May

May

Leo van der Weele


EUR 15,90

Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 90
ISBN: 978-3-99131-408-0
Publicatie datum: 15.09.2022
Na hun kennismaking tijdens een congres in Mexico verliezen longarts May en statisticus Herbert elkaar weer uit het oog. Als May dan voor haar proefschrift de hulp inroept van Herbert wordt de relatie nieuw leven ingeblazen. Maar makkelijk verloopt de relatie niet.
hoofdstuk 1

“Met May.”
Herbert was even stil, overdonderd. ‘Met May, wat onverwacht.’
“Hallo, wat leuk jou te horen, wat een verrassing. Hoe gaat het met je?” bracht hij er toch nog uit.
“Met mij gaat het goed. En met jou?”
‘Wat een akelig stroef begin,’ dacht Herbert. ‘En dat na die fijne tijd met haar in Mexico. Ik moet dit afstandelijke doorbreken.’ Maar het was lastig met Sanne aan zijn bureau. Die knikte begrijpend toen Herbert “Sorry” fluisterde.
“Moet je luisteren, May. Ik heb nu een klant, mag ik je zo terugbellen?”
“Natuurlijk, sorry dat ik stoor,” antwoordde May, hoorbaar teleurgesteld.
“Nee, je stoort niet, maar je begrijpt: het werk gaat voor het meisje,” zei Herbert nogal sullig.

Herbert moest even tot zichzelf komen. ‘May aan de telefoon. Toch nog.’ Hij had er naar verlangd dat ze zou bellen, maar had de hoop eigenlijk al opgegeven. Maar daar was ze, toch nog. Hun fijne tijd samen in Mexico kon dus een vervolg krijgen. Hopelijk.
Sanne, begrijpend, zei dat ze nu wel even genoeg wist en graag later terug zou komen. Dankbaar voor haar houding maakte Herbert meteen een nieuwe afspraak met haar.

“Daar ben ik weer, May, wat fijn je stem te horen. Ik hoorde maar niets van je en nu bel je. Hoe gaat het met je?”
“Ja goed hoor. En met jou? Maar ik bel met een reden,” zei May aarzelend, duidelijk onzeker hoe ze het contact met hem weer moest opnemen. Moest ze zakelijk zijn, zijn hulp vragen voor haar onderzoek, zoals hij in Mexico had aangeboden? Of kon ze, zoals toen, het weer persoonlijk maken, wat ze eigenlijk graag wilde? Haar warme gevoelens voor Herbert waren na hun afscheid na terugkomst uit Mexico gebleven.
Herbert hoorde haar onzekerheid en nam haar twijfel weg.
“Jij belt vast om te praten over je onderzoek, zoals we toen hebben afgesproken. En dat kan natuurlijk gebeuren. Dat is mijn werk. Maar we hebben zoveel samen gehad in Mexico dat we het daar ook over moeten hebben, vind ik. En eerlijk gezegd, May, doe ik dat liever eerst. Dat onderzoek komt nog wel. Wat vind jij?”
“Ja, dat wil ik ook wel. Dat ik bel om te praten over mijn onderzoek is, eerlijk gezegd, best een excuus om ons contact te herstellen. Maar ik wil ook graag je advies over mijn onderzoek, hoor. Dat vind ik ook belangrijk.”
“Natuurlijk, dat doe ik graag. Nu kunnen we een afspraak aan mijn bureau maken, maar kunnen we eerst ergens anders bijpraten? Zullen we dat laatste doen?”
“Ja, dat lijkt me fijn. Zullen we dan dus het meisje voor het werk laten gaan?”
“Dat doen we. We gaan gezellig uit eten. Bij de Mexicaan! Natuurlijk, in dat land hebben we elkaar ten slotte leren kennen. We maken nu direct een afspraak om dat heel gauw te doen.”

May was best een beetje zenuwachtig. Vreemd eigenlijk, nadat ze in Mexico zo dicht bij elkaar stonden en zo intiem met elkaar hadden gepraat over hun leven, over hunzelf. Maar dat was alweer een paar maanden geleden. En hoe anders was het elkaar in Groningen te zien in plaats van in het toch nogal romantische Mexico? Haar gevoelens voor Herbert waren nog even warm, maar hoe waren die van hem voor haar? Door de telefoon klonk hij wel blij haar te horen. Hij had voor haar ook meteen zijn werkafspraak afgebroken. En hij wilde bijpraten. Maar hoe zou het zijn als ze weer bij elkaar zouden zijn? Konden ze de sfeer van toen terugvinden?

May trok een leuk jurkje aan, deed licht lippenstift op, wat rouge en oogschaduw; ze zag er mooi uit, vond ze zelf. En nu maar wachten op zijn komst.
Ook Herbert was wat nerveus. Hij had de afgelopen maanden vaak aan May gedacht, met heel warme gevoelens. En hij had het gevoel dat zij ook erg gesteld was op hem. Maar de realiteit was dat ze maandenlang geen enkel contact hadden gehad. En Groningen was geen Mexico. ‘Hoe zou die andere omgeving inwerken op hun relatie?’
Hij trok een net jasje en broek aan, met een wit overhemd en een blauwe das. Hij moest om zichzelf lachen. Hij was gewoon nerveus als bij een eerste afspraak met een meisje.

Herbert pakte de auto, reed naar haar flat en belde aan. May deed direct open en hij was weer helemaal weg van haar. ‘Wat zag ze er lief uit!’ Ze groetten elkaar toch wat terughoudend met drie zoenen op de wang.
“Wat fijn je te zien, Herbert. Ik heb naar je verlangd, dat mag je best weten,” zei May stralend.
Galant opende hij de deur van de auto voor haar.
“Je helpt me weer, net als in de trein naar Amsterdam, met mijn bagage. De geschiedenis herhaalt zich. Daarna raakten we elkaar kwijt tot in Oaxaca, weet je nog.”
“Natuurlijk weet ik dat nog. Maar nu raken we elkaar niet meer kwijt, hoor,” verzekerde Herbert haar.

Het was rustig in het restaurant. Op de achtergrond klonk Mariachi-muziek. Ze hadden een tafeltje in een verre hoek van het
restaurant.
“Ik ben zo blij je te zien,” zei May ontroerd, terwijl ze zijn hand streelde.
“En ik ben blij met jou. Waarom hebben we elkaar niet eerder opgezocht? Waarom toch? Maar eerst wat drinken. Margarita en tequila, zoals we in Mexico dronken. Grappig, van margarita had ik nog nooit gehoord en tequila kende ik alleen maar van naam. En nu is het ons drankje geworden.”
Ze proostten, elkaar diep in de ogen kijkend.
“Daar zitten we dan, net als toen. Ik denk er vaak aan,” zei May. “Daar in het hotel in Oaxaca. Ik kende niemand van het gezelschap en ging maar in een hoekje aan een leeg tafeltje zitten, om vooral niet op te vallen. En daar komt een man op mij af …”
“En die man vroeg beleefd of hij bij jou mocht aanschuiven. Toch?”
“En toen kwam de herkenning van onze ontmoeting in de trein. Wat een verrassing over en weer, maar het klikte meteen. Misschien wel omdat we elkaar van de trein kenden. Nou ja, kennen?”
“En dat was het begin van een fijne week in Mexico. Eigenlijk erg toevallig dat we zo bij elkaar kwamen, May. Jij kwam in het reisgezelschap terecht doordat jouw reisgenote uitviel en het was toevallig dat ik de lege plek aan jouw tafeltje vond. Of viel je op omdat je niet wilde opvallen? Maar ik ben blij met zo’n toeval.”
“Ik ben ook zo blij dat we hier zo zitten. Maar even serieus, ik voel me wel bezwaard dat ik je werkafspraak zo verstoord hebt. Wat zei die klant ervan? Was hij of zij niet gepikeerd?”
“Het was een zij. En ze voelde haarfijn aan dat dat telefoontje voor mij belangrijk was.”
“Lief van haar. Was het een vertrouwde, oude bekende klant van je?”
“Nee, niet bepaald. Het was zelfs onze eerste ontmoeting. En we waren heel intensief zakelijk bezig.”
“Nou, dat is dan extra lief, zo vol begrip. Wat kwam ze doen bij je?”
“Ze is een jonge arts, Sanne heet ze, en ze kwam advies vragen voor haar promotieonderzoek. Net als jij gaat doen! Maar nu genoeg over Sanne en over wie dan ook. Ik wil het over jou hebben. En over ons. Weet je, lieve May, weet je dat ik erg naar dit moment heb verlangd? Waarom was ik zo afwachtend, en deed ik niets, terwijl ik je toch zo graag weer wilde zien? Waarom was ik zo’n lummel het maar te laten?”

Ze zochten in de uitgebreide menukaart een typisch Mexicaans gerecht, namen nog een slokje en May reageerde op de spijtbetuiging van Herbert.
“Het ging mij eigenlijk precies zo. Wat bleef er over van wat we in Mexico samen hadden? Wat zou jij, terug in Groningen en weer aan het werk, ervan denken? Was wat wij hadden meer dan een oh zo aarzelende vakantieverliefdheid? Ja, verliefd was ik best, durf ik nu te bekennen,” zei May blozend.
“Ja, ik ook. Des te erger dat ik als onnozele puber er niets mee heb gedaan. Het spijt me, May, heel erg.”
“Er was trouwens nog wat waardoor ik geen contact met je zocht: ik werd ziek. Ik werd uitgebreid onderzocht, maar de artsen konden geen oorzaak van mijn klachten vinden. Was het iets dat ik in Mexico had opgelopen? Of, en daarvoor was ik het meest bang, was de kanker toch weer opgekomen? Ik was zo bang, Herbert. Dat hield me tegen contact te zoeken, hoewel ik veel aan je dacht, daar in dat ziekenhuisbed. Maar ik knapte op, net als met die leukemie die ik kreeg toen ik zestien was. Nu voel ik me weer helemaal in orde. Ik ben weer volledig aan het werk en heb ook weer de energie om mijn promotieonderzoek op te pakken. En dat was een goed excuus om jou te benaderen voor hulp bij de statistiek, die ik nodig zou hebben. Wat een mooie smoes, he?”
“Wat erg dat je ziek was en ik wist van niets! Had me maar gebeld, of geschreven, dan was ik zeker bij je gekomen. Maar zullen we nu maar ophouden met spijt te hebben dat we niets hebben gedaan en genieten dat we toch weer bij elkaar zijn. Dankzij jouw smoes! Laten we genieten van ons samenzijn en kijken of het gevoel van toen is gebleven?” stelde Herbert voor.
“Ja, laten we dat doen. Wat is er toch veel met mij gebeurd de laatste maanden. Ik werkte als longarts in opleiding. Ik had het erg druk, maar was zo gelukkig dat ik na jaren ziekte dokter had kunnen worden en me daarna zelfs kon specialiseren. Ik werkte hard en was ambitieus. Ik stelde mijn begeleiders voortdurend vragen om mij te ontwikkelen en ik viel blijkbaar op. Daardoor mocht ik een promotieonderzoek gaan doen. In dat kader deed ik een onderzoekje. En de manier waarop ik dat deed viel blijkbaar op. Daarom mocht ik naar dat congres in Mexico. Ik, pas beginnend in het vak, nog maar net in opleiding, mocht naar een internationaal congres! Wat was ik trots. En daar zat ik dan aan een tafeltje in de eetzaal van dat hotel in Oaxaca. Alleen. En toen kwam jij.”
“Ja, ik, statisticus, was ook alleen, een vreemdeling in dat gezelschap van longartsen. Meestal waren dat wat oudere, ervaren mannen, die elkaar goed kenden en het congres duidelijk ook als een uitje beschouwden. Ik had dan wel een voordracht gehouden, maar dat ging over methodologie, niet hun liefhebberij. Misschien best nuttig, maar voor een dokter minder boeiend. En dus zagen ze mij eigenlijk niet zitten. En toen zag ik aan een tafeltje een jonge dame alleen. Ik zag alleen haar gebogen achterhoofd, sprak haar beschroomd aan of de stoel vrij was, ze keek op en toen herkenden we elkaar van de trein naar Amsterdam. En vanaf dat moment zijn we fijn samen opgetrokken. Buitenstaanders, maar met elkaar hadden we het goed. We hadden nog wel wat gezellig contact met jouw Amsterdamse collega’s Josje en Eef, die ook wat buiten de mannelijke pikorde stonden. Heb jij nog iets van ze gehoord?”
“Nee, maar door mijn ziekte ben ik ook grotendeels buitenspel geweest. Ja, we hadden het gezellig samen. We hebben ook heel wat afgepraat. We hebben ook opvallend veel over ons zelf verteld. Dat vertrouwen in elkaar was er, en voelde heel warm.”
“En toen terug op station Groningen, opgevangen door jouw vriendin, werden we eigenlijk van elkaar weggerukt. Ik wist me geen raad met het afscheid, dat ook geen behoorlijk afscheid was. We zwaaiden wat vaag naar elkaar en verdwenen in de menigte. Tot een paar dagen geleden mijn telefoon ging: ‘met May’”

Intussen smaakte het eten prima; lekker pittig, typisch Mexicaans. Ook de wijn was lekker. May en Herbert genoten van het eten, van de sfeer en vooral van het weer bij elkaar zijn. De aanvankelijke schroom was helemaal weggevallen.
“Ik vertelde al dat ik grotendeels ziek ben geweest, en heb verder heel weinig gedaan of beleefd. Maar wat heb jij intussen gedaan?”
“Tja, gewerkt. Ik ben heel snel weer opgeslokt door mijn werk. Ik heb weer wat cursussen gegeven en klanten geholpen met hun onderzoek. Mexico was eigenlijk meteen ver weg.”
“En ik ook?” vroeg May, quasi beledigd.
“Nee, hoor, ik bleef aan jou denken. Maar ik nam geen actie omdat ik twijfelde: wat voelde jij voor mij? Ik hoorde niets van jou, ook niet om hulp bij de statistiek, zoals we min of meer hadden afgesproken.
“We hadden wel veel over onszelf verteld, maar eigenlijk vrijwel niets over ons dagelijkse leven. Hoe leefde jij? Hoe ging je om met je vrienden en familie? Je had wel verteld dat je geen relatie had, maar je kon best veel met vrienden omgaan en het daar druk mee hebben. En toen ik het even heel druk kreeg met werk dat ik samen deed met een orthodontist, kwam er helemaal niets van om contact met jou te zoeken. Ik vergat je niet hoor, bleef intussen wel aan jou denken. Met heel veel warmte! Maar zonder er wat mee te doen.”
“En die Sanne?”
“Hé, jaloers? Sorry, dat is flauw van me. Zij is gewoon een klant. Ik heb haar maar een keer gezien, en dat was net toen jij belde.”
“Nou zeg ik sorry. Het gaat mij natuurlijk niets aan wie jij als klant hebt. En ik heb ook geen enkel recht om jaloers te zijn. We zijn toch niet getrouwd!”
Herbert realiseerde zich door wat May zei dat hun relatie feitelijk niets meer was dan een fijn en vertrouwd weekje in een vakantiesfeer. Hadden haar woorden een diepere betekenis, en zette ze zo een rem op hun relatie, vroeg hij zich af. Hij keek haar eens goed aan, en zag een onbevangen blij gezicht. ‘Nee, ze bedoelt er vast niets mee,’ concludeerde hij.
“En heb je nog contact gehad met Henriette?”
‘Ook weer zowat, nou vraagt ze naar mijn ex. Wat wil ze met deze vragen?’ vroeg hij zich af. Hij keek haar nog eens goed aan, maar zag alleen maar een ontspannen en belangstellend gezicht. ‘Ze is gewoon geïnteresseerd in mij en mijn leven en dat is alleen maar positief.’
May zag de verwarring bij Herbert en merkte op: “Het klinkt nogal bemoeizuchtig, maar ik vind het leuk om te horen hoe jouw dagelijkse leven verloopt. Ik wil je beter leren kennen, Het spijt me, ik had niet naar Henriette moeten vragen.”
“Natuurlijk mag je naar haar vragen. Ze is dan wel niet meer een onderdeel van mijn leven, maar mijn leven met haar heeft mij ook gevormd. Ik heb erg van iemand gehouden. En dat mag je best weten. Ik ben er niet in geslaagd mijn relatie goed te laten verlopen. En ook dat is voor jou goed om te weten.”
“Zij heeft je toch voor een ander verlaten. Ben jij dan schuldig aan de mislukking? Heb jij dan gefaald?”
“Ja, dan ben ook ik tekortgeschoten. Ik heb me te weinig ingezet voor onze relatie. En ik heb niet gezien hoe ons huwelijk afgleed naar een sleur. Ik neem het Henriette ook niet kwalijk dat ze me heeft verlaten. Ik heb er veel van geleerd. We zijn eigenlijk best vrienden gebleven. Tot op zekere hoogte. En ik zie haar nog regelmatig.”
“Mooi dat jullie contact goed is. Ik hoop haar ook te ont­-
moeten.”
“Ja, dat lijkt me goed. Behalve het weekje Mexico hebben we los van elkaar geleefd. Heel verschillende levens, verschillende families, andere vrienden, andere gewoonten. Van wat voor eten hou jij, behalve natuurlijk Mexicaans? Ben je een ochtendmens of een avondmens? Ben je niet wakker te krijgen of spring je opgewekt je bed uit?”
“Hallo! Meneer heeft het nu al over het bed,” lachte May.
“Moet ik nou blozen dat ik zoiets tegen een dame zeg? Maar serieus, lieve May, ik wil je graag verder leren kennen en daar horen dit soort praktische dingen bij. Toch?”
“Ja, je hebt gelijk. Wat we samen hebben is een heerlijk weekje vakantie. Wat we hebben, is het verhaal van ons verleden. We hebben best intieme dingen aan elkaar verteld. Dat konden we omdat we meteen een klik hadden, warmte voelden. Maar als we meer willen dan vrienden zijn, dan moeten we toch ook ons dagelijkse leven delen. En ik wil meer, lieve Herbert. Maar ik ben zo onervaren in de liefde, heb ik je verteld. Ik moet nog leren een relatie te hebben. Doe daarom niet te snel met me. Durf je het aan te proberen er met mij wat van te maken? Wat een onnozele liefdesverklaring, he. Het spijt me dat ik zo onhandig doe.”
“Nee, je doet niet onhandig. Je bent open en spontaan. Ja, lieve May, ik wil je graag nader leren kennen. Ik wil verder gaan met wat we in Mexico hadden. Ik hou van je.”
Ze waren een hele tijd stil, hun handen verstrengeld. May had tranen in haar ogen van ontroering.
“Ja, ik ook van jou, maar ik ben ook bang. Ik moet alles nog verwerken, Herbert, en ik ben moe van alle emoties. Zullen we weggaan?”

Herbert bracht haar thuis. Hij ging niet mee naar binnen, want het leek hem beter dat ze haar emoties even alleen verwerkte. Hij moest vooral niet te snel gaan. Ook hij had behoefte tot zichzelf te komen.
“Ik bel je morgen,” beloofde Herbert.
Ze namen met een lange, intense omhelzing afscheid.


hoofdstuk 2

De gedachten dwarrelden wild door May’s hoofd. Doodmoe van alle emoties viel ze in een stoel neer. Ze voelde dat zij en Herbert deze avond heel ver waren gekomen. Ze hadden beiden voorzichtig hun liefde verklaard. Ze voelde zich toch onzeker: ging het niet te snel? Zou zij, zo onervaren in de liefde, hem niet tegenvallen als ze elkaar beter leerden kennen? Ze had nog nooit een relatie gehad. Kon ze het wel goed doen? Maar behalve haar onzekerheid, had ze ook een heel gelukkig gevoel. Wat was hij lief! Ze moest zich maar geven, onbevangen werken aan hun relatie. Met die gedachte viel ze in slaap.

Herbert schonk zich meteen een borrel in. Ook hij was vol van deze avond. Ze was lief, en zo onbevangen en bescheiden, zo zonder kapsones of bijbedoelingen of zo. Ze was wel heel anders dan Henriette. Op haar was hij toen in het ziekenhuis in de nachtdienst verliefd geworden. Grappig, net als nu met May, was het begonnen op een opvallende plaats met een heel aparte sfeer. Henriette was vlot en doortastend, en nam meestal de initiatieven. Er was ook veel hartstocht tussen hen. May was zo anders. In ieder geval leek dat voor zover hij haar kende. Zij was veel afhankelijker, leek hem. Zij was meer een vrouw om te vertroetelen. Nu moesten ze zorgen samen een evenwichtige relatie op te bouwen. Hé, wat deed hij nou moeilijk. Hij hield van May en ze zouden er samen iets moois van maken. En om te beginnen moesten ze gezellige dingen met elkaar doen en zo hun relatie uitbouwen.

De volgende dag was een zaterdag en Herbert had dus vrij. Hij wist niet of May die dag moest werken. Daar hadden ze het helemaal niet over gehad. Hij probeerde het om een uur of 11, maar kreeg geen gehoor. Het stelde hem teleur, want hij had haar graag nog gesproken om samen terug te kijken op de vorige avond. Misschien was ze even weg, voor een boodschap of zo, dus moest hij het later maar weer proberen. Ook tussen de middag gaf ze geen gehoor. ‘Dan zal ze wel aan het werk zijn,’ concludeerde Herbert. Om drie uur ging de telefoon. “Met May.”
“Ha, wat fijn dat je belt. Ik had het al een paar keer geprobeerd. Ben je aan het werk?”

Misschien vind je dit ook leuk :

May

Leo van der Weele

Wat nu kaars?

Meer boeken van deze auteur

May

Leo van der Weele

Congres in Mexico

May

Leo van der Weele

15 augustus, impact van een Indische jeugd

review:
*verplichte velden