Bidden we voor een beetje mooi weer

Bidden we voor een beetje mooi weer

Wim Roos


EUR 15,90

Formaat: 13,5 x 21,5
Pagina aantal: 152
ISBN: 978-3-99064-763-9
Publicatie datum: 23.01.2020
Bij het lezen van Bidden voor een beetje mooi weer leef je gelijk mee met de ik-persoon: ridder met een houten zwaard, student, docent, voetballer, minnaar, echtgenoot; wat is hij niet? Het verhaal is niet chronologisch. Maakt niet uit: Willem Willems forever!


WIM
ROOS





BIDDEN WE VOOR EEN BEETJE MOOI WEER





LEEUWARDEN, 2016-2019






















TWEEDE PINKSTERDAG (2015)

Morgen ga ik naar het UMC in Groningen. Misschien is het beter om te zeggen dat ik moet, om te voorkomen dat ik te maken krijg met uitval. Ze gaan snijden in mijn rug, daar in Groningen: ik heb last van een lumbale stenose. ‘Als u zich niet laat opereren, is de kans groot dat u straks in een rolstoel terechtkomt,’ aldus de neurochirurg.
We zitten op een terras aan het water, in de buurt van Earnewoude. Ik heb een glas bier voor me staan, mijn vrouw witte wijn, maar de behoefte aan drank is niet erg groot. Ik probeer mijn hoofd zo te bewerken dat het begrip ziekenhuis en alles wat er voor staat verdwijnt, maar het lukt me niet. Het examenwerk van 6 vwo heb ik al nagekeken, lessen en toetsen van mijn andere klassen zijn besproken met collega’s van de sectie, alles van belang voor de korte termijn is geregeld. Kortom, ik heb alle tijd om te overdenken wat ze in Groningen gaan doen. Al zal ik het niet gauw toegeven, ik ben bang, niet zozeer voor pijn; ik ben bang dat het straks niet goed afloopt. Dat ze iets fout doen in het ziekenhuis.
Bang voor de dood ben ik niet, denk ik. Hoewel ik niet achter die dichtregel van Willem Kloos sta: ‘Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen,’ kan ik met de dood, om het paradoxaal te zeggen, wel leven. Bang ben ik eerder voor een situatie waarin ik nog besta, terwijl er geen contact meer mogelijk is met de anderen.
Er zit de hele tijd al een vrouw naar mij te staren. Als ik probeer haar blik te vangen, kijkt ze weg. Het is een al jaren volwassen vrouw zo te zien, zij het lang niet zo oud als ik. Waarschijnlijk is het een oud-leerlinge van me en durft ze geen contact te zoeken, omdat mijn vrouw naast me zit.

Op de school waar ik werk, het Stedelijk Lyceum in Leeuwarden, verwachten ze niet dat ik voor de zomervakantie terug ben. In ieder geval niet om de lessen weer op te pakken. Ze zagen mij de afgelopen maanden door de school strompelen. Ik deed mijn uiterste best om niet zielig over te komen, maar ik zag soms een blik van medelijden; anderen moesten stiekem lachen. Logisch natuurlijk als je weet dat ik normaliter iets van vitaliteit uitstraal. ‘Meneer Willems lijkt wel invalide,’ hoorde ik vorige week nog een leerling van 4A zeggen.
School, school, over een paar jaar ben ik met pensioen. Over twee maanden gaat de conrector met wie ik te maken heb, Theo Hornstra, met pensioen. Er zal een afscheidslied moeten komen. En dat lied verwachten ze wel van mij: Willems, neerlandicus, maar vooral dichter en schrijver voor al uw feesten en partijen. Theo mag ik wel; als ik het ziekenhuis overleef, schrijf ik ook een mooi gedicht voor hem. Daar heb je het weer, het ziekenhuis.
Mijn vrouw kijkt me aan: nemen we bitterballen? Ik zou het liefst mijn kop onder het zand willen steken, maar er is hier geen zand. ‘Doe maar,’ zeg ik en loop naar de wc. Ik hoef daar niks, maar ik weet me even geen houding te geven. Medelijden met mezelf heb ik niet, het is
gewoon een zonnige rotdag.






ZIEKENHUIS, DAG 1 (2015)

De route naar het UMC in Groningen vanuit Leeuwarden geeft weinig problemen. Als we eenmaal in Groningen zijn, zien we steeds borden met UMCG erop. Het rijden gaat soepel, het weer is prima, ik heb niets te klagen. ‘Te vrezen des te meer,’ zeg ik in mezelf, maar als mijn vrouw vraagt of ik er klaar voor ben, ga ik niet lullig of kinderachtig doen. Ik trek een relaxed gezicht en concentreer me op het lopen als we van de garage onder het ziekenhuis via de balie beneden naar de afdeling neurochirurgie gaan. Na een aantal onderzoeken hier zijn we geen onbekenden meer in het tamelijk grote gebouw.
Na een intakegesprek en bloedprikken zijn we voorlopig vrij. Mijn vrouw blijft tot na het avondeten al moet zij haar maaltijd zelf regelen. Als zij vertrokken is kan het lange wachten beginnen. Maar eerst komen de neurochirurg en zijn supervisor langs en vertellen mij wat me te wachten staat. Morgen om 12.00 uur is de operatie.

Op de zaal waar ik ben, zijn nog drie anderen. Ikzelf en twee van de anderen kunnen op dit moment rondlopen, koffie halen et cetera. De vierde, een vrouw, ligt in bed en is via slangen aan apparatuur verbonden. Ik ga inderdaad wat rondlopen en vind een ruimte waar ik voorlopig alleen ben. Om 21.30 belt Ingrid, collega en vriendin, mobiel; ze weet blijkbaar nog niet dat ik vandaag al in Groningen ben. Ingrid is van beeldende vorming, maar vindt zichzelf ook nog gewoon tekenlerares.
In oktober komt er een dichtbundel van mij uit. Ik zorg voor de gedichten, Ingrid doet de vormgeving van de bundel. ‘Sterkte,’ zegt ze en wil me verder met rust laten. Ik heb echter nog wat voor haar. ‘Luister, het gedicht voor jou heb ik af, in ieder geval de eerste versie. Het heet voorlopig Zoals. Ik heb mijn laptop bij me, ik zal het voorlezen. Later mail ik het wel.’


ZOALS

Zoals de jazzmusicus noot voor noot
opgaat in en terugkeert van zijn thema
en nogmaals verandert van toon en
dan opnieuw zijn muziek uitvindt,

zoals de dichter woord voor woord
zijn regels neerzet en later de helft
schrapt en de andere helft eerst niet
vertrouwt en dan toch weer oppakt,

zo is de schilder altijd bezig
om laag voor laag een vorm te
ontwerpen die voorgoed schetst
wat straks niet meer dan een
ondergrond lijkt voor een nieuw
te scheppen werkelijkheid.
Met Ingrid spreek ik kort over de tweede strofe die het maken van een gedicht beschrijft en over het feit dat dit gedicht juist daardoor aan zichzelf refereert. Gelukkig vindt ze het nu al mooi. Het kan zo de bundel in. We stoppen het gesprek. Ik zoek mijn eigen kamer en bed op. Het gerommel van de mensen om mij heen zorgt ervoor dat ik de eerste uren niet aan slapen toekom. Maar al dat gedoe heeft als bijvangst dat ik het sombere gevoel even kan laten voor wat het is. Ik heb zelfs zin in een boek.






































ECHT GEBEURD (2000-2015)

Je hebt gedichten die een dubbele ‘boodschap’ hebben: ze verwijzen behalve naar iets anders ook naar zichzelf, naar het ontstaan ervan. Je hebt ook gedichten die een proces beschrijven dat zoals dat heet ‘echt gebeurd’ is. Mijn leerlingen willen wel fictionele teksten lezen, maar het liefst teksten die op de werkelijkheid gebaseerd zijn. (En graag films bekijken die over bestaande personen gaan.) Als de tijd rijp is, confronteer ik mijn leerlingen met zo’n echt gebeurd gedicht. ‘Dames en heren,’ zeg ik dan,’het gedicht dat ik jullie nu voorleg, heeft precies zo plaatsgevonden als beschreven staat. Ik heb het zelf meegemaakt en zelf opgeschreven.’ En dan kom ik bijvoorbeeld met dit gedicht:

TUINJONGEN


Ik zei tegen J.
dat die jongen niet veel zei
hij had het niet over
ik ben van die en die of zoiets
of ik ben van het voetbal
maar toen ik vroeg of
hij wat brood wilde en
wat daar dan op moest
kaas en worst of wat anders
zei hij wel

ik ben niet
van de boter

en later toen
het begon te regenen
bleef hij doorwerken met

ik ben niet van zout
(niet: niet van het zout)

met wat rekken
toch nog drie regels
om in te lijsten.


‘Ik snap dat van echt gebeurd en zo,’ zegt dan altijd wel een leerling, ‘maar, meneer, is dit nou een echt gedicht ?’ Ik word dan heel fanatiek; of houd het simpel en mompel iets over parlando.

DE NIEUWE WOLKERS (Jaren 1960)

Michiel Peeters en ik fietsen naar Ruteck’s, een lunchroom in de buurt van het station in Leiden. Bij Ruteck’s kun je onder meer nasi- en bamiballen en kroketten krijgen. Het is er net iets chiquer dan bij een snackbar zoals Pieters’ smulpaleis. We hangen wat tegen een balie, de nasiballen zijn nog hartstikke heet, als Michiel over de nieuwe Wolkers begint. Ik heb de recensie van het boek in de Nieuwe Leidse Courant, van Dr. C. Rijnsdorp, al gelezen. Die was redelijk positief ondanks Wolkers’ gescheld op het hypocriete gereformeerdendom. ‘Mijn vader heeft het zaterdag gekocht,’ zegt Michiel, we kunnen het wel even bekijken, het ligt beneden op zijn bureau.’
Wanneer de nasiballen naar binnen gewerkt zijn, fietsen we naar het huis van Michiel. Zijn moeder vindt het geen enkel probleem dat we naar de studeerkamer van Michiels vader gaan. We krijgen thee en koekjes. Maar onze echte buit is Wolkers’ Terug naar Oegstgeest.
Michiel heeft duidelijk voorwerk verricht, want hij begint vrijwel meteen een passage voor te lezen:

‘Verderop in het dorp liepen de mensen in hun zondagse kleren statig door de lanen naar de kerk. Van alle kanten kwamen zij. Het was of er op de plaats van die lelijke bakstenen gereformeerde kerk een magneet stond die ze aantrok. Ik herkende verscheidene gelovigen. Ze zagen er nog uitgedroogder uit dan vroeger. Ik kon me eigenlijk niet goed voorstellen dat mijn vader met zijn zuidelijk temperament en zijn pathetische gebaren het zijn hele leven tussen die dorre mensen had uitgehouden. Hoe had hij zich zo kunnen laten verminken dat hij ons het fietsen, het met een bal gooien en het over elkaar heen springen op zondag verbood.’

En dit is ook interessant:

‘Ik reed van de grote weg af en ging onder het viaduct door het dorp in. Daar, op de hoek bij de katholieke kerk, stond toen ik een jaar of twaalf was een man met een grof gezicht. Echt iemand uit de Bollenstreek, half treiterig, half onnozel. Ik had een echte rijbroek aan en laarzen en een vuurrode trui. Ik liep fier rechtop en zwaaide bedachtzaam mijn armen heen en weer. De man keek mij ineens als een roofvogel aan en zei heel stellig: “Jij gaat vroeg dood.” Het was of ik door een mist verder liep. Iedere stap die ik zette werd onzeker en mechanisch. Ik had het gevoel of ik ieder moment weg kon zakken.’

‘En nou de seks en de blote vrouwen?’ ‘Nee, dat moet ik nog uitzoeken. Maar dit is wel geinig, staat voor in het boek:

‘Elke gelijkenis van figuren in dit boek met bestaande personen berust op toeval, behalve in het geval van de ijscoman Blanchard aan de ingang van de Leidse Hout.’

We spreken af een keer naar de Leidse Hout te fietsen als het beter weer is.


test
5 Sterren
Laten we bidden voor mooi weer - 27.01.2020
Jeanne Hofman

Leest heerlijk, boeiend, je wilt het in direct uitlezen.

Misschien vind je dit ook leuk :

Bidden we voor een beetje mooi weer

Rosalie Rose

Dit boek gaat niet over rozen

review:
*verplichte velden