
”Is er iets bekend?” vraagt mamma.
”Helaas niet, maar alle vliegtuigen van de club zijn aan het zoeken, we geven het niet op hoor.” Het klinkt een beetje geruststellend. ”Aan het eind van de middag kom ik bij u langs als het uitkomt.”
”Natuurlijk, graag,” antwoordt mamma. Met haar hoofd schuddend gaat ze weer zitten. Ze hebben geen trek in eten. Mamma heeft een schaal boterhammen gesmeerd. Maar er wordt bijna niets van gegeten.
”Moet ik morgen naar school?” vraagt Maria. Mamma schudt haar hoofd.
”Ik zal morgen de school wel bellen.” Gelukkig, ze weet niet wat ze op school zou moeten zeggen. Het is zo moeilijk over pappa en José te praten. En iedereen zit haar dan natuurlijk aan te kijken, denkt ze. Ze zucht en begint te huilen. Mamma slaat een arm om haar heen en huilt zachtjes mee. Zouden ze nog leven? Waar zijn ze nu? Zijn ze gewond en hebben ze pijn? Wisten ze maar iets. Zo zitten ze stil te denken.
De bel gaat. Verschrikt kijken ze op. Oma loopt naar de deur. Ze horen oma met iemand praten. Pedro stapt de kamer in. Hoopvol kijkt mamma hem aan. Maar hij schudt alleen zijn hoofd.
”En toch geloof ik niet dat ze omgekomen zijn,” zegt Pedro ineens. Alle drie kijken ze hem vragend aan. “Het is zo’n goede vlieger, ik heb hem weleens staaltjes zien uithalen, die ik niet zou kunnen.”
”Maar hoe kun je nou in het oerwoud landen?” zegt mamma.
”Dat heb ik u verteld.”
”Ja ja, op de bomen, maar ik kan het me niet voorstellen.”
”Echt mevrouw, het kan en Luis kan het zeker.
”Zou het?” Mamma pakt Pedro zijn hand en kijkt hem hoopvol aan. Hij knikt. ”Maar kun je in het oerwoud overleven?”
”Zeker, er is water en er groeit voldoende fruit.”
”En de wilde dieren dan?” Maria kijkt Pedro angstig aan.
”Er zijn meer mensen die het oerwoud overleefd hebben. Er schijnen ook Indianen te leven, al hebben wij die nog nooit gezien.”
”En uw voorgevoel zegt dat ze nog leven?” vraagt oma ineens. Pedro knikt. ”Laten we ons daar maar aan vasthouden,” zegt oma resoluut. ”Ik ga koffiezetten.’ En ze gaat de kamer uit.
Dankbaar kijkt mamma Pedro aan, ze knikt naar hem. Ze heeft er een vriend bij die hen steunt.
De volgende dagen worden ze ook niet gevonden en het zoeken wordt gestaakt.
Maar Pedro komt elke dag even langs en beurt hen op. Na een week gaat mamma op Maria haar school praten, want Maria moet toch weer naar school en mamma naar haar werk. Oma blijft nog een poosje.

Formaat: 13,5 x 21,5
Pagina aantal: 152
ISBN: 978-3-99064-745-5
Publicatie datum: 11.12.2019
EUR 16,90
EUR 10,99