Mijn negatieve identiteit

Mijn negatieve identiteit

Linda Wolf


EUR 19,90

Formaat: 13,5 x 21,5
Pagina aantal: 402
ISBN: 978-3-99107-826-5
Publicatie datum: 25.07.2022
Als verzet tegen de autoriteit van haar vader ontwikkelt Linda tijdens haar adolescentiejaren een identiteitscrisis. Ze wil ontsnappen aan de controle van haar vader, want de wurgende benauwdheid om belemmerd te worden in haar ontwikkeling is altijd aanwezig.
VOORWOORD

Alle gebeurtenissen in dit boek hebben plaatsgevonden zoals ik ze heb beschreven.
Ter bescherming van mijn gezin heb ik pseudoniemen gebruikt.

Dit boek draag ik op aan mijn kinderen.


Littekens…
Eens gebroken wonden

Diepe wonden zijn poreus
Littekens
Eens gebroken wonden
De leercyclus van onze ziel


1.

Een vreemde op aarde

Geboren in den vreemde. Mijn ziel wordt verscheurd, doordat ik plaats moet nemen in mijn lichaam. Ik moet terug naar de aarde om taken te volbrengen, zware taken.
Het valt me zwaar, opnieuw geboren te worden op deze aarde. Mijn vorige leven zit nog in mijn genen verweven, echter ik begrijp niet wat ik met me meedraag. De loodzware, ondraaglijke last, waar ik niet over kan praten. Waarom moet ik terug naar deze aarde? Mijn leven was nog niet af. Te jong was ik heengegaan. Het vorige leven, de jonge vrouw die ik was, ben ik nog steeds. En ik heb niet de juiste ouders gekregen om me te helpen, ouders die noch naar me luisteren, noch me troosten, laat staan me begrijpen als ik diepe gevoelens of emoties toon.

Angst in mijn kleine lijf

Ik ben geboren in het jaar 1965. Het zijn roerige tijden en er gebeurt veel in de wereld. Het begint al jong, erg jong dat ik iets mis. Vanaf dat ik me kan heugen, heb ik geen band met mijn ouders. Avond aan avond lig ik als klein meisje van drie, vier jaar klappertandend en trillend van angst opgekruld in mijn bed. Strak ingepakt onder een wit laken, met daaroverheen een zachte, vaal-oranje wollen kriebeldeken. Bang voor de wereld, met een diepe angst voor mijn vader en vreselijk bang voor mijn liefdeloze, koude moeder. Het zijn pure vreemden voor me, zo voelen ze ook. Er zit totaal geen diepgang in mijn vader en moeder, alles is zo aan de oppervlakte. Ik heb geen band met ze, zelfs op deze leeftijd voel ik dat al. En altijd die kou, die onmetelijke kou die ik voel, tot op mijn botten.
Het is donker in mijn kamer en ik vrees de schimmen die ik zie. Diep duik ik onder de wol, het laken er strak onder getrokken, dat is het enige fijne gevoel dat ik waarneem en ik kijk naar de schaduwen op de muur. De eenzaamheid is groot.
Avond aan avond lig ik wakker en ben ik ontiegelijk bang. Zijn mijn angsten ge­grond? Bang voor de beelden die ik nog steeds zie. Doodsangsten voor de oorlog en voor vuur. Voor mijn geestesoog zie ik vliegtuigen overvliegen, die bommen droppen. Het lawaai van de jankende bommenwerpers is oorverdovend en het klamme zweet breekt me uit. Ik schuil voor de bommen die vallen, maar weet niet of dit enige zin heeft. Ik zie beelden van de oorlog, herdershonden, brand, Duitsers in uniform, verpleegsters met kapjes op, de Joodse man die ik heb helpen onderduiken. En er is verraad! Ik ben verraden en dat moet ik bekopen met de dood.
Altijd maar het vuur dat weer terugkomt. Tot benauwdheid aan toe zie ik, iedere avond voordat ik in slaap val, de likkende vlammen alles verschroeien en ten slotte die angst om dood te gaan, omdat ik weet dat de hete vlammen me levend opeten en ik uiteindelijk geen lucht meer krijg.
Uiteindelijk ga ik dood, het is een vreselijke, afschuwelijke en pijnlijke dood en uiteindelijk sterf ik in het vuur, de rook is overal om me heen. Tergend langzaam stik ik, het gevoel in mijn keel wordt steeds benauwder met de likkende vlammen, paniek! Ik kan nergens heen. Ik verbrand geleidelijk, mijn huid schroeit. Avond aan avond zie ik het vuur, waar ik een doodsangst voor heb. Het is de brandende hel voor mij.
Als klein meisje wil ik schreeuwen, maar mijn keel zit dicht en ik moet me tenslotte gedragen bij deze vreemde mensen, die mijn ouders zijn. Ik klauw in mijn deken en trek er plukjes wol uit, die ik tussen mijn vingers draai en maak me zo klein mogelijk, net alsof dat helpt. Ik beef en tril als een rietje. Misselijkmakende angst maakt zich van mij meester. Letterlijk zit ik in de huid van deze vrouw uit dat andere leven en voel haar doodsangsten, iedere avond weer.
Telkens weer zie ik als jonge kleuter dat beeld van de Joodse man, die ik als jonge vrouw moest verstoppen. Continu leg ik mezelf de meest vreemde beproevingen op. En dan de vraag, altijd weer die brandende vraag die ik mezelf stel: Zou je koste wat kost deze man weer helpen onderduiken, als je het allemaal over mocht doen? Ook als je daarvoor weer je leven zou moeten laten, op deze afschuwelijke wijze…?
En na veel wikken en wegen komt het antwoord toch altijd weer op hetzelfde uit… Ja, ik zou het weer doen. Ten opzichte van mijn eigen ethische gevoel, ten opzichte van het verschil tussen goed en kwaad, ten opzichte van God en om me met mezelf te kunnen verenigen, is dit het enige juiste dat ik kon doen. Ik moest de man helpen onderduiken, mijn geweten kon niet anders dan dat.
Ik begin te zweten en voel telkens de doodsangst, omdat ik het met mijn leven heb moeten bekopen. Als ik dit voor mezelf heb vastgesteld, lucht het ietwat op omdat ik, ondanks alle pijn, juist heb gehandeld. Biddend, mijn kleine handjes ineengevouwen, roep ik om God, Hij is mijn Bondge­noot en met kloppend hart verschuil ik me onder de dekens. Ik droom vaak over de oorlog, tot grote vervelens van mijn ouders aan toe.
De periode gedurende mijn vorige leven, in de Tweede Wereldoorlog, is een periode die ik heb moeten ervaren, zodat ik deze ervaringen kan aanwenden in mijn huidige leven. Vier jaar ben ik en worstel reeds met zulke vragen, in mijn eentje en er is niemand voor me, helemaal niemand op deze aarde. Mijn ouders kennen mijn angst voor oorlog, bommen en vuur, maar ze begrijpen er niets van en ze doen er niets mee. Ik word niet getroost of geknuffeld. Er zijn alleen harde woorden. “Nou, er is geen oorlog, ga nu maar slapen, vooruit, je nest in!” Of ze lachen me uit. Murw gemaakt.
Ik trek me steeds meer terug uit de wereld. Volwassenen vertrouw ik niet echt, ze hebben me nog weinig goeds gebracht in dit korte leventje. Het rare is dat ik niet eens naar een volwassene toe durf te gaan, om iets te vragen, ik ben bang voor ze, maar waarom begrijp ik dan nog niet echt. Als klein meisje zoek ik op een bepaalde manier naar liefde, ook al ben ik niet het kind dat om aandacht schreeuwt, dat durf ik niet en het komt ook totaal niet in mij op.
Vaak hoor ik ’s avonds, wanneer ik al een tijdlang in bed lig, keihard het liedje “Rosetta” van George Fame & Alan Price, het is mijn oudere buurjongen die het draait. Zijn slaapkamer ligt parallel aan de mijne.

Rosetta are you better
Are you well, well, well
Rosetta are you better
Are you well, well, well
Well, well, well
Well, well, well
Well, well, well

De kilte van mijn vader en moeder beheerst mijn leven, de ijzige kou die mijn lichaam verlamt en me verstijft tot op mijn botten. Er is geen spoor van liefde, er is geen enkele warmte, er is geen aandacht voor hoe ik me voel of wat ik denk, en begrip is er nooit geweest.
En ik, ik schreeuw het uit vanbinnen, in mijn te kleine lichaam. Mijn lichaam is te klein voor mijn geest, die al zoveel heeft meegemaakt, het zielenleed in mijn hart. En iedereen waar ik ooit om heb gegeven, ooit van heb gehouden, is mij verloren gegaan. En in dit leven herken ik niemand vanuit mijn vorige leven, het is hier eenzaam en zo kil.

Are you well, well, well
Well, well, well
Well, well, well
Well, well, well…


2.

Lucas gaat vaak naar beneden omdat hij niet kan slapen, daardoor krijgt hij de aandacht waar hij om vraagt. Hij is de lieveling en ik vind het niet meer dan gewoon, want zo is het nu eenmaal. Hij mag dan nog even opblijven en in de huiskamer zitten.
Zelf kan ik de slaap praktisch nooit vatten en heb last van die doodsangsten. Keer op keer, avond aan avond, komt de angst voor de jankende bommenwerpers terug, de bommen die vallen, zie ik het fikkende vuur voor mijn geestesoog en de man die ik niet heb kunnen redden en eveneens zijn leven moest bekopen met de dood.
Op een avond besluit ik om de stap ook maar eens te wagen, om te zeggen dat ik maar niet kan slapen en dat ik zo’n angst heb. Ik sluip de trap af naar beneden, met bonzend hart en rillend van angst sta ik voor de huiskamerdeur. Ik sta daar wel enige minuten, omdat ik gewoon niet naar binnen durf! Ik weet niet waarom ik bang ben voor mijn ouders, maar ik ben het. Mijn hartje bonkt van angst in mijn keel als ik de deur opendoe en het liefst wil ik gelijk weer terug mijn bed in. Eigenlijk heb ik er gelijk alweer spijt van dat ik mijn bed uit ben gegaan.
“Ik kan niet slapen, ik ben bang voor oorlog en voor vuur,” zeg ik met trillend lijf en bevende stem.
“Vooruit, terug je bed in!” wordt er koud, op botte en autoritaire toon tegen me gezegd. Mijn ouders luisteren niet naar me, naar wat ik zo graag wil vertellen. Het haalt niets uit en ik laat het wel uit mijn hoofd, om het nog eens te doen.
In verdriet loop ik de trap weer op naar boven en lig als een brok ellende te rillen in mijn bed. En al vroeg in mijn korte leventje besef ik dat ik niet bij ze terecht kan met mijn onrust, angst en verdriet.

Ik zit in de tweede klas van de kleuterschool, vijf jaar ben ik. Mijn schoolvriendinnetje heet Anna, ze heeft kort, steil, lichtblond haar. Ze woont een klein stukje verderop voor het pleintje richting school. Mijn anderhalf jaar jongere broertje is nog thuis bij mijn moeder. Anna heeft ook een jonger broertje, Ferdi heet hij en hij zit in de eerste klas van de kleuterschool. Hij is een beetje ondeugend en heeft heel lichtblonde, grove krullen.
Op een dag vraagt Ferdi: “Zullen we van school weglopen?”
“Wat moeten we dan aan onze moeders vertellen?” reageer ik geschrokken.
“Dat we naar huis toe mochten van de juf.”
Nog nooit heb ik gelogen tegen iemand en dat voelt eigenlijk heel slecht. Toch laat ik me door de kleine jongen overhalen en na enig aandringen loop ik met hem weg van school en gaan we allebei naar ons eigen huis. Het is zo’n zeven minuten lopen.
Als ik thuiskom vraagt mijn moeder: “Wat kom jij hier doen, waarom zit jij niet op school?”
Liegen kan ik helemaal niet, dus ik vertel haar beteuterd de waarheid: “Ik ben samen met Ferdi naar huis gegaan.” Woedend is ze!
“Jij gaat gelijk weer terug naar school en je haalt Ferdi maar thuis op!”
Daar loop ik dan in mijn eentje, terug naar het huis van Ferdi… Schoorvoetend en met bonkend hart bel ik aan en zijn moeder doet de deur open.
“Komt Ferdi weer mee naar school? Ik moet weer terug naar school van mijn moeder,” zeg ik heel benauwd en timide omdat er een volwassene voor me staat.
Ze glimlacht lief naar me en zegt: “Ferdi hoeft niet meer naar school, hij mag thuisblijven.”
Wat voel ik me ellendig, nu voel ik me nog eenzamer. Mijn moeder denkt vast dat het mijn idee was, maar ik zou er nooit zelf opkomen om zoiets te doen. Dus ik loop alleen terug naar school.
Op school staat me straf te wachten. Ik moet in de hoek staan van juf Bos met mijn handjes op de rug en mag niet in de poppenhoek spelen, terwijl het eindelijk mijn beurt was.
Ik speel niet met poppen, want ik ben geen poppenkind, maar ik wilde het toch wel een keer proberen om te kijken of ik het nog eens leuk zou gaan vinden.
Van mijn oma heb ik een haarloze pop gekregen met blauwe ogen die open- en dichtgaan. Ze heeft een rood jurkje aan met een wit bandje, dat mijn moeder heeft gebreid. Er zit een gat in haar hiel, daar heb ik op gekauwd en één oog zit altijd dicht omdat ik er water in heb laten lopen, de ogen zien er een beetje roestig uit, het is een raar gezicht.
Waarom reageerde de moeder van Ferdi zo begripvol en lachend en waarom was de mijne zo ontzettend kwaad? Het ergste vind ik nog dat ik niet in de poppenhoek mag spelen en ik vind het ook erg dat juf Bos kwaad op me is. Gelukkig is de juf niet heel lang boos op me, alleen maar een uurtje of zo, dat vond ik wel gek. Haar boosheid was best snel weer over en toen deed ze zelfs weer gewoon tegen me.

Buitenspelen vind ik heerlijk, ik doe niets liever. Tegenover onze huizen in de straat zijn ze nieuwe huizen aan het bouwen. Er is niets lekkerder dan door de rioleringsbuizen te kruipen en verstoppertje te spelen op de bouwplaats. Heerlijk is het om die cementlucht op te snuiven.
Als mijn moeder één keer in de week ’s avonds rijles heeft, krijgen we brood uit het vuistje van mijn vader. Twee dikke boterhammen met een plak kaas ertussen en dan mogen mijn broertje en ik zo weer naar buiten, de bouwplaats op, met de boterhammetjes in ons knuistje. Genieten is dat. Die vrijheid is me heel wat waard.
Mijn ouders hebben een witte Kever. Als we weleens een ritje maken naar opa en oma word ik er altijd vreselijk wagenziek in. Ik vind de auto ontzettend stinken, er hangt een typische volkswagenlucht in waar ik echt niet tegen kan en waar ik kotsmisselijk van word. Mijn broer en ik kotsen regelmatig achterin de auto onder of mijn vader moet stoppen, zodat we buiten kunnen kotsen.

De enige met wie ik een echte band voel in mijn leven, is opa, de vader van mijn moeder. Het is en lieve man met zwart haar. Hij draagt een jaren zestig bril met een dik zwart montuur op zijn neus. Meestal heeft hij een lichtgrijs krijtpak aan en een keurig gesteven overhemd. Hij draagt altijd bretels om zijn broek op te houden. Opa paft van die hele dikke sigaren. Bij opa en oma staat de dikke sigarendoos op de jaren zestig bruine salontafel. De lucht van de sigaar die opa opsteekt vind ik heerlijk en ook vind ik het zo gezellig als opa rookt.
Als mijn broertje en ik bij opa en oma logeren, kan ik merken dat ze van me houden. Met opa heb ik een heel bijzondere band, al kan ik niet uitleggen waarom.
Als het mooi weer is, mogen Lucas en ik in de grote ovalen zinken teil in de tuin zitten. Opa vult de teil met de tuinslang en sproeit ons dan helemaal nat. Dat is grote pret!
Opa valt soms plotseling in slaap als hij in zijn grote donkerrode lederen fauteuil met de mahoniehouten leuningen zit. Dan is het ontzettend leuk om hem aan zijn neus te trekken! Hij slaakt dan een hevige zucht en met een snurkje wordt hij verschrikt weer wakker. Wij moeten dan zo vreselijk lachen!
Opa is een lieve verzorgende man, hij zorgt goed voor oma. Mijn vader vindt het gewoonweg belachelijk dat opa de fiets van oma onderhoudt, hij ergert zich er helemaal kapot aan. Opa pompt de fietsbanden op en zet zelfs de dynamo aan voor oma als het donker is. Mijn oma weet volgens mijn vader zelfs niet eens hoe ze dat zelf moet doen. Belachelijk vindt hij dat en hij heeft hier altijd smalend commentaar op. Ik vind het juist heel lief van opa, dat hij zo zorgzaam is voor oma. Gedurende mijn jeugd kom ik erachter dat mijn vader niet met mijn oma overweg kan, hij vindt haar maar een bemoeizieke zeur.
Wat ik niet weet, is dat opa ziek is, heel erg ziek. Op een gegeven moment is hij aan het einde van zijn latijn en ligt hij op sterven. Mijn vader wil dat wij, zijn kleinkinderen, afscheid van hem nemen. Het is een van de weinige echt goede dingen die mijn vader ooit voor me heeft gedaan.

Misschien vind je dit ook leuk :

Mijn negatieve identiteit

Gerard Saes

De strijd rond St.-Oedenrode

review:
*verplichte velden