Cover: Australië, droom of nachtmerrie

Australië, droom of nachtmerrie


EUR 20,90

Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 338
ISBN: 978-3-99146-826-4
Publicatie datum: 25.11.2024
Jennifer is 16 jaar als ze besluit naar Australië te emigreren. Daar trekt ze zich het lot van de Aboriginals aan. Als er een burgeroorlog uitbreekt, ontpopt ze zich als een geboren leider. Samen met haar groep verzetsstrijders zet ze zich in voor haar stam.
Inleiding


Ik ben 16 jaar en ik ga emigreren. Mijn naam is Jennifer. Ik ga emigreren op 24 november, naar het land van mijn dromen. Het land van koala’s en de Aboriginals. Ik ben er nog nooit geweest en ken het land eigenlijk alleen van de soaps op televisie en uit de boeken van de bibliotheek. Toch voel ik dat daar mijn toekomst ligt. Ook al is het nu alleen nog maar een droom, een toekomst die me slapeloze nachten bezorgt. Maar nu lig ik ook wakker, in het huis waarin ik geboren en getogen ben. De geluiden die ik al mijn leven lang ken, maar die me nooit echt vertrouwd zijn geworden. Ze jagen me angst aan, ook nu nog terwijl ik toch geen klein meisje meer ben en mijn besluit heb genomen. Maar toch… Ook al is het een droom, een toekomst die me slapeloze nachten bezorgt. Nachten waarin ik wakker lig en luister naar de geluiden in huis. Een huis waarin ik geboren ben met geluiden die ik al mijn leven lang ken, maar ook geluiden die me nooit echt vertrouwd zijn gaan voelen. Geluiden die me angst aanjagen, ook nu nog, nu ik geen klein meisje meer ben en mijn besluit heb genomen. Maar toch …

Ik weet dat afscheid nemen pijn kan doen en natuurlijk had ik liever willen blijven, maar ik houd het hier niet meer uit. Blijven zal nog veel meer pijn doen.
Ik ga emigreren, naar het land van mijn dromen. Het land van mijn dromen heet…

AUSTRALIË




Afscheid en de vliegreis


24 november 1988, de dag van vertrek

Buiten is het nog donker als ik misselijk en rillend van het zweet wakker word. Snel stap ik mijn bed uit en loop ik op mijn blote voeten naar de badkamer waar ik me voor de wc op de harde, koude vloer laat zakken. Ik kreun zachtjes, nu ook duizelig, maar de wc blijft leeg. Net als ik overeind wil komen, hoor ik hoe mijn moeder aan de deur voelt. Als in een routine heb ik de deur achter me op slot gedraaid, maar toch vertrouw ik er niet helemaal op dat ze niet binnen zal komen. Die gesloten deur heeft haar eerder ook vaak genoeg niet tegen kunnen houden. Ze vraagt of het wel goed gaat en hoewel ze het tegendeel zou kunnen horen, beaam ik dat er niks aan de hand is. In gedachte voeg ik er aan toe dat ze terug naar bed kan gaan, omdat ik me hier wel red, maar een nieuwe golf van misselijkheid weerhoudt me ervan het ook hardop uit te spreken. Met mijn armen steunend op de wc-bril en mijn voorhoofd op mijn armen, smeek ik haar in stilte me met rust te laten, maar zij lijkt geen aanstalten te maken om weg te gaan, eerder om een schroevendraaier te halen om zichzelf toegang tot de badkamer te verschaffen. Als ik haar dan ook de trap af hoor gaan, kruip ik zo rustig en stil mogelijk naar de douche om deze aan te zetten. Hopelijk overtuigt het geluid van het stromende water haar voldoende dat alles goed gaat, al durf ik nu zelf niet echt onder de douche te gaan, niet met die zwarte vlekken voor mijn ogen. Ik blijf nog even naast de stromende douche zitten en luister naar de geluiden in het nog stille huis. Vaag hoor ik het mauwen van de katten – Ashley en Rakker – en het rammelen van hun bakjes. Dan wordt het weer even stil in huis tot ik de voetstappen op de trap hoor. Dertien treden. Mijn moeder komt weer naar boven. Even houdt ze halt voor de badkamerdeur, maar dan hoor ik hoe ze doorloopt naar de slaapkamer en laat ik met een zucht de lucht uit mijn longen ontsnappen; ze is niet binnen gekomen. Ik ril als ik mijn hoofd onder de koude douche steek, maar stoom in de badkamer vertrouw ik nu helemaal niet met die duizeligheid. Ik snak naar adem, maar ben wel gelijk goed wakker en voel me een stuk beter. Ik draai de kraan dicht en kijk om me heen. Het is niet meer helemaal de badkamer als toen ik klein was, maar wel nog altijd in hetzelfde huis. In dit huis ben ik geboren, nu iets meer dan zestien jaar geleden. Zestien jaar heb ik hier nu gewoond en heel wat uren heb ik in dit huis doorgebracht, ook in de badkamer die lange tijd mijn toevluchtsoord is geweest, omdat ik alleen hier de deur zelf op slot kon draaien (al hield dat hen ook niet altijd tegen). Ik was hier thuis, al voelde het al langere tijd niet zo. Ik kijk om me heen en zucht. Ik herken het huis waar ik zestien jaar heb gewoond, maar het is niet meer hetzelfde. Het voelt niet langer vertrouwd, niet na die vijftiende november en niet sinds ik mijn besluit heb genomen om hier weg te gaan, voorgoed.

Ik kleed me aan en keer terug naar mijn kamer. Mijn kamer. De kamer waar ik destijds geboren ben en die sindsdien mijn kamer is gebleven. Hier is in de loop der tijd natuurlijk wel het één en ander veranderd naarmate de kamer van een babykamer via kinderkamer naar de huidige tienerkamer is getransformeerd. Het is mijn kamer, mede naar mijn eigen stijl ingericht, met mijn posters aan de muren. De kamer met mijn bed voor het raam en het bureau dat ooit van mijn opa is geweest tegen de muur, maar toch voelt het nu anders. Het is alsof ik een vreemde ben in mijn eigen kamer, in mijn eigen huis, misschien zelfs in mijn eigen lijf. Ik loop door de kamer terug naar mijn bed terwijl Ashley langs mijn benen strijkt. Ik heb nauwelijks gemerkt dat zij langs me heen naar binnen is geglipt, zelfs niet als haar staart kietelend langs mijn benen strijkt. Zij is me wel vertrouwd, zij wel. Ik til haar op als ik op het bed ga zitten, maar zij begint te spartelen en ik voel hoe ik haar moet laten gaan om zich even later spinnend op mijn buik op te rollen. Ik lig op mijn rug op mijn bed, starend naar het plafond. Ik luister naar de geluiden van buiten. Geluiden van een ontwakend dorp op een gewone donderdag in november. Vogels die druk kwetterend de eerste zonnestralen begroeten. Het schateren van een ekster, tegen de andere vogels of misschien tegen een kat die net iets te brutaal wordt. Een portier dat wordt dichtgeslagen. Iemand roept of dat ook zachter kan. Een moeder die haar kind naroept dat het zijn muts niet moet vergeten. Even glimlach ik als ik voor me zie hoe het kind zodra het uit zicht is niet weet hoe snel het die kriebelmuts af moet zetten. Dan stokt mijn adem bij de geluiden in huis. Mijn moeders voetstappen op de trap. Dertien treden, maar nu naar beneden, weg van mijn kamer. Even later hoor ik haar in de keuken onder mij en zie ik voor me hoe ze in de weer is met de theepot, het brood en de boter. Ik hoor de koelkast open en dicht gaan en het fluiten van de ketel op het fornuis.
Ik voel het warme lijfje van mijn kat verstrakken op mijn buik en trek net op tijd mijn hand terug als ze blazend naar me uithaalt. Ik probeer haar nog te sussen, maar ze springt al van het bed op de grond en loopt naar de deur. Voor mijn kamerdeur blijft ze zitten alsof ze aanvoelt dat het niet veilig is om mijn kamer te verlaten of om zelfs maar geluid te maken of aan de deur te krabben. Ik probeer me ondertussen te verstoppen en zo klein mogelijk te maken, maar ik ben op de dekens gaan liggen en niet eronder en daar is het nu te laat voor. Ik hoor een deur open gaan en houd mijn adem in, mijn ogen gesloten. Eindelijk hoor ik voetstappen wegsterven, dertien treden, de trap af naar beneden. Voorzichtig haal ik adem en kijk ik in de kamer om me heen. Ik ben zestien jaar en sta op het punt dit huis te verlaten. Weg van alles en iedereen, naar de andere kant van de wereld, daar waar niemand me nog kwaad zal kunnen doen. Ik ben zestien, geen acht meer, al voelde ik me weer even het kleine meisje van toen.

Als ik even later weer voetstappen op de trap hoor, dit keer naderend, dertien treden van beneden naar boven, zwaai ik mijn benen over de rand van het bed en kom ik overeind. Ik loop langzaam naar de deur, bijna sluipend. Ik kan de deur bijna voelen, de tocht strijkt langs de haartjes op mijn armen, maar toch raak ik de deur zelf niet aan. Ik kijk strak voor me naar de grond, gespannen afwachtend als een roofdier op wat komen gaat. Mijn kat Ashley kijkt met trillende snorharen naar mij op. Ik zie de deurknop omlaag gaan, maar ik wacht niet langer af tot de deur geopend wordt en mijn moeder de kamer binnenkomt. Ik trek de deur in één ruk open en duw haar opzij. Ik ren langs haar de trap af terwijl zij begint te gillen. Geschrokken of om de hete thee die uit het glas over haar armen en in haar gezicht spat. Een gil die zich mengt met geluiden van brekend glas en beschuit als ze haar evenwicht dreigt te verliezen en het blad uit haar handen laat vallen. En mengt met mijn en Ashleys snelle passen op de trap als ik naar beneden ren en de deur uit, de kat als een schaduw achter me aan. Het regent een beetje en ik ben zonder jas naar buiten gegaan, maar het kan me niet schelen. Ik laat mijn tranen de vrije loop zodat ze zich met de regen kunnen vermengen. Net als vroeger als het me te veel werd, maar ik geen zin had mijn tranen te drogen of te verbergen voor de buitenwereld. Ook nu werd het mij te veel, omdat ik weet dat ik niet langer kan blijven, maar ook omdat ik besef hoe het zo ver gekomen is en hoe anders het had kunnen zijn, als …

Ik loop door de verlaten straten van mijn geboortedorp. De kinderen zitten op school, de volwassenen op hun werk of thuis, schuilend voor de regen. Dit is misschien wel de laatste keer dat ik hier loop, maar ik voel geen heimwee of spijt bij die gedachte, hooguit heimwee naar wat had kunnen zijn. Ik loop langzaam verder, weg van thuis, zonder doel, zonder plan, alleen maar lopend naar een toekomst die niet langer hier in Nederland zal liggen. Af en toe sta ik stil en fluit ik, kijkend of Ashley me nog altijd volgt, maar zij laat mij niet alleen, zij niet.

Als ik na een flinke wandeling weer terug kom in het huis van mijn ouders, ben ik doorweekt maar verkwikt. Het lijkt of de regen mijn twijfels en zorgen heeft weggespoeld, misschien zelfs mijn verleden. Even verspert mijn moeder me de weg. Ze zegt iets tegen me, boos of bezorgd, maar haar woorden dringen amper tot me door. Ik kijk haar even aan, haast zonder haar te zien en passeer haar dan zonder een woord te zeggen om naar boven te gaan. In de badkamer neem ik een hete douche (nu wel) waarna ik droge kleren aantrek zonder de tijd te nemen me eerst af te drogen terwijl mijn kat, Ashley, me nog altijd als een schaduw achterna loopt of vanaf de wastafel toekijkt terwijl ik onder de douche sta, langzaam verdwijnend in de stoom en het beslagen douchescherm.

De hele dag heeft Ashley me als een hondje achterna gelopen, maar nu het bijna tijd is om haar in de reismand te stoppen, is ze nergens te bekennen. Mijn moeder loopt nu wel achter me aan sinds ik terug ben, maar haar heb ik niks meer te vertellen. Zij mij des te meer lijkt het. Ze maakt zich zorgen over alles, maar daardoor maakt ze het zichzelf alleen maar moeilijker. Ik vlucht de trap weer op naar boven. Er is nu geen tijd meer om naar buiten te gaan, maar hopelijk laat ze me in mijn kamer even met rust. Mijn vader roept me of ik kom helpen de auto in te laden, het is bijna tijd om te gaan. Mijn moeder reageert gelijk met me voor de zoveelste keer te vragen of dit echt nodig is, maar ze weet zelf toch ook wel dat ik nu niet meer terug kan? Gelukkig zie ik op dat moment Ashley, ze heeft zich verstopt onder mijn bed. Net als ik haar wil pakken en in het mandje wil zetten, komt mijn moeder mijn kamer binnen. Ik gil dat ze de deur dicht moet laten, maar het is al te laat. Gelukkig krijg ik Ashley op de gang al weer te pakken, maar het komt me wel op een flinke haal te staan, kan er ook nog wel bij. Ik neem het haar niet kwalijk, zij kan er ook niks aan doen dat we elkaar hier allemaal op de zenuwen jagen. Hopelijk is dat na vandaag over, ik zal er in elk geval geen last meer van hebben, veilig aan de andere kant van de wereld. Ik breng de kattenmand gelijk naar de auto waar mijn vader al op me staat te wachten. Hij laadt de auto in (volgens zijn eigen strakke schema) terwijl ik mijn andere spullen haal en dan kan de reis eindelijk beginnen. De reis van mijn leven naar het land van mijn dromen, hopelijk is het dat wat het me biedt.

We gaan alleen het eerste stukje van de reis met de auto. Mijn moeder heeft geen zin om helemaal naar Schiphol te rijden en de auto daar te parkeren, dus staat ze erop dat we verder reizen met de trein. We komen gelukkig ruim op tijd op het station aan, want ik begin inmiddels behoorlijk zenuwachtig te worden, al is dat vooral door mijn moeder en niet zozeer door de reis zelf. Mijn moeder loopt me echter nog steeds achterna en probeert me tegen te houden als ik probeer een eindje bij hen vandaan te gaan om even rustig op de trein te kunnen wachten. Ze begint steeds harder te praten en smeekt me haar nog een kans te geven en hier bij haar te blijven. Ik kijk gespannen om me heen, maar het is rustig op het perron en de mensen die er zijn, hebben het te druk met hun eigen zaken om op ons te letten. Als de trein eindelijk met luid geknars het perron binnenrijdt, ren ik snel naar de dichtstbijzijnde deur. Ik stap met een luid mauwende kat de trein in zodra de deuren open gaan, maar word ruw teruggetrokken naar buiten, ik moet eerst de mensen laten uitstappen voor ik zelf naar binnen ga. Kwaad ruk ik mijn arm los, maar ik blijf wel op het perron staan tot de mensenstroom naar buiten eindelijk afneemt en de eerste passagiers al instappen. Mensen die zelf ook haast hebben of niet het geduld of beleefdheid om eerst ruimte te maken zodat anderen uit kunnen stappen. In de trein staat mijn vader al met mijn koffer bij de trap naar beneden te wachten, maar ik schud mijn hoofd en ren de trap op naar boven. Er zijn nog precies vier plaatsen vrij en ik zet snel de kattenmand op één van de banken en gooi mijn rugzak in het rek boven het raam. Mijn vader komt zuchtend binnen met mijn koffer, mijn moeder, nog altijd luid pratend, er achteraan met haar eigen tasje en de tas voor Ashleys voer en zo. Ik knik naar het bordje boven de deur, maar ze lijkt het niet te zien of trekt zich er niks van aan. Even leg ik nu ook smekend mijn vinger op mijn lippen, maar ze blijft maar doorpraten. Als ik zie dat steeds meer mensen naar ons kijken en zich ergeren aan haar luide stem in de stiltecoupe, stoot ik haar aan. Zij kijkt verbaasd op en vraagt wat er is, maar voor ik haar kan antwoorden, krimp ik als in een reflex in elkaar, wegkruipend op de hoek van de bank. Ik kijk door het raam naar buiten of naar de weerspiegeling in het glas en zie hoe mijn vader zijn hand langzaam laat zakken. De verdere treinreis kijk ik naar buiten. De metalige smaak van bloed in mijn mond. Een bekende en bijna vertrouwde smaak, net zoals het Hollandse landschap waar de trein ons doorheen brengt me vertrouwd is. Ik durf mijn ouders geen van beiden nog aan te kijken. Ook niet als mijn moeder haar hand zachtjes op mijn arm legt. Ik weer haar hand voorzichtig af. Ik heb geen zin in haar en hoef haar excuses niet zo nodig te horen, maar nog minder in mijn vaders kwade blik als ik haar te vijandig af zou wijzen. Niet dat ik verwacht dat hij me hier echt iets zal doen, niet zo in het openbaar waar anderen het zouden kunnen zien en er iets van zouden kunnen vinden of zeggen. Toch hoop ik dat deze reis maar snel voorbij mag zijn en we zonder verdere problemen op Schiphol aan zullen komen. Van daar zal ik alleen reizen, een vooruitzicht dat me nu al heerlijk rustig lijkt.

Tegen de tijd dat we op Schiphol aankomen, voel ik me alsof ik bij een concert vandaan kom. Een druk concert, maar niet zo goed, meer een muziekloze dreun die doordendert in mijn hoofd. Even sluit ik mijn ogen en laat ik me door de mensenmassa meevoeren naar de uitgang van het station tot het mauwen van Ashley me terugbrengt in de realiteit. Ik zal moeten kijken waar ik heen moet en het vooral voor haar zo prettig mogelijk moeten houden in plaats van me enkel mee te laten voeren, waarbij andere mensen – vreemden – tegen haar mandje botsen. Ik zet haar mand voorzichtig op de bagagekar die mijn vader inmiddels gepakt heeft en leunend op de duwstang vervolg ik mijn weg door de drukte van de luchthaven naar de vertrekhal. De geuren van koffie en patat vermengen zich met die van parfum, zweet en vis, maar ik negeer de geuren. Ik wil hier alleen maar weg. Ver weg van de geuren die me misselijk maken en waar zelfs Ashley onrustig van wordt. Mijn moeder vraagt of ik niet toch nog even koffie met hen wil drinken, maar het lijkt alsof haar stem mij niet meer bereikt. In gedachte ben ik al weg, ver boven ons in de lucht. Ik moet even iets wegslikken als ik de mand van Ashley samen met mijn andere bagage op de band zet, maar loop snel door naar de incheckbalie, mijn papieren al in de hand en enkel mijn rugzak op mijn rug. Ik voel mijn vaders ogen op mijn rug, mijn moeders tranen prikken achter mijn oogleden, maar ik kijk niet meer om. Zij hoeven mijn tranen niet te zien. Pas als ik door de douane ben, uit het zicht voor wie in Nederland achterblijft, laat ik mijn tranen de vrije loop, mijn hoofd gebogen, de handen steunend op mijn benen. Ik haal een paar keer diep adem waarbij ik helpende handen van een vreemde afweer en loop verder naar de wachtruimte om me daar verder af te zonderen tot het tijd is om te boarden. Ook hier de geur van koffie en patat, maar ik voel me nog steeds misselijk en zal waarschijnlijk geen hap door mijn keel krijgen.

Eindelijk gaat de deur achter de incheckbalie open. Ik sta op en loop langzaam naar de deur. Ik blijf een beetje achteraan om maar niemand voor de voeten te lopen en loop met de andere passagiers de lange gang in, zorgvuldig mijn passen afmetend om precies midden op de volgende tree van het rollend trottoir uit te komen. Helemaal met mijn rug tegen de leuning blijf ik staan. Nu gaat de reis echt beginnen.




De vlucht


Ik schrik op als er een hand op mijn arm wordt gelegd. Verward kijk ik op in de blauwgrijze ogen van een jonge man die half over me heen gebogen staat. Hij lacht naar me en stelt zich voor als Edgar en vraagt of hij naast me mag komen zitten. Ik antwoord met mijn naam en haal mijn schouders op. Hij zit al praktisch naast me. Ik weet niet of het komt door zijn accent of door de vraag zelf, maar zijn woorden lijken niet echt door te dringen. Hij volgt mijn zoekende blik en knikt dan naar de oudere dame die bij het instappen nog op de plaats naast mij zat, de plaats waar hij nu zit. Hij legt uit dat de dame liever in het midden van het vliegtuig wou zitten en zodoende met hem geruild heeft. Plotseling voel ik hoe hij mijn gezicht bij mijn kin vastpakt en naar het zijne toedraait. Hij zegt me, bijna fluisterend zodat alleen ik het kan horen, dat ik veels te mooi ben om helemaal alleen te reizen. Ik voel het bloed naar mijn wangen stromen en probeer mijn blik neer te slaan, maar hij houdt me tegen en voor ik goed besef wat hij voorstelt, stem ik in met een lift vanaf het vliegveld van Melbourne, deels geholpen door zijn hand onder mijn kin die me laat knikken op zijn vraag. Ik verstijf als ik zijn arm om mijn nek voel en hij mij naar zich toetrekt, zijn lippen stevig op de mijne. Ik probeer hem weg te duwen, maar heb er de kracht niet meer voor. Misselijk van de geur van nicotine, alcohol en nog iets anders dat ik niet direct thuis kan brengen, probeer ik op te staan en langs hem bij het gangpad te komen. Even houdt hij me tegen, maar als ik hem kreunend smeek om me er door te laten, helpt hij me met mijn gordel en naar het gangpad waar ik snel naar de wc’s strompel, de waarschuwingslampjes boven de gangpaden negerend. Bij de wc laat ik me op de grond zakken.

Pas als ik een stem buiten de toiletdeur hoor vragen of alles goed gaat, kom ik overeind. Koud water over mijn handen en gezicht laten me weer een beetje bijkomen, voldoende om de deur te openen en terug te keren naar mijn plaats. Edgar kijkt me even meewarig aan, maar staat dan op om me er langs te laten.
...
4 Sterren
Sterke dame - 07.07.2025
Lie

Na een ingrijpende gebeurtenis thuis besluit Jennifer op 16-jarige leeftijd te emigreren naar haar droomland, Australië. Terwijl ze er in een ziekenhuis werkt, neemt ze de zorg op zich voor een ongewenst meisje. Dit leidt tot een bijzondere vriendschap met de Aboriginal-stam van het kind, waardoor ze hun vertrouwen weet te winnen.Wanneer er een burgeroorlog uitbreekt, wordt Jennifer een essentiële speler in de strijd. Ze blijft loyaal aan de stam en sluit zich aan bij een verzetsgroep om hen te beschermen. Zo transformeert ze van een aanvankelijk onzeker meisje in een zelfverzekerde jonge vrouw die vastberaden opkomt voor rechtvaardigheid, waarbij haar leiderschapskwaliteiten naar voren komen.Na de beëindiging van de burgeroorlog keert de rust langzaam terug in het gebied, maar de littekens van het verleden blijven zichtbaar. Jennifer, nu een krachtige en gerespecteerde leider binnen de stam, voelt de druk om haar beloftes na te komen. Met de steun van haar nieuwe vrienden en familie begint ze aan de opbouw van een betere toekomst voor de stam. Echter, de angst voor wraakgevoelens verspreidt zich; sommige stamleden willen wraak nemen op de vijanden die hen zoveel leed hebben aangedaan. Jennifer probeert hen te overtuigen dat geweld niet de oplossing is, maar beseft dat niet iedereen haar visie deelt. Haar morele kompas wordt zwaar op de proef gesteld wanneer een oude vijand terugkeert, vastbesloten om de strijd opnieuw aan te gaan.In haar zoektocht naar antwoorden ontdekt Jennifer dat de ware vijand niet alleen externe bedreigingen zijn, maar ook de interne conflicten binnen de stam. Ze moet vechten tegen zowel de vijanden van buitenaf als de verdeeldheid van binnenuit. Terwijl ze haar leiderschap verder ontwikkelt, leert ze dat verzoening en begrip wellicht de enige weg vooruit zijn. Met elke stap die ze zet, groeit haar vastberadenheid om een inclusieve en rechtvaardige samenleving op te bouwen. Maar kan ze de twijfels en angsten van haar mensen overwinnen voordat het te laat is? De strijd voor de toekomst van de stam is nog niet voorbij, en Jennifer staat aan het begin van een nieuwe en uitdagende fase in haar leven, waarin ze niet alleen voor zichzelf, maar voor iedereen moet opkomen."Australië, droom of nachtmerrie" door Jennifer Young is een absolute aanrader.

Misschien vind je dit ook leuk :

Cover: Australië, droom of nachtmerrie

Rob Gonera

De moordenaar van Rietkerk

review:
*verplichte velden