De avonturen van Rudolfje, Pietertje, Hubertusje in het Heuvelland
Deel 1 "Oorlog 1940–1941"
EUR 20,90
Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 156
ISBN: 978-3-99146-248-4
Publicatie datum: 04.04.2024
Het is oorlog. Drie broertjes van 12, 10 en 8 jaar oud moeten naar hun tante in het Limburgse Heuvelland. Thuis blijven in Maastricht is veel te gevaarlijk. Maar de Duitsers zijn overal. En geheimen zijn er ook. Al snel gaan de drie kinderen op onderzoek uit…
Inleiding
Bron van inspiratie RPH
De jongens Rudolfje, Pietertje en Hubertusje werden geboren uit mijn geweldige, lieve, toegewijde en bijzondere partner die voluit deze namen kreeg bij zijn geboorte.
Voor de grap kwamen de namen tot leven, spelenderwijs in onze fantasie en grapjes. Ik besloot zijn namen te koppelen aan zijn karakter.
Hierdoor ontstonden drie personages.
Rudolfje – de grappige en galante; heel sportief en stoer. Maar hij heeft ook een hele mooie zorgzame persoonlijkheid. Hij is heel gedurfd in zijn uitspraken. Zijn eerlijkheid en lef brengen hem ook wel eens in de problemen. Maar doordat hij iedereen laat lachen, wordt het hem ook snel weer vergeven.
Met zijn ruime fantasie, sprankelende knappe persoonlijkheid en heldere blauwe ogen is hij dan ook graag gezien.
Pietertje – de slimste van de broers, praktisch ingesteld en vol ideeën. Zijn liefde voor de natuur en de wereld om hem heen is ongekend. Hij heeft ook een vooruitziende blik en kijk op de wereld en altijd belangstelling voor alles om hem heen. Ook heeft hij blauwe ogen die altijd door je heen lijken te kijken.
Hubertusje – de aandoenlijke slaap kop, met zijn dromerige afwezige blik en grote blauwe ogen, groter dan die van zijn broers. Hij is het liefst in zijn eigen wereldje maar houdt tegelijkertijd van gezelligheid. Hij drinkt graag chocolademelk en eet hij het liefst alleen maar frieten.
Hij is ook de eigenwijste van het stel. Mensen die hem zien lopen op straat, zijn vertederd door zijn blik.
Drie broers met een groot gevoel voor avontuur.Ze werden geliefd in een tijd van oorlog vol ontrouw en veraad onder de bevolking van het Heuvelland. Ze lieten zien hoe barmhartig en puur kinderen in oorlogstijd zijn.
De avonturen zijn fantasie maar deels ook gebaseerd op ware feiten uit de oorlog tussen 1940–1945.
Het beschrijft hoe het leven er uit zag in de tweede wereldoorlog, door de ogen van drie kinderen in het heuvelland, zonder de bescherming van hun ouders.
Eenvoudige voorzieningen en grote steden waren moeilijk bereikbaar.
Armoe, de eenvoud van het leven, hield mensen bij elkaar. Familie was belangrijk. Mensen hadden elkaar hard nodig in een tijd vol onzekerheid en bedrog. Dat betrof ook de dorpen, waar samenwerken een nood werd.
Maar wie kun je nog vertrouwen? Je eigen familie die je zo lief is? Of dat leuke vriendje uit de klas? Of de plaatselijke postbode, kun je die nog wel vertrouwen? Niks is wat het nog lijkt, of toch wel? Wie zal het zeggen …
Je kunt pas oordelen als je het zelf hebt meegemaakt, net als de broertjes Rudolfje, Pietertje en Hubertusje.
Voorwoord
Rudolfje, Pietertje en Hubertusje werden door een grap van hun vader over de Duitsers ondergebracht bij de enige zus van hun moeder in het Heuvelland. Hun moeder was angstig en bezorgd vanwege het gevaar dat er heerste. De Duitsers gingen steeds meer het leven beheersen van mensen die nergens om vroegen en een normaal leven wilden leiden. Ze werden opgepakt, op de trein gezet en naar werkkampen gestuurd. Joden werden steeds meer onderdrukt. Het leven werd bepaald door de Duitsers en het werd steeds moeilijker om de mensen die je kende te vertrouwen.
Kun je je voorstellen dat je leven wordt bepaald door anderen en dat ze er mee kunnen doen wat ze willen? Wat je zelf wil, telt dan niet meer mee. Toch was dit helaas zo…
De vader van de jongens zag dit wel aankomen en werd een onderduikadres voor Joodse gezinnen. Heel dapper, maar niet zonder gevaar voor zijn eigen gezin. Daarom werden de broertjes ondergebracht in een buurtschap, Bommerig genaamd, midden in het heuvelland.
Daar maken de broers kennis met het eenvoudige leven in het dorp en de plaatsen Mechelen en Epen en beleven ze diverse spannende avonturen.
Vergeet nooit het kind in jezelf te behouden, ongeacht wat het leven je ook brengt.
De avonturen van Rudolfje,
Pietertje en Hubertusje in het Heuvelland
Hoofdstuk 1
Een Onderkomen in het Heuvelland
Zomer 1940
Klik, klak. klik, klak. Daar gaan de klompjes van de jongens door de hoofdstraat van Mechelen…
Het is spannend.
De oorlog is 10 mei begonnen. De gewonnen slag door de Duitsers betekent het begin van de bezetting van Maastricht. De kranten staan er elke dag vol mee, en in Maastricht zie je steeds meer rellen op straat. “Het wordt gevaarlijk op straat”, had moeder gezegd. “Mensen zijn onbetrouwbaar geworden. En wie weet hoelang deze oorlog nog gaat duren. De wereld is gek geworden”. En ze dacht terug aan de ellende van de eerste wereldoorlog.
Ze moesten weg uit Maastricht van papa Freddie. Pa werkt bij de belastingen. Ze hebben de Duitsers op hun hielen zitten.
Ze hoorden pa en ma er over praten, vanuit de bedstee.”Het is niet veilig. De jongens, onze kinderen; ze moeten gaan. Er valt geen tijd te verliezen, voor hun eigen veiligheid”, sprak hun moeder. Nu de zomervakantie was begonnen, zou het niet zo opvallen als de jongens vertrokken.
Ma regelde altijd alles en was een zorgzame vrouw. Pa maakte zich niet snel druk en loste het op met een geintje. Maar nu had moeder toch gelijk, dat besefte hij goed. Iedereen helpen, het goede doen voor de mens en je gezin beschermen, is een grote opgave en niet zonder gevaar.
De beginnende oorlog is een serieuze zaak.En hij werd bedreigd na zijn uitspraak.Hij was tegen een collega over de Duitsers te luchtig geweest. Het was meer als een grap bedoeld. Maar een collega die achter de Duitsers stond, was behoorlijk woest. Deze collega chanteerde hem in zijn functie en zou hem kunnen verraden.
Dus besloot hij om zijn gezin veilig te stellen voor het dreigende gevaar. De kranten stonden vol verhalen, er moest wel een kern van waarheid inzitten. Zeker als je Joods was, leek je je leven niet meer zeker te zijn.
“Het is toch van de idiote dat een ander, die je niet kent, bepaalt dat je een verplicht een gele ster op je kleding moet dragen?”, had vader boos gezegd. Hij had dit van betrouwbare bronnen gehoord maar zover was het og niet. Het zou nog wel een jaar duren voordat deze regel van kracht kon worden. “En wie weet gaat deze regel niet door en stopt de oorlog”, voegde hij er hoopvol aan toe.
Pa was een positieve denker. “Let maar op mijn woorden”, had moeder tegen hem gezegd. “Het gaat zeker gebeuren! Volgend jaar lopen nog meer mensen gevaar. Ook als ze een gewoon leven willen leiden en onschuldig zijn”. “Een rare wereld.Stelletje zotten zijn het”. Dat was het enige dat vader nog wist uit te brengen tegen moeder.
En zo gebeurde het. De oorlog bepaalde een nieuw leven voor de drie broers. En niemand wist voor hoelang.
De eerste tijd waren de jongens in Venlo bij opa Hubertus en opa Pieter, waar de middelste en de jongste naar waren vernoemd.
Maar ook daar was het niet veilig, hadden ze gehoord. Er werd nog steeds veel gevochten in de grensstreek en er gebeurde te veel dat niet pluis was. Moeder wilde dat ze daar zo snel mogelijk vertrokken; pa kende iemand uit het dorp waar zijn schoonzus woonde. Die kon voor het vervoer zorgen en in twee dagen tijd was alles geregeld.
“Ze moeten zo snel mogelijk weg”, had moeder gezegd. Ze hoorde verhalen die haar bang maakten. “De Duitsers trappen te veel herrie en zetten zonder pardon mensen vast.Ze pakken je bij een verkeerd woord al op”, had ze gehoord. Een vriend van de slager vertelde dat zijn broer uit het café kwam op zijn fiets, en een stel Duitsers dat zich verveelde schoot hem zomaar van zijn fiets af.”Het is voor iedereen een moeilijke en onzekere tijd”, had moeder gezegd. “Maar we moeten de kinderen beschermen als het kan.”
Nu zaten ze dan bij een familielid in Bommerig, hoog gelegen tussen de twee dorpen Mechelen en Epen, niet ver van de plaats Gulpen. Bommerig was een buurtschap en bestond uit oude vakwerkhuizen. Het lag midden in het Geuldal tussen de bossen en de stromende beekjes van de Geul.
Rudolfje was de oudste en nog maar twaalf jaar.
Hij hield van buiten spelen en was een avonturier met veel gevoel voor mens en dier. Hij nam het op voor anderen, desnoods door een potje te vechten. Hij was bezig met een nieuwe sport, judo, en was best goed ondanks dat zijn knie wel eens pijn deed. Op school vond hij cijfers wel interessant, daar kon hij in de toekomst wel wat mee, als hij een echt vak moest leren. Maar nu maakte hij zich niet druk. Een beetje lol maken en op avontuur gaan, daar genoot hij wel van.En voor zijn broertjes zorgen, zag hij als zijn plicht als oudste van de drie.
Daarbij had hij een oogje op een meisje uit de buurt. Een tenger, lenig meisje met donkere zwarte wenkbrauwen en een donkere verlegen blik, en lange gouden haren. Ze scheen uit Holland te komen, ergens uit het midden van het land. Ook zij was in Bommerig ondergebracht. Waarom en het verhaal erachter, daar moest hij nog achter komen.
Ze kwam helemaal met de trein. Geweldig vond hij dat. Hij hoopte zelf ook ooit eens met de trein te kunnen gaan. Een hoop lawaai en een hoop stoom kwam er uit die dingen! Dat leek hem geweldig, een rit met de trein. Het meisje was in Maastricht aangekomen op spoor 1. Ze moest met de bolderwagen naar Mechelen worden gebracht door boer Smeets, die onderaan het dorp woont. En dan had ze ook nog een grappig, klein, wit en vrolijk hondje bij zich, met bruin vlekje op de kont, en een koffertje. Hij zag haar aankomen toen ze op de kar het dorp in kwam. En voelde zich gelijk tot haar aangetrokken. “Ze heeft een vrolijk loopje”, dacht hij.
Hij had haar nog niet aangesproken. Maar dat ga ik doen”, beloofde hij zichzelf.
De slimme Pietertje was met tien jaar oud de middelste van het stel. Hij had een hoop fantasie en lachte de hele dag, maar kon op zijn tijd ook heel serieus zijn en goed voor zichzelf op komen. Hij was niet bang om iets te zeggen en had een sterk gevoel van rechtvaardigheid.
Pietertje hield van knikkeren en van pijltjes gooien in de roos op de oude boom. De pijltjes maakte hij zelf en waren scherp. Hij was er best trots op.
Bij hun onderduikadres stond een oude kastanjeboom. Dat vond hij de perfecte boom om zijn zelfgemaakte pijlen op af te schieten.
Het was een handig kereltje met veel verborgen talenten. Hij vond altijd wel een oplossing, maar school vond hij niks. Hij ging liever op avontuur, net als zijn broers, en genieten van de natuur waar hij uren kon dromen.
Pietertje ging ook nooit de deur uit zonder zijn katapult. Dat ding was heilig voor hem. Het ging zelfs mee naar bed.
Zijn moeder was hem wel eens kwijtgeraakt. Hij was met Hubertusje de autoweg opgegaan, met hun houten fietsje dat papa Freddy zelf had gemaakt. Ze woonden bij de oude stadswal en waren daar via het park dat erachter lag weggeglipt. Aan de overkant lag de Maas. Daarvandaan was je zo op de pas aangelegde autoweg.
Ze hadden hem moeten zoeken, en gelukkig werden ze op tijd gevonden.
Geen tweeën begrepen ze waar iedereen zich nou druk om maakte en waarom moeder zo bezorgd was, en pa toch wel moest lachen ondanks zijn bezorgde blik. “Soms zijn ouders maar vreemd”, had hij gedacht.
Hubertusje was acht jaar en de jongste van de drie broers, Hij was een echte slaapkop. Nog elke middagwilde hij een uurtje slapen, met zijn duimpje in de mond.
Het was een aandoenlijk kind dat de harten stal van iedereen.En dat zich met gemak aanpaste en zich interesseerde voor de wereld om zich heen. En zeker ook voor auto’s. Die vond hij machtig om te zien en hij hoopte er ooit in een te rijden, als hij groot zou zijn. Mooi leek hem dat! Net als zijn broers had hij sprankelende blauwe ogen vol levenslust. En samen vormen de broers een bijzonder trio.
Je kon niet om hen heen.
Twee weken verbleven ze nu al in het Heuvelland.
Het hele dorp sprak over ze.
Die stakkers uit Maastricht.
Maar denk maar niet dat ze stakkers zijn, integendeel! Dat vertelde Rudolfje die dikke dame wel, die vrouw die alles scheen te weten. Toen hij haar voor het eerst tegenkwam, en per ongeluk over hen hoorde praten, in het dorp buiten bij de kruidenier. “Roddelmuts”, had hij haar toen nog nageschreeuwd.
Rudolfje had altijd zijn antwoord klaar. De dikke mevrouw gaf hem een standje en hij had bijna een klap te pakken. “Ik noem u roddelmuts”, zei hij en stak zijn tong uit naar haar.
Hij moest zijn mond leren houden, had ze tegen hem gezegd. Anders kon hij nog wel eens in de problemen komen. Ze moesten lachen dat Rudolfje bijna een klap te pakken had. “Ja, ja. pas maar op voor mevrouw roddelmuts”, had Rudolfje zijn broers verzekerd.
Ja, raar volk die dorpslui, dacht hij en schopte een grote kei richting de geul. Jammer, hij plonsde er net niet in en voelde zijn teen. Verdorie, dacht hij bij zichzelf. Nu schreef moeder ook nog dat het nog wel een tijdje ging duren voordat ze naar huis konden.Niks aan te doen, dacht hij. Dan maar het beste er van maken. ‘Een dag niet gelachen, is een dag niet geleefd’, zou pa zeggen. En pa heeft belangrijke taken op dit moment.
Hij besefte dat dit voor hun eigen bestwil en veiligheid was, in een tijd dat je bijna niemand kon vertrouwen. Hij moest op zijn woorden letten, ter bescherming van zijn broers.
Hoofdstuk 2
Eerste schooldag
“Verdorie”, zei Hubertusje. “Moeten we nu echt de hele dag naar school?”
Hun tante, de enige zus van hun moeder, had gezegd van wel. Het was al september, de vakantie was voorbij.
En ze moesten een leibordje meenemen, met krijtjes.
Vreselijk, dacht Pietertje. Zijn krijtje brak altijd. In Maastricht mochten ze al met een kroontjespen in een schriftje schrijven. Hij vond dit gezeur maar niks.
“Kom op, klompen aan. We moeten gaan van tante.”
Ja, ja, dacht Hubertusje, en sjokte traag achter zijn broers aan.
Het was een lange weg naar beneden op hun klompen. Sommige kinderen hadden hoge stevige schoenen. Die ouders zaten goed in hun geld. En hadden vast meer dan honderd koeien. Rotzakken zaten ertussen, dacht Rudolfje. Hij zou ze nog wel eens mores leren. Ze trokken meiden aan hun haren, stelletje idioten!
Pietertje had een sluiproute gevonden door het dal en wenkte zijn broers mee omlaag.
Pietertje had altijd goede ideeën, bedacht Hubertusje zich.
“Als ik later groot ben”, schreeuwde Pietertje dwars door de harde wind, “koop ik zo’n legertank om dit gras plat te walsen!’
Hubertusjes’ benen jeukten van de brandnetels. Hij liep naar de geul voor verkoelend water. Het kon hem niet schelen dat hij nat werd. Hij trok zijn klompen uit, liep naar de geul en stak zijn benen in het koude water. Hij zuchtte. Dat voelde fijn.
Even later hoorde hij zijn broers roepen dat hij moest opschieten. ‘Ik had mijn lange kousen aan moeten trekken’, dacht hij. Maar daar was hij te lui voor geweest.
“Verdorie!”, schreeuwde hij. “Mijn broek is nat!”
Hij zag dat zijn knie was geschaafd. Wat een rotdag. Hij zou nooit meer mee naar school gaan, bedacht hij zich. Daarna werd zijn aandacht opeens getrokken naar een groot wit doek met touwen.
Bron van inspiratie RPH
De jongens Rudolfje, Pietertje en Hubertusje werden geboren uit mijn geweldige, lieve, toegewijde en bijzondere partner die voluit deze namen kreeg bij zijn geboorte.
Voor de grap kwamen de namen tot leven, spelenderwijs in onze fantasie en grapjes. Ik besloot zijn namen te koppelen aan zijn karakter.
Hierdoor ontstonden drie personages.
Rudolfje – de grappige en galante; heel sportief en stoer. Maar hij heeft ook een hele mooie zorgzame persoonlijkheid. Hij is heel gedurfd in zijn uitspraken. Zijn eerlijkheid en lef brengen hem ook wel eens in de problemen. Maar doordat hij iedereen laat lachen, wordt het hem ook snel weer vergeven.
Met zijn ruime fantasie, sprankelende knappe persoonlijkheid en heldere blauwe ogen is hij dan ook graag gezien.
Pietertje – de slimste van de broers, praktisch ingesteld en vol ideeën. Zijn liefde voor de natuur en de wereld om hem heen is ongekend. Hij heeft ook een vooruitziende blik en kijk op de wereld en altijd belangstelling voor alles om hem heen. Ook heeft hij blauwe ogen die altijd door je heen lijken te kijken.
Hubertusje – de aandoenlijke slaap kop, met zijn dromerige afwezige blik en grote blauwe ogen, groter dan die van zijn broers. Hij is het liefst in zijn eigen wereldje maar houdt tegelijkertijd van gezelligheid. Hij drinkt graag chocolademelk en eet hij het liefst alleen maar frieten.
Hij is ook de eigenwijste van het stel. Mensen die hem zien lopen op straat, zijn vertederd door zijn blik.
Drie broers met een groot gevoel voor avontuur.Ze werden geliefd in een tijd van oorlog vol ontrouw en veraad onder de bevolking van het Heuvelland. Ze lieten zien hoe barmhartig en puur kinderen in oorlogstijd zijn.
De avonturen zijn fantasie maar deels ook gebaseerd op ware feiten uit de oorlog tussen 1940–1945.
Het beschrijft hoe het leven er uit zag in de tweede wereldoorlog, door de ogen van drie kinderen in het heuvelland, zonder de bescherming van hun ouders.
Eenvoudige voorzieningen en grote steden waren moeilijk bereikbaar.
Armoe, de eenvoud van het leven, hield mensen bij elkaar. Familie was belangrijk. Mensen hadden elkaar hard nodig in een tijd vol onzekerheid en bedrog. Dat betrof ook de dorpen, waar samenwerken een nood werd.
Maar wie kun je nog vertrouwen? Je eigen familie die je zo lief is? Of dat leuke vriendje uit de klas? Of de plaatselijke postbode, kun je die nog wel vertrouwen? Niks is wat het nog lijkt, of toch wel? Wie zal het zeggen …
Je kunt pas oordelen als je het zelf hebt meegemaakt, net als de broertjes Rudolfje, Pietertje en Hubertusje.
Voorwoord
Rudolfje, Pietertje en Hubertusje werden door een grap van hun vader over de Duitsers ondergebracht bij de enige zus van hun moeder in het Heuvelland. Hun moeder was angstig en bezorgd vanwege het gevaar dat er heerste. De Duitsers gingen steeds meer het leven beheersen van mensen die nergens om vroegen en een normaal leven wilden leiden. Ze werden opgepakt, op de trein gezet en naar werkkampen gestuurd. Joden werden steeds meer onderdrukt. Het leven werd bepaald door de Duitsers en het werd steeds moeilijker om de mensen die je kende te vertrouwen.
Kun je je voorstellen dat je leven wordt bepaald door anderen en dat ze er mee kunnen doen wat ze willen? Wat je zelf wil, telt dan niet meer mee. Toch was dit helaas zo…
De vader van de jongens zag dit wel aankomen en werd een onderduikadres voor Joodse gezinnen. Heel dapper, maar niet zonder gevaar voor zijn eigen gezin. Daarom werden de broertjes ondergebracht in een buurtschap, Bommerig genaamd, midden in het heuvelland.
Daar maken de broers kennis met het eenvoudige leven in het dorp en de plaatsen Mechelen en Epen en beleven ze diverse spannende avonturen.
Vergeet nooit het kind in jezelf te behouden, ongeacht wat het leven je ook brengt.
De avonturen van Rudolfje,
Pietertje en Hubertusje in het Heuvelland
Hoofdstuk 1
Een Onderkomen in het Heuvelland
Zomer 1940
Klik, klak. klik, klak. Daar gaan de klompjes van de jongens door de hoofdstraat van Mechelen…
Het is spannend.
De oorlog is 10 mei begonnen. De gewonnen slag door de Duitsers betekent het begin van de bezetting van Maastricht. De kranten staan er elke dag vol mee, en in Maastricht zie je steeds meer rellen op straat. “Het wordt gevaarlijk op straat”, had moeder gezegd. “Mensen zijn onbetrouwbaar geworden. En wie weet hoelang deze oorlog nog gaat duren. De wereld is gek geworden”. En ze dacht terug aan de ellende van de eerste wereldoorlog.
Ze moesten weg uit Maastricht van papa Freddie. Pa werkt bij de belastingen. Ze hebben de Duitsers op hun hielen zitten.
Ze hoorden pa en ma er over praten, vanuit de bedstee.”Het is niet veilig. De jongens, onze kinderen; ze moeten gaan. Er valt geen tijd te verliezen, voor hun eigen veiligheid”, sprak hun moeder. Nu de zomervakantie was begonnen, zou het niet zo opvallen als de jongens vertrokken.
Ma regelde altijd alles en was een zorgzame vrouw. Pa maakte zich niet snel druk en loste het op met een geintje. Maar nu had moeder toch gelijk, dat besefte hij goed. Iedereen helpen, het goede doen voor de mens en je gezin beschermen, is een grote opgave en niet zonder gevaar.
De beginnende oorlog is een serieuze zaak.En hij werd bedreigd na zijn uitspraak.Hij was tegen een collega over de Duitsers te luchtig geweest. Het was meer als een grap bedoeld. Maar een collega die achter de Duitsers stond, was behoorlijk woest. Deze collega chanteerde hem in zijn functie en zou hem kunnen verraden.
Dus besloot hij om zijn gezin veilig te stellen voor het dreigende gevaar. De kranten stonden vol verhalen, er moest wel een kern van waarheid inzitten. Zeker als je Joods was, leek je je leven niet meer zeker te zijn.
“Het is toch van de idiote dat een ander, die je niet kent, bepaalt dat je een verplicht een gele ster op je kleding moet dragen?”, had vader boos gezegd. Hij had dit van betrouwbare bronnen gehoord maar zover was het og niet. Het zou nog wel een jaar duren voordat deze regel van kracht kon worden. “En wie weet gaat deze regel niet door en stopt de oorlog”, voegde hij er hoopvol aan toe.
Pa was een positieve denker. “Let maar op mijn woorden”, had moeder tegen hem gezegd. “Het gaat zeker gebeuren! Volgend jaar lopen nog meer mensen gevaar. Ook als ze een gewoon leven willen leiden en onschuldig zijn”. “Een rare wereld.Stelletje zotten zijn het”. Dat was het enige dat vader nog wist uit te brengen tegen moeder.
En zo gebeurde het. De oorlog bepaalde een nieuw leven voor de drie broers. En niemand wist voor hoelang.
De eerste tijd waren de jongens in Venlo bij opa Hubertus en opa Pieter, waar de middelste en de jongste naar waren vernoemd.
Maar ook daar was het niet veilig, hadden ze gehoord. Er werd nog steeds veel gevochten in de grensstreek en er gebeurde te veel dat niet pluis was. Moeder wilde dat ze daar zo snel mogelijk vertrokken; pa kende iemand uit het dorp waar zijn schoonzus woonde. Die kon voor het vervoer zorgen en in twee dagen tijd was alles geregeld.
“Ze moeten zo snel mogelijk weg”, had moeder gezegd. Ze hoorde verhalen die haar bang maakten. “De Duitsers trappen te veel herrie en zetten zonder pardon mensen vast.Ze pakken je bij een verkeerd woord al op”, had ze gehoord. Een vriend van de slager vertelde dat zijn broer uit het café kwam op zijn fiets, en een stel Duitsers dat zich verveelde schoot hem zomaar van zijn fiets af.”Het is voor iedereen een moeilijke en onzekere tijd”, had moeder gezegd. “Maar we moeten de kinderen beschermen als het kan.”
Nu zaten ze dan bij een familielid in Bommerig, hoog gelegen tussen de twee dorpen Mechelen en Epen, niet ver van de plaats Gulpen. Bommerig was een buurtschap en bestond uit oude vakwerkhuizen. Het lag midden in het Geuldal tussen de bossen en de stromende beekjes van de Geul.
Rudolfje was de oudste en nog maar twaalf jaar.
Hij hield van buiten spelen en was een avonturier met veel gevoel voor mens en dier. Hij nam het op voor anderen, desnoods door een potje te vechten. Hij was bezig met een nieuwe sport, judo, en was best goed ondanks dat zijn knie wel eens pijn deed. Op school vond hij cijfers wel interessant, daar kon hij in de toekomst wel wat mee, als hij een echt vak moest leren. Maar nu maakte hij zich niet druk. Een beetje lol maken en op avontuur gaan, daar genoot hij wel van.En voor zijn broertjes zorgen, zag hij als zijn plicht als oudste van de drie.
Daarbij had hij een oogje op een meisje uit de buurt. Een tenger, lenig meisje met donkere zwarte wenkbrauwen en een donkere verlegen blik, en lange gouden haren. Ze scheen uit Holland te komen, ergens uit het midden van het land. Ook zij was in Bommerig ondergebracht. Waarom en het verhaal erachter, daar moest hij nog achter komen.
Ze kwam helemaal met de trein. Geweldig vond hij dat. Hij hoopte zelf ook ooit eens met de trein te kunnen gaan. Een hoop lawaai en een hoop stoom kwam er uit die dingen! Dat leek hem geweldig, een rit met de trein. Het meisje was in Maastricht aangekomen op spoor 1. Ze moest met de bolderwagen naar Mechelen worden gebracht door boer Smeets, die onderaan het dorp woont. En dan had ze ook nog een grappig, klein, wit en vrolijk hondje bij zich, met bruin vlekje op de kont, en een koffertje. Hij zag haar aankomen toen ze op de kar het dorp in kwam. En voelde zich gelijk tot haar aangetrokken. “Ze heeft een vrolijk loopje”, dacht hij.
Hij had haar nog niet aangesproken. Maar dat ga ik doen”, beloofde hij zichzelf.
De slimme Pietertje was met tien jaar oud de middelste van het stel. Hij had een hoop fantasie en lachte de hele dag, maar kon op zijn tijd ook heel serieus zijn en goed voor zichzelf op komen. Hij was niet bang om iets te zeggen en had een sterk gevoel van rechtvaardigheid.
Pietertje hield van knikkeren en van pijltjes gooien in de roos op de oude boom. De pijltjes maakte hij zelf en waren scherp. Hij was er best trots op.
Bij hun onderduikadres stond een oude kastanjeboom. Dat vond hij de perfecte boom om zijn zelfgemaakte pijlen op af te schieten.
Het was een handig kereltje met veel verborgen talenten. Hij vond altijd wel een oplossing, maar school vond hij niks. Hij ging liever op avontuur, net als zijn broers, en genieten van de natuur waar hij uren kon dromen.
Pietertje ging ook nooit de deur uit zonder zijn katapult. Dat ding was heilig voor hem. Het ging zelfs mee naar bed.
Zijn moeder was hem wel eens kwijtgeraakt. Hij was met Hubertusje de autoweg opgegaan, met hun houten fietsje dat papa Freddy zelf had gemaakt. Ze woonden bij de oude stadswal en waren daar via het park dat erachter lag weggeglipt. Aan de overkant lag de Maas. Daarvandaan was je zo op de pas aangelegde autoweg.
Ze hadden hem moeten zoeken, en gelukkig werden ze op tijd gevonden.
Geen tweeën begrepen ze waar iedereen zich nou druk om maakte en waarom moeder zo bezorgd was, en pa toch wel moest lachen ondanks zijn bezorgde blik. “Soms zijn ouders maar vreemd”, had hij gedacht.
Hubertusje was acht jaar en de jongste van de drie broers, Hij was een echte slaapkop. Nog elke middagwilde hij een uurtje slapen, met zijn duimpje in de mond.
Het was een aandoenlijk kind dat de harten stal van iedereen.En dat zich met gemak aanpaste en zich interesseerde voor de wereld om zich heen. En zeker ook voor auto’s. Die vond hij machtig om te zien en hij hoopte er ooit in een te rijden, als hij groot zou zijn. Mooi leek hem dat! Net als zijn broers had hij sprankelende blauwe ogen vol levenslust. En samen vormen de broers een bijzonder trio.
Je kon niet om hen heen.
Twee weken verbleven ze nu al in het Heuvelland.
Het hele dorp sprak over ze.
Die stakkers uit Maastricht.
Maar denk maar niet dat ze stakkers zijn, integendeel! Dat vertelde Rudolfje die dikke dame wel, die vrouw die alles scheen te weten. Toen hij haar voor het eerst tegenkwam, en per ongeluk over hen hoorde praten, in het dorp buiten bij de kruidenier. “Roddelmuts”, had hij haar toen nog nageschreeuwd.
Rudolfje had altijd zijn antwoord klaar. De dikke mevrouw gaf hem een standje en hij had bijna een klap te pakken. “Ik noem u roddelmuts”, zei hij en stak zijn tong uit naar haar.
Hij moest zijn mond leren houden, had ze tegen hem gezegd. Anders kon hij nog wel eens in de problemen komen. Ze moesten lachen dat Rudolfje bijna een klap te pakken had. “Ja, ja. pas maar op voor mevrouw roddelmuts”, had Rudolfje zijn broers verzekerd.
Ja, raar volk die dorpslui, dacht hij en schopte een grote kei richting de geul. Jammer, hij plonsde er net niet in en voelde zijn teen. Verdorie, dacht hij bij zichzelf. Nu schreef moeder ook nog dat het nog wel een tijdje ging duren voordat ze naar huis konden.Niks aan te doen, dacht hij. Dan maar het beste er van maken. ‘Een dag niet gelachen, is een dag niet geleefd’, zou pa zeggen. En pa heeft belangrijke taken op dit moment.
Hij besefte dat dit voor hun eigen bestwil en veiligheid was, in een tijd dat je bijna niemand kon vertrouwen. Hij moest op zijn woorden letten, ter bescherming van zijn broers.
Hoofdstuk 2
Eerste schooldag
“Verdorie”, zei Hubertusje. “Moeten we nu echt de hele dag naar school?”
Hun tante, de enige zus van hun moeder, had gezegd van wel. Het was al september, de vakantie was voorbij.
En ze moesten een leibordje meenemen, met krijtjes.
Vreselijk, dacht Pietertje. Zijn krijtje brak altijd. In Maastricht mochten ze al met een kroontjespen in een schriftje schrijven. Hij vond dit gezeur maar niks.
“Kom op, klompen aan. We moeten gaan van tante.”
Ja, ja, dacht Hubertusje, en sjokte traag achter zijn broers aan.
Het was een lange weg naar beneden op hun klompen. Sommige kinderen hadden hoge stevige schoenen. Die ouders zaten goed in hun geld. En hadden vast meer dan honderd koeien. Rotzakken zaten ertussen, dacht Rudolfje. Hij zou ze nog wel eens mores leren. Ze trokken meiden aan hun haren, stelletje idioten!
Pietertje had een sluiproute gevonden door het dal en wenkte zijn broers mee omlaag.
Pietertje had altijd goede ideeën, bedacht Hubertusje zich.
“Als ik later groot ben”, schreeuwde Pietertje dwars door de harde wind, “koop ik zo’n legertank om dit gras plat te walsen!’
Hubertusjes’ benen jeukten van de brandnetels. Hij liep naar de geul voor verkoelend water. Het kon hem niet schelen dat hij nat werd. Hij trok zijn klompen uit, liep naar de geul en stak zijn benen in het koude water. Hij zuchtte. Dat voelde fijn.
Even later hoorde hij zijn broers roepen dat hij moest opschieten. ‘Ik had mijn lange kousen aan moeten trekken’, dacht hij. Maar daar was hij te lui voor geweest.
“Verdorie!”, schreeuwde hij. “Mijn broek is nat!”
Hij zag dat zijn knie was geschaafd. Wat een rotdag. Hij zou nooit meer mee naar school gaan, bedacht hij zich. Daarna werd zijn aandacht opeens getrokken naar een groot wit doek met touwen.

