Cover: Land van donkere wouden

Land van donkere wouden
Een moordonderzoek in oorlogstijd


EUR 22,90

Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 358
ISBN: 978-3-7116-1464-3
Publicatie datum: 02.04.2026
In een afgelegen bos, in de meest oostelijk gelegen uithoek van Duitsland, wordt in de zomer van 1944 het gruwelijk verminkte lijk van een landheer gevonden. Terwijl de Russen naderen en de Gestapo tegenwerkt, lost hoofdinspecteur Werner Resske de zaak op.
HOOFDSTUK 1


Voorzichtig braken enkele zonnestralen door het wolkendek. Het weer was in geen enkel opzicht bijzonder op 26 juli 1944. Het zou niet warmer worden dan een graad of twintig, maar er werd geen regen van betekenis verwacht. Baron Ferdinand von der Schwechau – Schillening keek goedkeurend naar de hemel. Voor wat hij vandaag van plan was te doen, was het een prima dag. Met een kort knikje nam hij de rijzweep in ontvangst die Johannes Lidtke, de huisknecht hem aanreikte, liep de bordestrap van Gutshaus Friedrichswalde af en wandelde in de richting van het koetshuis en de stallen. Voor het stalgebouw stond Alfons, de stalknecht al te wachten met Adelar, het lievelingspaard van de baron.
’Alstublieft mijnheer de baron, hier is hij. Afgeborsteld en opgezadeld, zoals u had opgedragen. Het lijkt erop dat hij er weer zin in heeft’. De baron nam de teugels over. De hengst brieste kort en schudde even onrustig met zijn hoofd alsof hij wilde laten merken dat het tijd was om erop uit te gaan. De baron tastte even in de rechterzadeltas en merkte dat de pioniersschop die hij er de dag tevoren had ingestopt, nog op zijn plaats zat. Hij knikte goedkeurend. Op Alfons kon je rekenen. De stalknecht moest bij het opzadelen hebben gemerkt dat zich in de rechterzadeltas een voorwerp bevond dat daar normaal gesproken niet thuishoorde, maar hij had daarover geen lastige vragen gesteld. ’Ik ben waarschijnlijk tot de avond weg, want ik doe vandaag een wat uitgebreidere inspectieronde’, zei de baron terwijl hij zichzelf in het zadel hees. Voordat de stalknecht de gelegenheid kreeg om daarop te antwoorden spoorde de baron het paard aan, waarna het dier het direct op een draf zette.

Buiten de toegangspoort tot het landhuis en op het open veld liet Ferdinand von der Schwechau zijn paard van draf overgaan in lichte galop. Het paard wilde wel. Adelar was een vier jaar oude Trakehner. Het dier had de juiste afkomst en was getraind om snel en langdurig te lopen. Ruiter en paard voelden elkaar perfect aan. De baron kon wel een goed paard gebruiken. Het halverwege tussen Sensburg en Nikolaiken gelegen Friedrichswalde behoorde zeker niet tot de grootste landgoederen van Oost-Pruisen, maar met een omvang van 3000 morgen was het toch ook niet bepaald klein te noemen. Van die totale omvang bestond 1500 morgen uit gemengde bossen, 500 morgen uit weidegrond en de resterende 1000 morgen uit landbouwgrond. Het uitbaten van de bossen hield de baron in eigen hand, bijgestaan door Gustav Kahlin, de rentmeester en door seizoensarbeiders. De landbouwgrond en de weidegrond daarentegen waren voor een belangrijk deel verpacht. Normaal gesproken voldeden de pachters een deel van de pacht in natura. Dat betekende dat zij een deel van de beschikbare tijd gebruikten om herendiensten op het land van de baron te verrichten. Het resterende werk werd gedaan door landarbeiders die in bescheiden arbeidershuizen woonden die bijeen stonden op verschillende plekken verspreid over het landgoed.

Dat oeroude patriarchale systeem, waarin pachters, landarbeiders en Junkers van elkaar afhankelijk waren om te kunnen overleven, was in het zesde oorlogsjaar ernstig uit zijn voegen geraakt. Op een enkele uitzondering na waren alle pachters en andere arbeidskrachten opgeroepen voor dienst in één van de vele onderdelen van de Wehrmacht of hadden zelf dienst genomen bij de SS. Hun plaatsen op het land en deels ook in de bosbouw waren ingenomen door gedwongen in Duitsland te werk gestelde mannen uit bezette landen in West-Europa of door zogeheten Ostarbeiter uit Polen of de Oekraïne. Niet zelden werden ook krijgsgevangenen ingezet om op het land te werken. En in de schoolvakanties hielpen leden van de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Mädel mee op het land. Ook op Friedrichswalde hadden dwangarbeiders uit Frankrijk, België en Polen het werk van de oorspronkelijke pachters en arbeiders grotendeels overgenomen. Zij waren gehuisvest in eenvoudige houten barakken. Sommige van hen woonden bij de gezinnen van de pachters. In die gevallen ontstond vaak iets van een vertrouwensrelatie tussen de boerengezinnen en de arbeidskrachten die ze in huis hadden moeten nemen. In Oost-Pruisen was het vaak zo dat buitenlandse arbeiders aan tafel mee- aten met de gezinnen bij wie ze waren ingekwartierd. Daarbij moest wel de nodige voorzichtigheid worden betracht. Officieel was verbroedering tussen Volksduitsers en buitenlandse arbeidskrachten verboden. Zeker als het om zogeheten Ostarbeiter ging, de als minderwaardig beschouwde arbeidskrachten uit Polen en delen van bezet Rusland, stonden er stevige straffen op vertrouwelijke omgangsvormen.

Ferdinand von der Schwechau zou niet gauw in de verleiding komen om vertrouwelijke relaties aan te gaan met de buitenlandse arbeidskrachten op zijn landgoed. Zoals de meeste leden van zijn stand was hij geen Nazi, maar hield hij er wel uitgesproken behoudende opvattingen op na. Hij was doordrongen van het besef dat hij onderdeel uitmaakte van een adellijke bovenlaag die al eeuwenlang de dienst uitmaakte in Oost-Pruisen. De baron voelde zich er zeker verantwoordelijk voor dat de mensen die op zijn landgoed woonden en werkten, goed in hun dagelijkse behoeften konden voorzien en een zekere mate van welstand genoten, maar hij hechtte wel aan het bewaren van gepaste afstand tussen mensen van verschillende afkomst. Mensen moesten hun plaats kennen en daarnaar handelen. Dat gold, wat Ferdinand von der Schwechau betrof, al voor de relaties tussen hem en de pachters en arbeiders die van oudsher op het landgoed woonden, laat staan dat hij zich direct inliet met buitenlandse arbeidskrachten. Als het even kon vermeed de baron direct contact met hen en haalde hij de informatie die hij nodig had, bij de oudere Duitse pachters en opzichters die met het toezicht op de buitenlanders waren belast.

En zo ging het ook op deze zomermiddag in 1944. Tijdens zijn rijtoer kwam de baron verschillende groepjes landarbeiders tegen die, verspreid over het landgoed, aan het werk waren. Telkens als zij de baron zagen naderen, namen de mannen hun pet in de hand en knikten ze eerbiedig naar de landheer. De vrouwen en meisjes droegen doorgaans witte hoofddoeken en veegden, bij het zien van de baron, hun handen af aan hun schort en gingen rechtop staan. Ferdinand von der Schwechau volstond steeds met een korte knik en reed door. Hij wilde zich niet laten afleiden van de belangrijke opgave die hij die middag te vervullen had. Slechts in één geval hield hij de teugel in om, hoog gezeten op zijn paard, een kort gesprek met één van de opzichters te voeren. Het ging om een al wat oudere opzichter die de leiding had over groepjes buitenlandse arbeiders en leden van de Hitlerjugend die bezig waren met hooien. Ze waren al flink opgeschoten. Het hooi lag hoog opgetast op een houten boerenwagen die met twee zware trekpaarden was bespannen. ’Ik dacht altijd dat je moest hooien als de zon schijnt Otto’, opende de baron het gesprek. En dan naar de lichtgrijze hemel kijkend, ’Ik zie hem vandaag niet’. ’Daar zegt u zowat, meneer de baron’, antwoordde de opzichter, terwijl hij zich met een zakdoek het zweet uit de ogen wiste. ’Het is inderdaad niet erg zonnig, maar al wel een poosje droog en de grassen en bloemen zijn mooi uitgegroeid. De gewassen zijn nu op hun best. Ik sprak gisteren nog met de rentmeester en die was het met me eens dat dit het goede moment is om te hooien. Volgende week kunnen we dan denken aan het binnenhalen van de haver en de rogge. De velden staan er mooi bij’.
De baron knikte goedkeurend. Hij had veel vertrouwen in de toewijding en het vakmanschap van rentmeester Kahlin en medewerkers als Otto Balzer. Maar het maakte hem wel onrustig dat zoveel grotere jongens en mannen hun krachten aan de diverse fronten moesten wijden aan de overlevingsstrijd van Duitsland, waardoor het land moest worden bewerkt door onervaren dwangarbeiders uit het buitenland, af en toe aangevuld met schoolkinderen. ’Waar komen deze vandaan?’ informeerde de baron, terwijl hij kort in de richting van een groepje arbeiders knikte dat druk bezig was het hooi op het land bij elkaar te harken. ’De meesten van deze groep komen uit België. Er zitten een paar Fransen en Hollanders bij’, wist Otto Balzer te vertellen. ’Ik kan niet over ze klagen. Ze doen wat ze moeten doen. Maar het zijn geen boeren. Ze komen uit de stad en werkten meestal in fabrieken of werkplaatsen. Ze hebben geen gevoel voor het boerenwerk. Niks gaat vanzelf. Je moet ze blijven uitleggen wat ze moeten doen en je moet voortdurend toezicht blijven houden’. Ferdinand von der Schwechau zweeg even nadenkend en haalde toen zijn schouders op. ’Dat is voor het moment je lot, vrees ik Otto’, zei hij toen. ’Ooit komt er een einde aan deze oorlog en dan wordt alles weer als vroeger. Ik verheug me alweer op de oogstfeesten die we dan weer gaan houden met onze eigen mensen’. De baron knikte de opzichter nog een keer welwillend toe, liet zijn blik nog even vorsend over het groepje medewerkers glijden en spoorde Adelar weer aan tot een lichte draf. Spoedig was de baron met zijn paard achter een lichte glooiing verdwenen, de mannen en jongens op het veld weer aan hun eigen beslommeringen overlatend.

De baron reed verder. Hij kon zich er met eigen ogen van overtuigen dat het graan er goed bij stond en dat het tijd werd om te gaan oogsten. Een poos lang volgde hij het riviertje de Deine dat zich slingerend een weg door het land zocht. Waterlelies dreven op het heldere water. De oevers waren omzoomd door rietkragen. Kleine coulissebossen zorgden voor afwisseling. De baron hield van dit landschap. Friedrichswalde betekende alles voor hem. En juist deze ogenschijnlijk ontspannen tocht over zijn landgoed, dat zich op deze zomerse namiddag van zijn beste kant liet zien, maakte dat Ferdinand von der Schwechau zich ongemakkelijk voelde. Zeker, het landgoed lag er prachtig bij, de oogst leek dit zesde oorlogsjaar goed te worden. Het was inderdaad lastig om goede arbeidskrachten te vinden en vast te houden. Maar de oorlog had de baron geen windeieren gelegd. Vanuit de steden en vanuit het leger was er grote vraag naar het hout, de graanproducten en de zuivelproducten die het landgoed voortbracht. Vergeten waren de moeilijke jaren van na de Eerste Wereldoorlog, toen Oost-Pruisen door de Poolse Corridor van het Duitse hartland was afgesneden en Oost-Duitse landheren en boeren maar moeilijk afzetgebied voor hun producten konden vinden. Alleen dankzij zeer omvangrijke landbouwsubsidies had Von der Schwechau het hoofd toen boven water kunnen houden. De baron had het nooit kunnen verkroppen dat hij uitgerekend van de steun van de door hem verfoeide socialistische regering in Berlijn afhankelijk was geweest om de crisisperiode in de Jaren Twintig te overleven.
De zorgen die Von der Schwechau vandaag de dag had, waren van een heel andere aard. Hij was zich heel goed bewust van de bedrieglijkheid en vooral van de betrekkelijkheid van de rust die het landgoed uitstraalde tijdens die milde zomerdag. En hetzelfde gold eigenlijk voor heel Oost-Pruisen. De mensen daar probeerden zo goed en kwaad als het kon aan hun bedaarde en traditionele manier van leven vast te houden. De bevolking van Oost-Pruisen was in veel opzichten goed toegerust om het goede te koesteren en het boze buiten de deur te houden. De landbouwproductie lag er al tientallen jaren hoger dan in heel Nederland. Anders dan elders in Duitsland en Europa leden de mensen in Oost-Pruisen over het algemeen geen gebrek. En anders dan in de Eerste Wereldoorlog het geval was geweest, was Oost-Pruisen in deze oorlog tot nu toe niet het decor van oorlogshandelingen geweest. Zelfs de oude centra waren nog intact, terwijl de meeste grote steden meer naar het westen toe, als gevolg van onophoudelijke luchtaanvallen, allang in rokende puinhopen waren veranderd. In Oost-Pruisen was nog nauwelijks een bom gevallen. Königsberg was nog steeds een prachtige stad, met talrijke monumentale panden en ruime groene parken. De winkels en bioscopen waren open, de restaurants en de terrassen goed bezet. Maar dat alles kon niet zo blijven. Hoewel de radio optimistische en onderhoudende programma’s bleef uitzenden en in de nieuwsberichten geen enkele twijfel over de Endsieg doordrong, wist Von der Schwechau wel beter. De afgelopen maanden was hem definitief duidelijk geworden dat alle hoop op een voor Duitsland goede afloop van de oorlog vervlogen was. Het zomeroffensief dat de Sovjets in juni in Wit-Rusland waren begonnen, had tot de omsingeling van enorme Duitse troepenverbanden en uiteindelijk tot de vernietiging van de gehele Legergroep Mitte geleid. Wit-Rusland en het Baltische gebied werden nu snel door de Russen ingenomen. Weldra zou het Rode Leger Oost-Pruisen bereiken. In het westen ging het niet beter. Nadat Rome op 4 juni was bevrijd, waren de geallieerden op 6 juni in Normandië geland. Eerst verliep de opmars moeizaam. Maar inmiddels was duidelijk geworden dat de er niet in zou slagen de Geallieerden terug in zee te drijven. Wat op die zesentwintigste juli nog niet bij het thuisfront bekend was, was dat de geallieerden een dag eerder een beslissende doorbraak bij de Franse stad Falaise hadden kunnen bereiken, waardoor meer dan 28 Duitse divisies omsingeld en uiteindelijk vernietigd konden worden. In de hoop te kunnen voorkomen dat Hitler Duitsland in een totale catastrofe zou meeslepen, hadden enkele officieren die gelieerd waren aan conservatief nationalistische kringen, een aanslag op hem voorbereid. De aanslag had op 20 juli plaatsgevonden in de Wolfsschanze, het hoofdkwartier van de Führer in Rastenburg. Het lag slechts op enkele tientallen kilometers verwijderd van Friedrichswalde. De aanslag was mislukt, de belangrijkste aanstichters waren opgepakt en terechtgesteld. De zoektocht naar medeplichtigen ging door. Ferdinand von der Schwechau was op geen enkele wijze bij de aanslag betrokken geweest en sympathiseerde er ook niet mee. Hoewel hij geen aanhanger van de Nazi’s was, deed hij ook niets om zich tegen hen te verzetten. Voor alles was hij gezagsgetrouw en zeer nationalistisch. Hij had twee zonen die vochten aan het Oostfront. Als lid van een eeuwenoude elite en geridderd officier uit de vorige Wereldoorlog was hij van mening dat hij zijn zonen en andere soldaten die aan de vele fronten voor het vaderland vochten in de rug zou aanvallen door nu steun te geven aan acties die het Naziregime ondermijnden.

Maar dat nam niet weg dat de baron zich realiseerde dat hij maatregelen moest nemen om te voorkomen dat de gebeurtenissen hem zouden inhalen en alles wat in de loop van vele eeuwen en door vele generaties was bereikt, zouden wegvagen. Von der Schwechau wilde eigenlijk dat Oost-Pruisen altijd hetzelfde zou blijven. Maar als dat niet kon en de Roden het voor het zeggen zouden krijgen, moest er in elk geval elders een toekomst voor hem en zijn familie zijn. Daarom had hij eerder die zomer al een groot aantal waardepapieren, goud en edelstenen via bevriende connecties laten overbrengen naar het Zwitserse Zürich. Dat was in het diepste geheim gebeurd. Want het regime was geen voorstander van export van waardepapieren, edelmetalen en juwelen, althans als het ging om de spullen van anderen. Dan werd dat uitgelegd als uiting van gebrek aan vertrouwen in de goede afloop en konden zware sancties volgen. Als het ging om de eigen bezittingen hanteerden de kopstukken van het regime vaak andere normen. Von der Schwechau realiseerde zich dat het in deze onzekere tijden riskant kon zijn om alle kaarten op één oplossing te zetten. De Nazi’s konden misschien nog druk op de Zwitsers uitoefenen om tegoeden of delen daarvan aan hen over te dragen. Nog groter was het risico dat de geallieerden na een door hen gewonnen oorlog druk op Zwitserland zouden uitoefenen om Duitse tegoeden te laten bevriezen. Daarom was Ferdinand von der Schwechau vastbesloten om de risico’s te spreiden. En daarom gaf hij zijn paard die zomerse middag flink de sporen. Onderweg kwam hij nog enkele keren kleine groepjes Duitse en buitenlandse landarbeiders tegen. Zonder aandacht aan hen te besteden reed hij door. Na enige tijd doemde een gemengd bos op, centraal gelegen op het landgoed. Het eigenlijke doel van de rijtoer kwam in zicht.

De baron volgde een karrespoor dat hem diep het bos in leidde. Na ongeveer anderhalve kilometer kwam hij bij een viersprong. Hier boog Von der Schwechau af naar links. De vegetatie was op deze plek zeer dicht. De baron koesterde dit gedeelte van het bos, omdat het goede schuilmogelijkheden bood aan elanden, edelherten en wilde zwijnen. Net als de meeste andere mannen van zijn stand was de baron een fervent jager. Hij besefte dat de wildstand en dus ook de jacht, gebaat waren bij een omgeving die de dieren de mogelijkheid bood om in alle rust nakomelingen te krijgen en groot te brengen. Een rotte wilde zwijnen scharrelde aan de kant van het steeds smaller worden bospad naar insecten. Wilde dieren zijn geneigd om ruiters niet als gevaar te zien. Daarom lieten de wilde zwijnen zich nauwelijks afleiden door de baron op zijn paard. Pas op het allerlaatste moment stoven ze, achter elkaar rennend het dichte kreupelhout in.
Bij een berk met een wat dikkere stam hield Von der Schwechau halt. Hij steeg af en bond Adelar vast aan de boom. Hij aaide het dier even geruststellend over de neus en haalde toen de pioniersschop uit de rechterzadeltas. Vervolgens liep de baron om het paard heen om bij de andere zadeltas te komen. Na even spiedend om zich heen te hebben gekeken diepte hij uit deze zadeltas een juten zak op waarin een kleine loden kist was opgeborgen. Hij voegde een veldfles met water bij het kistje. Met in zijn linkerhand de schop en in zijn rechterhand de juten zak met daarin het kistje en de veldfles, liep Ferdinand von der Schwechau voorzichtig het bos in. Hij zorgde ervoor dat hij geen takken brak of met zijn laarzen de laag bladeren omwoelde die een groot deel van de bodem bedekten. Gelukkig had het de laatste tijd niet al te veel geregend, waardoor de bodem niet erg modderig was. Door voorzichtig en hier en daar zigzaggend te lopen slaagde de baron erin op met mos bedekte of stevige, niet met bladeren bedekte bodem te blijven, waardoor hij nauwelijks sporen achterliet.
Zo bewoog hij zich enkele honderden meters dwars door het bos, totdat hij op een open plek kwam. Aan de kant van deze open plek lagen bladeren. In het midden was de grond wat zanderiger en daardoor geschikt voor de bedoelingen van de baron. Von der Schwechau legde de zak met het kistje voorzichtig neer. Hij keek goed om zich heen of hij niemand zag en luisterde aandachtig. Behalve het brommen van duizenden vliegen in het kreupelhout en het gekwetter van zangvogels hoorde hij niets. Ook de wilde zwijnen die hij eerder op het bospad had gezien, vertoonden zich niet meer. Het stelde hem gerust dat hij ook nergens de waarschuwingsroep van een kauw of Vlaamse gaai hoorde. Het leek erop dat hij echt alleen was. De baron begon aan de rand van de kleine open plek te graven. Eerst ging het goed, maar het werd al snel moeilijker. Er zaten aardig wat vertakkingen van wortels van bomen en struiken in de grond. Het was lastig om daar doorheen te komen. De baron merkte nu wel dat hij ruim vijftig was en dat hij de pioniersschop niet meer zo energiek kon hanteren als hij vlak voor het begin van de Eerste Wereldoorlog tijdens de officiersopleiding had gedaan. Zijn ruiterjasje hing de baron al gauw over een boomtak en de mouwen stroopte hij op. Af en toe nam hij een slok water uit de meegebrachte veldfles en wiste hij zich met de rechterhand het zweet van het voorhoofd. Vervelende bijkomstigheid was dat de geur van transpiratie ook steekvliegen aantrok. De baron moest regelmatig om zich heen slaan om zich de beesten van het lijf te houden. Het lukte niet altijd en soms voelde hij een vervelende pijnscheut. Na ongeveer twintig minuten zwoegen was Von der Schwechau erin geslaagd om een gat van ruim een halve meter breed en een halve meter diep te graven. Voorzichtig liet hij het loden kistje in het gat zakken, waarna hij het gat weer dichtgooide. Af en toe hield hij op om zich ervan te overtuigen dat hij niet werd bespied. Er was niets bijzonders te merken. Von der Schwechau was alleen in het zomerse bos.
Nadat het gat was dichtgegooid, bedekte Von der Schwechau het met oude herfstbladeren. Hij zorgde er voor dat het door hem bedekte stuk naadloos aansloot op de met oude bladeren bedekte bodem die de open plek omgaf.
Nadat hij zijn werk had voltooid, strekte de baron zijn rug, nam nog een paar teugen water uit zijn veldfles en trok zijn jasje weer aan. Ook op de weg terug naar het bospad bleef hij behoedzaam en deed hij er alles aan om sporen ook nu weer zoveel mogelijk te vermijden.

Op het bospad stond Adelar nog geduldig te wachten. De baron stopte de jute zak met daarin nu nog alleen de veldfles in de linker zadeltas. Daarna liep hij om het paard heen om de pioniersschop in de andere zadeltas op te bergen. Hij wachtte nog even met het dicht gespen van de tas. Eerst maakte hij de buikriemen van zijn paard los om ze daarna iets strakker te kunnen aantrekken. Door de inspanning van de handeling merkte hij in eerste instantie niet op dat er beweging was bij een groep rododendrons achter hem. Een voorovergebogen gestalte sloop vanachter de struiken op de baron toe. Toen Von der Schwechau zich bewust werd van een lichte beweging achter zich en zich omdraaide was het al te laat. Een gerichte vuistslag trof hem midden in het gezicht. Door de onverwachte klap viel de baron languit achterover op het bospad. Hij tastte naar zijn gebroken neus waar het bloed uitstroomde. Enigszins versuft krabbelde hij overeind. Toen hij het gezicht ophief zag hij zijn belager langzaam op hem af lopen. In de rechterhand droeg hij de pioniersschop die de baron losjes in de zadeltas had gestopt. Von der Schwechau deinsde achteruit, waarbij hij zijn evenwicht verloor over een boomstronk. Weer lag de baron op zijn rug. Opnieuw probeerde hij zich op te richten. Een harde trap van zijn belager tegen de linkerschouder voorkwam dat hij daarin slaagde. Normaal gesproken was Von der Schwechau geen bange man. Zijn leven lang was hij nooit zijn verantwoordelijkheden uit de weg gegaan en conflicten had hij nooit geschuwd. Tijdens de vorige oorlog had hij aan het front in Vlaanderen en later in Noord-Frankrijk in zeer bedreigende omstandigheden moed en inzicht getoond. Maar nu, in dit normaal zo vertrouwde en stille bos op zijn eigen landgoed was de baron zich bewust van een gevoel van dreiging en angst dat hij nooit eerder zo intens had ervaren. De baron besefte instinctief dat hij geen regie had over wat er nu ging gebeuren. Zijn belager stond intussen boven hem, de arm met daarin de pioniersschop hoog opgeheven.
...
4 Sterren
Waar fictie en geschiedenis samenkomen - 03.05.2026
Nicolle Robeerts

Een heerlijk boek om te lezen. Ik heb het in (bijna) één adem uitgelezen. Het is dan wel fictie maar door de realistische vertelling word je in het verhaal gezogen. Je staat naast de hoofdpersoon en maakt alles mee. Simpel ogende keuzes, of onschuldige uitspraken tegen de verkeerden kunnen buiten proportionele gevolgen hebben. De manier waarop niet alleen het onderzoek maar ook de tijdgeest zijn beschreven maken dat in dit boek alles samenkomt. Dat maakt dat dit boek een hele nieuwe en dimensie is in het wereld van de misdaadromans.

Misschien vind je dit ook leuk :

Cover: Land van donkere wouden

Cees Prins

Avonturen van een Siberische poes

review:
*verplichte velden