Cover: Zomernacht Verhalen

Zomernacht Verhalen


EUR 19,90

Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 170
ISBN: 978-3-7116-0317-3
Publicatie datum: 12.05.2026
Zomernacht - Verhalen bevat een vijftal spannende verhalen die zich afspelen in verschillende tijdsspannen en op verschillende locaties. Vanuit een vriendelijke, boeiend beschreven setting krijgen de verhalen een raadselachtige, soms bizarre wending.
De porseleinen pop

Dampwolkjes losten op in de koude avond terwijl de koetsier zich al wrijvend probeerde warm te houden, wachtend op het moment om naar huis te rijden. Eindelijk ging de kasteeldeur open. ”Dan geloof ik dat we tot een overeenkomst gekomen zijn,” zei de oude landheer Goidens. ”Gefeliciteerd met uw aankoop, meneer Musorfsky.”
”Bedankt,” Ferdinand schudde de knokige hand van de landeigenaar.
”Ik hoop dat u het fijn zult vinden in het kasteel van Linter.” Met een brede glimlach trok Goidens de wandelstok onder zijn arm en draaide zich naar de edelvrouw. ”En natuurlijk u ook, mevrouw Musorfsky.” Hij maakte een nogal hoekige buiging en drukte een kus op de rug van haar hand.
”Ik ben er zeker van dat dat geen probleem zal worden, heer,” zei ze.
”Zoals jullie kunnen zien, is er wel wat werk aan, maar eenmaal opgeknapt zult u zich hier vast thuis voelen. Mijn werklieden hebben het hoogstnoodzakelijke al gedaan, want tien jaar leegstand doet toch iets met een gebouw, maar de rest is aan u. Mijn neef Wout woont amper twintig kilometer ten westen van hier in het dorpje Wamerschot. Hij heeft daar een schrijnwerkerij en zal u helpen mochten er zich problemen voordoen. Mij kunt u soms vinden in Lovan, maar ik ben vaak weg voor zaken, dus is het beter dat u hem contacteert bij een probleem.” Goidens haalde zijn hoed van de haak en plaatste hem op het van oranjekleurige vlekken voorziene kale hoofd. Enkel de grijze plukjes haar bij zijn oren kwamen onder de rand tevoorschijn. Uit een van de zakken van zijn overjas diepte hij een goudblinkend horloge op. ”Mijn koetsier zal mogen doorrijden als we voor tien uur in Lovan willen aankomen.” Behendig klikte hij het klepje dicht en liet het horloge met het fijngeweven kettinkje terug in zijn zak glijden. ”Nog een goedenavond aan u beiden.” Met de wandelstok duwde hij zijn hoed ietsje omhoog en stapte vervolgens de treden van het kasteel af naar de zwarte koets. Ineengekrompen wachtte de koetsier tot zijn meester aangaf dat ze mochten vertrekken. Eenmaal gezeten, tikte Goidens op het houten luikje en terwijl zijn bediende de paarden op dreef bracht, knikte hij even naar mevrouw Musorfsky die naast haar man in het portaal stond. Het licht van de rijlantaarn stierf weg toen de koets de oprijlaan afreed. Voor ze naar binnen stapten, hoorden ze nog hoe de koetsier de poort tot hun domein met een scherp gepiep achter zich sloot. Ferdinand vergrendelde de deur.
”Ga de kinderen halen,” zei hij. De hakken klakten op de marmeren treden terwijl Josephine naar boven liep. Onderzoekend keek hij door de hal die verlicht werd door de wandkandelaars en de kristallen luchter die stevig verankerd zat in het hoge plafond. Aan de muren hingen de familieportretten die hij vorige week samen met de meubels al had laten overbrengen vanuit zijn landhuis. Daar waar de trap voor hem zich opsplitste, hing zijn portret dat hij tijdens zijn reis naar Rome in 1770 door een onbekende Spaanse schilder had laten maken. Het ruitersuniform dat hij daarvoor had gedragen, gaf het geheel een deftig karakter. Zachte klanken tintelden zijn oren en Ferdinand besefte dat ze van het muziekdoosje afkomstig waren. Hij had zijn vrouw nochtans gevraagd het geschenk van Goidens af te zetten toen ze de bibliotheek verlieten. Terwijl hij naar ginder stapte om het toestel uit te schakelen, stopte de muziek echter; de band was waarschijnlijk afgelopen.
De vrolijke lach van Helena brak de stilte terwijl ze de trap af huppelde. Ze werd gevolgd door Josephine en zijn zoon Adam die met vaste tred de trappen afstapte. Helena struikelde bijna toen ze beneden kwam, maar versnelde weer voor haar sprong in vaders armen.
”Papa,” kirde ze en Ferdinand liet haar op zijn arm rusten. Zoals ze vroeger zoveel uit nieuwsgierigheid had gedaan, haalde ze haar vingertjes door zijn ruige baard, terwijl hij haar krullen fatsoeneerde.
”Hoe vinden jullie het?” De jongen opende zijn mond, maar Helena was hem voor.
”Geweldig, er zijn veel kamers, en veel schilderijen van thuis en ik heb zo’n groot bed.” Helena strekte haar armen zover ze kon om te tonen dat het nog groter was, groter dan de hal als haar armen ver genoeg reikten.
”Adam?” Zijn zoon keek op.
”Het is een mooi huis, vader,” zei hij en even leek hij er iets achteraan te mompelen. Ferdinand negeerde het.
”Hoe vind je je kamer?”
”Zeer mooi, vooral het uitzicht op de tuin bevalt me.” De jongen had niet willen vertrekken uit hun landhuis. Natuurlijk had hij dit niet geuit in kinderlijke woedeaanvallen, zijn zwijgzaamheid zei genoeg. Ferdinand besefte dat hij een jongeman werd. In de stilte die viel sprak enkel het huis met het monotone gekraak van uitzettende en krimpende planken.
”Het is al laat geworden, ik denk dat het beter is dat jullie gaan slapen,” zei Josephine. ”Morgen staat ons een lange dag te wachten.”
”Slaapwel, papa.” Voor ze van de harige arm sprong, drukte Helena een kus op vaders wang. Ze trippelde de trap op. Zwijgend draaide Adam zich om en volgde haar naar boven.
”Ik ga ook slapen,” zei Josephine. Ferdinand bleef staan toen zijn vrouw de eerste trede opstapte.
”Ik kom zo,” zei hij. Weer werd het stil. Hij haalde de kaarsendover van de haak naast de deur en begon de vlammen te doven, voor de eerste en – als morgen de bedienden kwamen – waarschijnlijk ook voor de laatste keer. Zodra de luchter zijn licht niet meer verspreidde, restte enkel de kandelabers die hun wankele gloed over de portretten wierpen. De laatste kaarsen die hij doofde waren die naast zijn portret. Even leek het dat zijn donkerbruine ogen hem vanonder de zwarte helm aanstaarden; een moment dacht Ferdinand zelfs dat ze bewogen. Hij glimlachte bij de gedachte dat zelfs na het bloed hij had zien vloeien, een simpele afbeelding op linnen angst bij hem kon opwekken. Ook die kaarsen gedoofd stapte hij naar beneden, naar het kaarsje op de trapleuning. De vlam flikkerde toen hij passeerde waardoor deze bizarre schaduwen op de muren liet dansen. Het geluid van ketsend metaal klonk onverwacht hard toen hij de ijzeren staaf terug aan zijn haak hing en het geluid galmde na in het donkere huis. Met de blaker ging hij de trap op. Het was nu stil boven, op het zachte koeren van enkele duiven na. Bovenaan was hij bijna naar links gestapt als hij niet had bedacht dat zijn nieuwe slaapkamer zich aan de rechterzijde bevond. In de kamer brandde de open haard nog, maar zijn vrouw bewoog niet toen hij binnenkwam. Terwijl hij zich uitkleedde bedacht Ferdinand hoeveel genot de haard hen schenken zou de komende winter. Voorzichtig vleide hij zich naast haar van geest beroofde lichaam en drukte een kus op haar voorhoofd waarna hij het kaarsje uitblies.

Als sinds de eerste rondleiding had de slaapkamer bij Adam angst opgewekt en nu werd het nog een tikkeltje akeliger door de kooi van schaduwen die de maneschijn op de kale muren toverde. De beuk die reeds vele maanden zijn bladeren had verloren, wierp zijn slecht gesponnen web op het plafond. Wat het precies was dat zijn angst veroorzaakte, wist Adam niet. Misschien waren het de gotische ramen met de gillende cherubijntjes bovenaan, opgejaagd door de demonen die uit de vensterbank naar boven kropen. Als morgen de bedienden arriveerden kon hij de paarse muren behangen met de vele landkaarten en enkele boeken die hij bezat. Nu waren het bed en de klerenkist de enige meubelstukken die de kamer een beetje opfleurden. Het bed kraakte terwijl hij onrustig het deken wat strakker om zijn lijf trok. Er klonk de roep van een uil die op de oude beuk neergestreken was en met zijn schaduw de deur bedekte. Enkele momenten luisterde Adam er aandachtig naar en hoorde hij de wind die zich door de tochtgaten van het huis joeg en onvermijdelijk kwamen daar de spookverhalen die zijn grootvader hem ooit verteld had. Het geroep van de uil werd de schreeuw van de reuzenalbatros, die aan zijn duikvlucht naar peuters begon om deze daarna door zijn jongen te laten oppeuzelen; het gehuil van de wind leek erg veel op de zware adem van de dode boer Antoon als deze, gewapend met een hooivork, de koppeltjes van zijn veld kwam spoken. Het gerammel en gepiep van de poort werd door de strakke noordenwind naar het kasteel gedragen.
Bij het horen van een rinkelend geluid schrok Adam op. Even keek hij naar de door de bedstijlen gedragen paardenhoofden om te zien of ook zij het gehoord hadden. Hij was er zeker van dat er ergens glas gebroken was en nu de stormwind de takken van de beuk tegen het raam liet tikken, bedacht hij dat het misschien een raam was. Besluiteloos bleef hij zitten tot de koelte zijn bovenlijf bereikte om dan aan zijn nieuwsgierigheid gehoor te geven. De haren van het tapijt kriebelden tussen zijn tenen. Hij trok een broek aan. Door het raam zag hij de uil op een tak zitten. De maan wierp een schaduw over het hartvormige gezicht van de kerkuil, wiens okerkleurige veren glommen als bladgoud. De kop draaide langzaam naar rechts en terwijl de zilverglinsterende bek zich wijd open sperde, stootte de uil een schrille kreet uit en vloog weg. In een tel was hij verdwenen, opgeslorpt door de duisternis. Doffe voetstappen op de overloop deden Adam opkijken. Snel stapte hij naar de deur. Aarzelend toen hij de deurknop in zijn hand voelde en terugdacht aan geest Antoon. Geruisloos opende de deur zich.

Gewekt door de kreet sperde Ferdinand zijn ogen open, en sloot ze even snel voor het felle maanlicht dat op het hemelbed viel. Het gefladder onder hun raam trok zijn aandacht. Roerloos en onwetend zweefde naast hem Josephine in een zee van inspiratie, daar waar ze rovers bestreed, mannen beminde, leven schonk en meer dan eens haar dood zou vinden. Door het tapijt gedempte voetstappen weerklonken vanuit de gang. Aandachtig luisterde hij naar het minste gekraak van de planken dat het wezen van een derde zou verraden. Weer hoorde hij iets; een lichte kreun van pijn op de overloop. Langzaam stond hij recht. Proberend om zo min mogelijk rumoer te maken, stapte hij naar de stoel en haalde uit de broeksriem een kromdolk waarvan het heft ingelegd was met robijnen. Als kind had hij die van zijn vader gekregen bij diens terugkeer uit Spanje. Gesterkt door het wapen drukte Ferdinand zijn oor tegen de deur. Toen hij niets hoorde, opende hij zachtjes de deur en stak zijn hoofd in de gang. De schemering die het maanlicht schonk volstond net om de magere man op de trap te onderscheiden. Voorzichtig stapte Ferdinand de gang op. Met grotere passen stappend wanneer de vijand zich verzette, geraakte hij al gauw op vier meter van de man. Dicht genoeg om toe te slaan zonder dat de ander een kans op verweer kreeg. Hoog hief hij de dolk en bad in stilte tot God.

Al een hele tijd had Adam het gevoel bekeken te worden en nu er een fluistering klonk draaide hij zich om. Geschrokken door het verwrongen gezicht van zijn vader en de blik van woede die in een plotseling ongeloof omsloeg, verloor Adam zijn evenwicht en indien hij zich niet op het allerlaatste moment had kunnen vastgrijpen aan de leuning zou de val van de marmeren treden hem waarschijnlijk fataal geworden zijn. De dolk kletterde tegen een trede en met slagen die in de hal weergalmden buitelde hij van de trap.
Enkele seconden staarden ze elkaar aan. Boven de huilende wind klonk de pendule die hun leven weg tikte. De confrontatie met zijn half aangeklede zoon had de man met verstomming geslagen. Een tel later had hij de dolk tussen de schouderbladen van de jongen gejaagd. De magere borstkas met de korte haren bewoog onrustig op en neer. Er was geen bloed. Lijkbleek was de jongen die hem angstig aankeek. Schitterend in het maanlicht lag het wapen op de vloer.
”Maak dat je in je bed ligt,” zei Ferdinand terwijl hij naar het ronde raam boven de voordeur keek. Zonder dat raam en de schemering, hij verdrong de gedachte.
”Ik dacht…”
”Ga slapen!” onderbrak hij de aarzelende verklaring. Adam boog het hoofd en wandelde hem geruisloos voorbij. Ferdinand wou de ogen van zijn zoon niet zien. Zeker vijf minuten bleef hij daar staan, terwijl hij hoorde hoe de jongen zijn kamerdeur sloot en de poort zijn aldoor durende klaagzang voortzette.

Met geen woord werd er de volgende morgen gerept over wat er die nacht gebeurd was en hoezeer Adam ook zocht, nergens vond hij een spoor van gebroken glas. Het was een rustige dag geweest maar toen het schamele avondmaal op tafel stond, werd er zwijgzaam gegeten; ieder wist dat er iets fout zat.
”Waar blijven ze toch?” zei Josephine terwijl ze zenuwachtig voor het keukenraam stond. ’Ze’ waren de drie bedienden en de keukenmeid die normaal bij het ochtendkrieken hadden moeten arriveren met de rest van de bagage en de proviand. Nu was de avond al een poos gevallen en nog steeds was er niets te zien van hun huishouding. Het gezin Musorfsky had zo goed als de hele dag binnenshuis doorgebracht behalve Helena; zij had met haar pop buiten gespeeld. Tegen de avond was ze smerig binnengekomen en sindsdien liep ze in haar nachtjapon. Aan tafel gezeten had Helena haar pop naast haar geplaatst en speelde ze alsof ze haar eten gaf. Zij had er blijkbaar geen erg in dat de maaltijd enkel uit kapot gekookte aardappelen en aangebakken varkensvlees bestond – het was jaren geleden dat Josephine nog gekookt had –, maar aan het gezicht van Ferdinand was af te lezen dat het hem helemaal niet aanstond. Hij legde het bestek op zijn bord en stapte naar zijn vrouw. Vluchtig fluisterde hij enkele woorden in haar oor waarna zij een twijfelende blik op haar zoon wierp. Ferdinand ging terug naar zijn plaats en schonk zichzelf nog een glas rode wijn in.
”Adam, morgen ga ik met je moeder naar Wout in Wamerschot, ik wil dat je ondertussen op je zuster past, begrepen?” Adam legde het bestek op de rand van zijn bord en veegde zijn mond proper aan het roze servet waar nog wat vegen van de morgen en de middag op zaten.
”Denkt u dat hij weet waarom onze bedienden zoveel vertraging hebben?”
”Misschien, en anders hoop ik daar een telegram te kunnen verzenden naar oom August om te controleren of er iets fout gelopen is bij het vertrek. We vertrekken morgen bij zonsopgang, we zullen de tafel gedekt laten. Met het beetje dat we nog hebben natuurlijk,” voegde Ferdinand er zacht aan toe.
”Wanneer komen jullie terug thuis, papa?” vroeg Helena. Het kind had het gesprek aandachtig gevolgd, maar begreep niet waar ze zich zorgen over maakten. Zij wachtte enkel op de komst van haar poppen en Anita, de keukenmeid die altijd een extra koekje voor haar opzij hield.
”Ik denk wel dat we tegen de avond terug zullen zijn.”
”En dan eten we iets lekkers, hé?” Snel liep ze naar haar vader, de pop aan een arm vasthoudend zodat hij vrolijk dartelde bij haar passen. Josephine leek de woorden van de kleine niet gehoord te hebben.
”Ja, dan eten we iets lekkers,” zei hij en ging met zijn ruwe hand door haar lange lokken. ”Ga nu maar slapen.” Na de kus op haar voorhoofd en een tikje tegen haar achterste, rende ze de kamer door naar de hal. ”Jij ook Adam, en geen nare dromen meer.” De jongen glimlachte even. Snel dronk hij het glas water leeg en volgde zijn zusje naar boven. Met een zucht schoof Ferdinand het bord opzij. Als ze zelf met de koets naar hier waren gekomen, in plaats van met Goidens vanuit Lovan mee te rijden naar Bramden, zou hij morgen in een wip terug zijn. Nu echter, omdat de koets nodig was om de laatste meubels te brengen, keken ze aan tegen een voettocht van bijna veertig kilometer – tenzij ze alsnog een hoeve tegenkwamen onderweg, maar daar twijfelde hij sterk aan daar de zandgronden van Bramden amper vruchtbaar waren. Toen zijn vrouw iets later naar bed ging, bleef hij zitten, zo nu en dan eens van zijn wijn nippend. Nog altijd diep nadenkend over wat er gebeurd kon zijn op zijn landhuis en over de vorige nacht. Tegen middernacht herhaalde hij de procedure van de vorige avond en ging slapen.

Die nacht sliep Adam slecht. Eerst uren onrustig liggen woelen bij het zoeken naar het juiste plekje om in te dommelen, om dan later wakker te worden, badend in het angstzweet. Hij was wakker geschrokken, net geen schreeuw uitroepend. De frisse lucht die zijn rug aaide, toverde kippenvel op zijn armen. Het deken was op de grond gevallen.
Nu lag hij stil in het licht van de ochtendschemering, wachtend op het opkomen van de zon en het antwoord op wat hem gewekt had. Hoezeer hij ook poogde, Adam slaagde er niet in de droom boven te halen. Eerst had hij gedacht dat iets hem gewekt had en meende hij ook iets in zijn kamer gezien te hebben, maar zodra hij overeind had gezeten was er enkel de lege kamer geweest. Met het deken over zich heen getrokken keek hij door het raam naar de duistere wolken die voorbij dreven. Plotseling klonk er het geluid van piepende scharnieren, het begin van de klaagzang, en hij besefte dat het zijn ouders moesten zijn. Vlug kleedde hij zich aan en rende naar beneden waar hij merkte dat het huis leeg was en de tafel gedekt. De open haard brandde reeds en de eerste kilte was verbroken, maar verder bleef het akelig stil. Dat was nooit een probleem geweest op hun landhuis, daar waren ’s morgens de bediendes al hevig in de weer, was het niet met het eten, dan was het wel met het verzorgen van de dieren. Langzaam stapte hij terug naar boven om zich fatsoenlijk aan te kleden. Piekerend over de vraag of zijn vader niet had gezegd dat ze bij zonsopgang zouden vertrekken, trok hij zijn kousen en schoenen aan en bij gebrek aan een spiegel keurde hij zichzelf in de reflectie van het raam waarboven de cherubijntjes lachten om zijn verschijning. Net legde hij zijn kraag fatsoenlijk of iemand bewoog achter de weerspiegeling van zijn arm. Voor Adam met de ogen kon knipperen, verdween de kleine gestalte achter een struik. Zo snel hij kon liep hij naar beneden langs de slaapkamers van de bedienden en door de keuken naar de achterdeur. Het was kil buiten en het gras nat door de ochtenddauw. Even bleef hij staan, peinzend om op zijn stappen terug te keren en een wapen te halen, maar de tijd die hij hierdoor verliezen zou en de trots van zijn vader deed hem anders beslissen. Met volle moed en meer vertrouwen stapte hij naar de plaats waar de gedaante verdwenen was. Angstzweet bevochtigde voor de tweede keer die dag zijn handpalmen toen hij de struiken naderde. Al waren ze nauwelijks een meter hoog, ze stonden zo dicht op elkaar dat zelfs een struise kerel zich erachter kon verbergen, om van daaruit naar de bomen en uiteindelijk naar de muur rond het domein te sluipen. Doodstil was het, akelig bijna. Alsof alle vogels hun gezang staakten om de ontknoping te aanschouwen en dan hun lied verder zetten. Een tak brak.
”Adam,” klonk een jonge meisjesstem. Verdwaasd keek hij om zich heen. In het portaal van de achterdeur stond zijn zusje. Ze had enkel haar witte nachthemdje aan en toen hij zich omdraaide liep ze blootsvoets naar hem. Aan de kiezelsteentjes die soms gevaarlijk scherp konden zijn, scheen Helena zich niet te ergeren; ze lachte zelfs vrolijk toen de grassprietjes tussen haar tenen kriebelden. Nog eenmaal keek hij rond om er zeker van te zijn dat er niemand aanwezig was. Zenuwachtig gaf zijn zusje een rukje aan zijn hemd.
”Wat zoek je?” Zonder op antwoord te wachten zocht ze mee met haar grote broer.
”Niets,” zei hij en zag dat ze een andere pop in haar hand had.
”Oh,” ze klonk niet overtuigd, ”waar zijn mama en papa?”
”Die zijn al vertrokken. Heb je het niet wat koud aan die voetjes?” Afwisselend wreef ze een voet droog aan haar kuiten en, zonder dat ze het zelf scheen te beseffen, krabde ze op gelijk tempo met het handje van haar pop aan haar bekken.
”Nee, nee wanneer komen ze terug? Ik wil papa mijn nieuwe pop tonen.” Nog steeds zocht ze naar wat haar broer gezocht had. Toen Adam zag dat ze rilde, zette hij haar op zijn arm. De ijskoude billetjes drukten op zijn huid.
”Is dit een nieuwe pop?” vroeg hij terwijl hij naar het huis stapte.
”Ja, vind je hem mooi?”
”Euh…” Tevoren wist hij niet zeker wat eraan scheelde, maar met die vraag sloeg ze de spijker op zijn kop: mooi? Adam bekeek het sneeuwwitte gezichtje met de veel te roze wangen en bijna zwarte lippen, het haar met de rode strik viel tot op het doffe met tulpen en vlekken versierde kleedje. Waar eens het tweede groene oog had gezeten, gaapte nu een donker gat. Ooit was de porseleinen pop misschien mooi geweest, nu kon hij moeilijk de vergelijking doorstaan met de houten poppen van Helena. ”Ja, ik vind hem mooi. Bijna zo mooi als je andere poppen.” Hij hoopte dat het voldoende was.
”Ik vind hem veel mooier dan al die andere,” zei ze alsof hij haar beledigd had. Ze sprong uit zijn armen en rende door de keuken naar de eetkamer, hier en daar een grassprietje achterlatend. Langzaam volgde hij haar. Toen hij de eetkamer binnenkwam, zat ze al aan tafel, ongeduldig te wachten tot haar broer haar een snee brood zou afsnijden. Op de stoel naast haar zat de pop. De tafel was een beetje rommelig, kennelijk snel gezet, helemaal niet zoals ze thuis gewoon waren. Voor hen beiden schonk hij een kop melk in en sneed hij een stuk van het brood dat hij vervolgens besmeerde met boter om samen met een brok kaas aan Helena te geven.

Misschien vind je dit ook leuk :

Cover: Zomernacht Verhalen

Rob Gonera

De moordenaar van Rietkerk

review:
*verplichte velden