Geschiedenis & biografie

Mijn Samurai

Paula Kobayashi-van Luit

Mijn Samurai

Uittreksel:


MIJN SAMURAI

Oostenwind en Westenwind
We ontmoeten elkaar in het hart.
Jij leerde mij het groepsdenken.
De geschreven regels te volgen.
BUDO te begrijpen.
Samen over een onderwerp
anders te denken.
Ik leerde jou de vrije normen en waarden.
Het begrip regels te analyseren.
Een eigen mening te hebben.
Het vrije Westen en de discipline van het Oosten
smelten in ons leven.
Veel woorden hebben wij gesproken.
Veel energie hebben wij gestoken.
In ons leven met Oostenwind en Westenwind
met stormen en zonneschijn.
Zelfs nu je er niet meer bent.
In de hemel mij toelacht.
Ervaar ik nog de kracht van
Oostenwind en Westenwind.




Dit verhaal heb ik geschreven over ons leven, het leven met mijn man Shihan Akio Kobayashi. Hij is geboren op 23 oktober 1949 en overleden op 10 oktober 2012. In 1974 kwam hij voor het eerst naar Nederland. Op 23 juni 1978 zijn wij in het huwelijk getreden. Wij waren 38 jaar samen waarvan 34 jaar getrouwd. Wij hebben twee dochters gekregen, Diana en Yumiko. Zij trainden ook intensief Karatedo met hun vader. Ons gezin was een echte karatefamilie.
Onze relatie met elkaar was oost en west, donker en licht, yin en yang. Het is voor mij heel bijzonder om een lange tijd tussen twee culturen geleefd te hebben namelijk het vrije westen en het gedisciplineerde oosten.
Japan blijft mijn tweede vaderland. Ik leerde de cultuur beetje voor beetje te begrijpen. Mijn liefde voor deze cultuur is groot en diepgeworteld in mijn hart.
Ook mijn studie over de BUDO-theorie is altijd doorgegaan. Ik heb veel geleerd in Japan over de trainingswijze en de mentaliteit van een echte BUDOKA. Dat was niet alleen maar fysiek trainen maar vooral ook mentaal de lessen goed volgen. Een BUDO-Karateka kent heel strakke regels, goede manieren, accepteert de hiërarchie en volgt zijn leraar zonder tegenspraak. Op iedere aanwijzing of opmerking zeg je OSU; dat is heel belangrijk voor een BUDO-karateka. "Ja, maar ik denk...” zeggen, is heel ongepast en ongebruikelijk voor de BUDOKA, vooral in Japan. Iedere Karateka werkt hard, traint hard en luistert heel intens naar zijn Karate Sensei en de hogere banden die Senpei zijn. (Sensei is leraar in het Japans en Senpei is assistent van de leraar. Shihan betekent grootmeester.)
In 1971 kwam ik in aanraking met Karatedo Genwakai. Ik kreeg privéles van een bijzondere Indonesische man. Ik was 14 jaar oud en kreeg intensief karateles van Ernst Doelitzch. Hij was Shodan (1ste dan) Karatedo. Iedere week trainde ik intensief met hem de basistechnieken. Dankzij hem ben ik Karatedo Genwakai gaan trainen. Ik wilde eigenlijk met mijn vrouwelijke judopartner trainen voor zwarte band, Shodan niveau. Ik trainde met haar NAGE NO KATA , dat is een examenopdracht voor eerste dan judo bij Sportschool Nauwelaerts d'Agé waar ik destijds trainde. Helaas stopte mijn judopartner met judo dus moest ik later met de heren meetrainen want er was geen andere groep. Op mijn jonge leeftijd van 14 jaar gaf ik al judoles aan kinderen. Ik werd ook gevraagd om zwemles in het instructiebadje van de sportschool te geven.
Tijdens de judolessen gaf ik veel les in val breken. Zo demonstreerde ik altijd een judorol over vijf kinderen die op hun knieën zaten. Ook maakte ik een spelletje van de moeilijke basisbewegingen van judo en dat vonden de kinderen heel erg leuk. Ik had toen al een judogroep met 30 kinderen waar ik les aan gaf. Mijn judoleraar Robert Breuker was zeer tevreden over mijn methodiek van lesgeven. Ik mocht de administratie van de sportschool doen en ik kwam regelmatig thuis bij hen om op te passen op zijn twee lieve kleine kinderen, Robert en Nicole. Ik kon het ook goed vinden met zijn vrouw Ria. Ik had een sportieve jeugd, ik ging trouw naar de middelbare school en ik volgde veel judo-, karatedo- en jazzballet les.
Ik begon mijn karatetraining bij Sensei Masuko die eigenlijk nog één maand in Nederland zou blijven voordat hij vertrok naar Canada. Sensei Takahashi en Sensei Okada namen in 1972 de lessen over. Ik trainde iedere week met plezier alhoewel zij heel Westers lesgaven. Zonder de discipline zoals ik had van Sensei Akio Kobayashi en samen met hem ook meemaakte in Japan.
Na een paar jaar ging Sensei Okada terug naar Japan toe en Sensei Takahashi stopte met lesgeven in de karatestijl Genwakai. Hij had een nieuwe stijl ontwikkeld. Toen kwam een andere Japanse leraar Sensei Yukio Hiraiwa over uit Japan en hij nam de Genwakai lessen over. Sensei Hiraiwa stopte met het lesgeven in de sportscholen en ging zijn eigen dojo's maken in gymnastieklokalen in Haarlem en Amsterdam. Veel Karateka's volgden Sensei Takahashi die in Diemen zijn eigen dojo met zijn eigen stijl maakte. Ik bleef bij Nippon Karatedo Genwakai. In februari 1974 kwam Sensei Akio Kobayashi ook naar Nederland toe als assistent van Sensei Yukio Hiraiwa. In april 1982 ging Shihan Hiraiwa terug naar Japan; hij was toen al heel wat jaren Shihan (grootmeester) in Nederland. Sensei Akio Kobayashi nam de organisatie over en bouwde die uit tot een sterke groep met veel goede dojo's. Hij promoveerde tot Shihan en werd 7de dan Karatedo Genwakai.


In het begin in 1975 hadden Akio en ik een vriendschappelijke relatie, ik trainde vaak met hem buiten de dojo in het sportpark in Haarlem Noord en op het strand. Karate was onze passie en onze vriendschap begon door met elkaar intensief te trainen. Pas veel later kregen wij verkering. Ik kan mij nog heel goed herinneren dat Akio voor het eerst bij mij thuis kwam. Mijn vader en moeder vonden het in het begin moeilijk dat ik een buitenlandse vriend had. Bij mij thuis kwam er een klik tussen mijn vader en Akio. Mijn vader vertelde waarom hij veel kanarievogels in zijn voliere had. Hij zei: "I fok birds!” Mijn broer en ik moesten toen heel hard lachen. Akio kwam graag bij ons thuis en leerde de gewoonten van een Nederlands gezin. Mijn vader at graag rijst met melk, boter, suiker en kaneel als nagerecht. Akio had dit nog nooit gezien, hij was gewend rijst als hoofdgerecht te eten. Het eten van stamppotten en vooral zuurkool was een echte verandering voor hem. Dat mijn broer moest helpen met de afwas en het afruimen van de tafel vond hij in eerste instantie heel vreemd. Hij had in Japan nog nooit mannen zien afwassen in de keuken, dat was volgens hem een vrouwentaak. Toch hielp hij mee, want mijn broer waste ook af. Het kennismaken met een Nederlands gezin was voor hem in het begin best een cultuurschok.

Na mijn secretaresseopleiding had ik een baan gekregen bij Fokker VFW. Het was mijn eerste sollicitatie en ik was meteen aangenomen. Ik werkte op een aparte afdeling van Fokker met militaire radarsystemen om hoog- en laagvliegende vliegtuigen uit de lucht te halen. Ik kreeg ook een C-screening van de NATO. Vanwege deze screening mocht ik nooit naar Rusland of het Oostblok gaan. Dat maakte het ingewikkeld, want Aeroflot uit Rusland had de goedkoopste tickets om naar Japan te gaan. Ik had een gesprek met de militaire afdeling van de luchtmacht en zij verboden mij om via Rusland naar Japan te gaan. De mogelijkheid bestond dan dat ik zou terugkomen als spion waardoor ik niet meer betrouwbaar zou zijn voor mijn secretaressebaan bij Fokker.


Ik kan mij nog herinneren dat er een grote staking was bij Fokker VFW. Wim Kok was de leider van de vakbond het FNV. Hij wilde dat niemand aan het werk ging bij Fokker. Ik kwam samen met mijn leidinggevende bij het hek en Wim Kok hield ons tegen. "Nee, niemand mag naar het werk gaan." Hij hield mij ook tegen en zei: "Nee, mooie dame, jij mag niet naar binnen, anders doe je besmet werk."
Via de achterkant van het bedrijf gingen wij toch naar binnen en ik ging in het magazijn ‘besmet’ werk doen. Er moesten met spoed onderdelen naar Afrika gestuurd worden want er was een defect aan een vliegtuig. Ik hielp de magazijnmedewerkers met het typewerk en met het inpakken van de onderdelen in het magazijn. Er waren maar een paar medewerkers in het magazijn die niet staakten.
Akio moest mij ophalen van mijn werk, omdat de personeelsbus niet op het terrein mocht komen en ook niet meer reed door de FNV. Het waren roerige tijden met deze staking. De vakbond had veel macht en kon het bedrijf volledig blokkeren en platleggen. Wij hadden geen mobiele telefoon in die tijd dus moest ik moeite doen om het bedrijf waar Akio werkte te bellen. Akio hield niet van bellen naar zijn bedrijf, maar ik kon niet anders. Op de dijk van Schiphol Oost was nauwelijks verkeer en openbaar vervoer. Akio haalde mij op en wij gingen snel eten om vervolgens weer naar de dojo te gaan om te trainen.

Het houden van huisdieren was voor Akio ook vreemd. Veel Nederlanders hadden een grote hond in huis en ook katten. In Japan is het gebruikelijk dat een hond het huis beschermt en in een hondenhok verblijft. Katten leefden wel in het huis maar mochten niet naar buiten. Hij was verbaasd dat de katten van de buren altijd in onze tuin kwamen en hun behoeften daar deden; zoiets is heel ongebruikelijk in Japan.

Akio en ik hadden een tent gekocht en wij gingen kamperen in Heino in Overijssel. Wij stonden met de tent naast de caravan van Oom Aad van Luit, de broer van mijn vader. Het was een gezellige vakantie, Akio gaf veel karatelessen op de camping. Wij gingen iedere dag trainen op het grote veld en op een dag vroegen mensen of zij mee mochten trainen. Uiteindelijk gaf Akio les aan een grote groep mensen. Akio deed ook mee met de volleybalwedstrijden van de camping. Onze vakanties hadden altijd een sportief tintje.
In Nederland werd de emancipatie van de vrouw steeds duidelijker, veel oude normen en oude gebruiken werden verworpen. Kinderen zeiden geen ‘U’ meer en leerden als vrienden om te gaan met volwassenen. Ook de normen en waarden werden anders. Het eens zo preutse calvinistische volkje werd vrijer en vrijer. Minirokken, topless zonnen, lange losse haren voor mannen en vrouwen en de komst van de hippies die bij het monument op de Dam in Amsterdam zaten te blowen. Het gebruiken van drugs was ineens heel populair. Het ontstaan van de communesamenlevingen (een commune was samengesteld met een aantal gezinnen die samenleefden in een huis en samen hun taken verdeelden van het huishouden). Men wilde vrede en het peaceteken werd op de hoofden van de hippies geschilderd. Het dragen van Indiase kleding was de mode en ook de bluejeans. De militaire dienst moest worden afgeschaft. Men was tegen de Vietnamoorlog. Er werd gestreden voor de abortus- en de euthanasiewetgeving. Er waren veel jongeren die huizen kraakten en ook vaak grote gevechten hadden met de politie. De flower power van de hippies maar ook de provo's wilden het autoritaire gezag omverwerpen. Zij veranderden ook de normen en waarden.
In mijn hart en mijn leven nam de Japanse cultuur een belangrijke plek in. Ik volgde Japanse conversatielessen en kooklessen in het Japans Cultureel Centrum in Amsterdam. Akio haalde mij altijd op. Hij was blij dat ik de bereide maaltijden mee naar huis nam. Hij genoot van het Japanse eten.
Met Shihan Hiraiwa en zijn vrouw Yoko bezochten wij vaak de Japanse culturele dagen in hotel Okura. Er waren Japanse hapjes, drankjes, Japanse films en er was een loterij. Het viel mij wel op dat met name Nederlandse mannen getrouwd waren met een Japanse vrouw. Ik kwam geen gemengd huwelijk tegen van een Nederlandse vrouw met een Japanse man. Wij waren een uniek stel. Of was het verschil in cultuur zo groot dat een Nederlandse vrouw nooit met een Japanse man trouwde? Ik denk zelf dat het grote cultuurverschil een reden was. Japanners hebben een groepsmentaliteit en zij kennen heel veel regels in hun samenleving. Regels die iedereen uitvoert en niemand zomaar zal veranderen. Zij zijn ook heel beleefd voor elkaar en hiërarchie is heel belangrijk op het werk en in de samenleving. Kinderen worden al vroeg opgeleid in de discipline en de regels van de samenleving. Ik kon hun idee over zelfmoord niet begrijpen. Zelfmoord werd gezien als een dappere daad. Zij zagen het niet als een vreselijke manier van dood gaan. Zelfmoord en het pesten van kinderen op school of sportverenigingen kwamen veel voor in Japan.

Formaat: 13,5 x 21,5
Pagina aantal: 184
ISBN: 978-3-99107-450-2
Publicatie datum: 16.03.2021
EUR 15,90