Niemandsland

Niemandsland

Bernard Lovink


EUR 17,90

Formaat: 13,5 x 21,5
Pagina aantal: 310
ISBN: 978-3-99107-045-0
Publicatie datum: 24.07.2020
Bernard Lovinks debuutroman Niemandsland vertelt het verhaal van een man die onverwacht zijn ‘vrijheid’ in de schoot geworpen krijgt. Maar heeft hij het karakter om er iets positiefs mee aan te vangen? Of tuimelt hij met open ogen in dezelfde valkuilen?
De kracht en de aard van de seksualiteit van een mens
reiken tot in de verste toppen van zijn geest.
Fr. Nietzsche











Inhoud:


Deel I: Heroriëntatie

Deel II: Verwoest Arcadië

Deel III: Het Grote Plan










… Niet iedereen beleeft er genoegen aan in de overvolle trein
door de tijd te denderen. Een enkeling springt
er uit (…) Nadat het gevaarte uit zijn gezichtsveld is verdwenen,
het lawaai van staal op staal zijn oren niet langer verdooft,
wordt hij het zachte geluid van de wind door de bomen gewaar (…)
Hij staat op, slaat het stof van zijn kleren, strekt zijn ledematen
en verwijdert zich haastig van het talud; om de komende treinen
niet te hoeven zien, niet te worden overmand door spijt en
medelijden met hen die toch net als hij op levende wezens, ja op
mensen leken, en die in zijn geestesoog nu spoedig onwerkelijk
zullen worden...


B.L.














DEEL I: HERORIËNTATIE


1.
Zijn zelfbehoudsinstinct is behoorlijk slecht ontwikkeld. Want met z'n auto blijkt hij ruim anderhalf uur op weg naar de plek waar een ramp . zich gaat voltrekken. Hij, de vierendertigjarige Nederlandse staatsburger Christiaan Jacob (Chris) Janssen, ontkomt ternauwernood aan 'n . inferno waar elke televisiekijkende of krantenlezende wereldburger . kennis van heeft kunnen nemen.
Het speelt zich af op de zaterdagmiddag van een elfde mei uit het nog tamelijk prille derde millennium. Het is dan zonnig en warm, verrassend warm voor de tijd van het jaar. Chris is uitgenodigd om vanaf 15.30 uur een lezing te houden voor leden van een stedelijk literair genootschap. Onderwerp is de toekomst van de fictie. Prikkelende intro: Heeft de verdichte tekst nog kansen?
Hij zal ruim vóór genoemd tijdstip in de stad arriveren, om op verzoek van een collega met voorkeur voor binnenstadspandjes in het oude centrum naar het te koop aangeboden vastgoed om te zien. Deze collega aanvaardde onlangs een post bij de stedelijke Alma Mater en is voornemens binnenkort naar deze plaats te verhuizen.
Het is kwart over twee als Chris, gegidst door Falkland bv, zijn auto in de dunne schaduw van een rij armetierige boompjes parkeert. De rust rondom doet vermoeden dat veel bewoners van deze buurt - een vriendelijk ogende, maar wat rommelig aandoende dertigerjarenwijk pal naast het stadscentrum - vandaag buiten de stad recreëren. Tot hun geluk zal spoedig blijken.
De oogst is ruim. Er wordt aantekening gemaakt (type, grootte, ligging, zonnestand, visuele staat van onderhoud, telefax makelaardij) van vier te koop aangeboden pandjes. Dit viertal vormt, verbonden met denkbeeldige lijnen en diagonalen, een haast perfecte rechthoek om een verwaarloosd terrein met daarop een oude loods of pakhuis. Kinderen stoken er een vuurtje.
'Vooreerst wel voldoende,' mompelt hij.
Chris' instinct tot zelfbehoud mag dan slecht ontwikkeld zijn, hij heeft wel oog en oor voor zacht rinkelende en op vilten schoeisel na-derende onheilstijdingen: vale schaduwen die vooruit worden geworpen, trillingen in de atmosfeer, aankondigingen als die van aardbevingen, die fijngevoeliger schepselen uit bomen doet vliegen, in of uit de grond laat kruipen, zachtjes doet janken. Wat hij zich nadien scherp herinnert, is de gewaarwording alsof de luchtdruk om hem heen iets toenam, zich tegen zijn oren perste, er in de armetierige bomen rondom iets ritselde, de vliegen lastiger werden, agressiever misschien.
Om 14.45 uur, 28 graden Celsius volgens de elektronische informant bij een kleine parkeerplaats, hoort hij links een geluid. Een geluid als van water dat na een plensbui in het riool stroomt. Het lijkt vlakbij, óók aan zijn oor haast. Maar het is verder weg, achter een huizenrij die er nu niet meer staat. Achteraf, en naar aanleiding van de situatietekening in een krant, moet hij vaststellen dat 't een afstand van tweehonderd meter betrof, minstens, waar op deze zonnige, zaterdagse meimiddag als uit de mond van een reusachtige vuurvreter een baaierd gloeiende massa hoog de lucht in wordt geblazen. Een gebeuren waarvan het effect overigens deels verloren gaat door het felle zonlicht.
Dan vermoedt Chris dat in de atmosfeer rondom iets in het ongerede is geraakt. Een intense hitte opeens onderstreept dit vermoeden. Er is een moment het gevoel door twee gloeiende handen in z'n nek te worden gegrepen. Een uiterst krachtige luchtwerveling doet hem voorover slaan. Doch, hij is ook meteen weer op de been, in hem de reflex ogenblikkelijk in dekking te gaan.
Maar hij vlucht; in tegenstelling tot andere mensen die stil blijven staan, hem de weg versperren, hem dwingen te slalommen en te springen, die verstarrend in 'aah's' en 'ooh's' naar deze groots uitpakkende vuurmakerij gapen, slaat hij op de vlucht. Nadat haast meteen (een seconde, enkele seconden?) na dit uitbundige vuurfeest die prehistorische knal afgaat – is het er één, zijn het er meer, is het een serie knallen? Chris weet het niet meer – heerst een ogenblik de stilte van het graf. Dit is het graf! Ook van het daarnavolgende herinnert hij zich alleen het meest navrante, verdoofd als hij werd door die neolithische ontploffing; en wat allemaal volgt aan luchtdruk, krijsende mensen, brekend glas van kapotte, ingedrukte ramen der huizen rondom, dat komt hem dan ook nog haast als een sprookje voor, één met ijzig werkelijkheidsgehalte, één voor grote mensen, zoveel is zeker. Want er worden daken van huizen geblazen, er storten verdiepingen in, er zijn een man en een vrouw, allebei spiernaakt, op de slaapkamer van een huis waarvan de voorgevel is weggeblazen, de vrouw haar handen voor het gezicht. Chris hoort haar doordringende gil. Hij ziet een buitenmuur omvallen en een kind bedelven, hoort achter zich het geluid van op trottoirtegels wegrollende bakstenen. Hij ziet hele en halve kozijnen uit vallende gevels knappen en vlak voor hem op straat kletteren. Hij ziet en hoort om zich heen hem wonder boven wonder missende dakpannen op de straatstenen aan diggelen vallen, en ook nog enkele andere dingen ziet hij – gruwelijkheden die hij voor zich zal houden uit respect voor de slachtoffers. Met de hete stormvlaag om zich heen, de klap van de luchtdruk in z'n rug omgeven met ritselend rondwervelende vorige herfstbladeren die niet konden vermoeden ooit weer eens op zo enthousiaste manier de lucht in te zullen worden geblazen, met wegschietende vogels, een kat vlak voor hem langs, een grote hond met gebogen staart een heenkomen zoekend (waar is het baasje?), om onzichtbaar te worden in wolken stof en gruis, steeds meer stof, steeds meer gruis dat achter hem het smalle straatje inwelt, er bezit van neemt, hem inhaalt en hem omsluit, waagt Chris Jansen de sprong... een juichkreet onderdrukkend (met moeite), beseffend dat het lot hier een keer goedgunstig wil zijn, het hem, de uitverkorene, de hand toestekende oeroude, door misbruik en massaal overvragen misvormde, grijnzende en onberekenbare, nu en dan meevoelende fatum. Dat had, achteraf, wat Chris betreft minder hoog mogen inzetten. Een stuk of wat gewonden, een paar slachtoffers, één of twee vermisten, enkele beschadigde huizen. Waarom zoveel dode en verdwenen mensen om de mazzel van één? Dat is hij toch niet waard, zó'n prijs!
'Met overleg te werk gaan,' mompelt hij. Met overleg? De omstandigheden jagen hem door alweer een straatje, waaraan een etalage met feestartikelen. Hij haast zich de winkel in, kiest een pruik, een nepbril en een snor (nee, een feestneus heeft hij niet nodig). De uitbater vertelt hij wat hij heeft gehoord, gezien en geroken, hortend en stotend. De onmiddellijk aangeslagen middenstander en Chris: ze geven elkaar een hand, plechtig als twee mensen bij het afscheid in verband met een onderneming waarvan ze weten dat die duurt tot voorbij de nagenoeg zekere dood van achterblijvenden of vertrekkenden. Het is beslist vanwege alle beroering dat de aangeschafte waar niet wordt afgerekend. De man vraagt ook niet om geld; ze vliegen de funshop uit. De winkelier rechtsaf, Chris naar links.
'Niets aan het toeval overlaten, niets...' Al om de hoek van het straatje, tussen wat struiken, wijzigt hij zijn uiterlijk. Hoe aannemelijk de kans in ons kleine landje, nietwaar, dat iemand het zich herinnert. Maar Chris Janssen. Die heb ik daar nog zien lopen. Nee, na de ontploffing, dat weet ik zeker. Ik dacht nog... et cetera, et cetera Een ander uiterlijk dus, maar ook een ander innerlijk zoals hij dan in heel zijn ontzaglijke onwetendheid nog gelooft. En hij zal geen Chris meer heten, geen Janssen (een achternaam waar hij al minstens vijfentwintig jaar ongelukkig mee is). Op een nieuwe naam zal hij nog broeden. Voorlopig is hij een niets, een niemand, een N. kortom.
Wat verderop staat tegen een huis een fiets, een damesrijwiel. Hij die men nooit op diefstal of ander materieel vergrijp heeft kunnen betrappen kijkt of het vehikel op slot staat. Dat is niet het geval. Hij springt op het zadel als 'n boefje van twaalf, om zich op half mechanische manier nog sneller van de onheilsplek te verwijderen, in zijn oren al het gillen van de bestolene, het door de belendende percelen weerkaatste ‘grijp de dief’. Maar dat blijft uit. Het infernale gebeuren heeft deze bevolking misschien wel verlamd. Of wellicht is dit de dag des oordeels vrij naar Belcampo (N. hoort in gedachten al de bedaagde commentaarstem van Kees Brusse), of die waarin het verschil tussen het mijn en dijn is weggevaagd, hét moment voor de introductie van eigendomsverhoudingen volgens Bakoenin en de rode boekjes. Sommige gebeurtenissen forceren andere tijden.
Al spoedig laat N. de laatste huizen van de getroffen stad achter zich. Met zoevende, iets te weinig opgepompte banden fietst hij naar het platteland; in hem een juichend gevoel, nog steeds, één dat zich wellicht het best laat omschrijven als dat behorend bij de geëxalteerde vlucht. Wat de richting betreft waarin hij zo haastig een heenkomen zoekt; ze is zonder enig overleg, zonder doel of voorkeur aanvankelijk, maar naar zijn gevoel noordelijk. Kennelijk de geconditioneerde neiging te vluchten in de richting van je herkomst, terug naar huis en haard. N. beseft dat dit in zijn geval allerminst als vanzelf kan spreken, en dat hij op dit punt moet corrigeren. De rookkolom die hem inhaalt en die een geur van brandend sloophout en van gebakken steen en warme slakken verspreidt, en in het algemeen die rond de oude met cokes gestookte ijzergieterij waar hij niet ver vandaan werd geboren, speelde en naar school ging, bij 'n voorrangskruising fietst hij er door-heen want verandert van richting.

Misschien vind je dit ook leuk :

Niemandsland

Hein de Jong

Buiten het Innerlijk

Meer boeken van deze auteur

Niemandsland

Bernard Lovink

De Sumatraanse bruid

review:
*verplichte velden