Het bed in de stal

Het bed in de stal

Els Bouma


EUR 16,90

Formaat: 135 x 215
Pagina aantal: 224
ISBN: 978-3-99107-132-7
Publicatie datum: 19.08.2020
Het Bijbelverhaal over de verloren zoon is alom bekend. In haar roman Het bed in de stal beschrijft Els Bouma hoe de vader niet één maar twee verloren zoons terug in zijn armen sluit, en hoe uiteindelijk het goede in de mens overheerst.
Er leefde eens, heel lang geleden een koning. Hij was de koning van een prachtig, rijk en welvarend land. Het land had schitterende bossen en mooie bergen. Het land had sprankelende blauwe meren, waar het water heerlijk fris en schoon was, zodat de mensen daarin konden zwemmen. Veel mensen met hun kinderen deden dat. Heerlijk in de vele vakanties, bruinverbrand en gezond. Met hun kinderen spelen, zandkastelen bouwen van het mooie witte zand en luieren, genieten van een kampvuurtje in de avond en zingen en lachen.
Zo wilde de koning het graag voor de mensen in zijn land. Hij vond het heerlijk als het goed ging met zijn mensen en kon uren kijken naar die gelukkige gezinnen. Iedereen was even rijk en alles was eerlijk verdeeld. Er was dan ook niemand jaloers op een ander en er waren geen dieven of bedriegers.

Zo was het in het begin, maar langzaamaan veranderde alles. Dat kwam doordat sommige mensen ondankbaar werden en meer wilden hebben dan de andere. Ze wilden rijker worden en waren niet zo tevreden meer. Ze werden hebberig en soms zelfs gemeen.

De koning was erg aardig, maar hij had wel een hekel aan onrecht. Als er recht gesproken moest worden - want dat deden de koningen nog in de tijd van dit verhaal - dan was deze koning heel erg streng. Hij vond het vreselijk als mensen andere mensen kwaad deden en stalen, pestten of zelfs vermoordden, dat bestrafte hij met zware straffen. Als je iemand vermoord had, kreeg je zelf de doodstraf en als je iets gestolen had, of iemand bedroog, dan werd je hand eraf gehakt. Bij pesten of uitschelden werd je een hele dag in het schandblok op het marktplein gezet. En dan mochten de mensen jou uitschelden en met vieze dingen gooien, zoals rotte tomaten.


De koning hield erg veel van zijn volk en vroeger ging hij altijd wandelen in de stad of bij de boerderijen. Dan stond hij altijd wel stil om een praatje te maken en de mensen hielden erg veel van hun koning.

Maar steeds vaker gebeurde het, dat de mensen geen tijd hadden om een praatje met de koning te maken. Dan hadden ze het te druk met werken, of feestvieren of geld tellen. En als de koning daarbij probeerde te zijn, kreeg hij het gevoel dat de mensen dat eigenlijk niet wilden.
En dat gevoel klopte wel, want de mensen die feestvierden, wilden bijvoorbeeld veel drinken en dronken worden en ze hadden dan het gevoel dat de koning dat niet goed vond. En dus wilden ze maar liever dat hij wegging.
En zo ook met geld tellen. Soms hadden de mensen meer geld dan ze met werken verdiend hadden. Ze hadden wat in hun zak gestopt wat niet van hen was, of ze hadden iemand een beetje opgelicht. Ze deden bij de ambtenaren van de koning die belasting kwamen ophalen dan of ze heel arm waren, en ondertussen hadden ze veel geld verstopt. Het was dus niet de bedoeling dat de koning zag hoeveel geld ze echt hadden. De mensen zelf vonden dat helemaal niet erg. In hun ogen waren ze eerlijk en bedrogen ze niemand, maar als de koning over hun schouder keek, voelde dat toch anders.

Omdat de koning voelde dat de mensen eigenlijk helemaal niet met hem wilden praten, besloot hij maar niet meer te gaan wandelen. Hij bleef voortaan in zijn paleis en wandelde in de tuin. Maar hij had er wel erg veel verdriet van. De mensen zagen de koning nu helemaal niet meer en ze waren daar best opgelucht over. Ze deden lekker hun eigen dingen en trokken zich niks meer aan van de koning.

Behalve als iemand iets slechts had gedaan. Dan sleepten ze die persoon naar het paleis waar de koning dan recht moest spreken en straffen moest geven. En natuurlijk zorgde de koning dat het land goed geregeerd werd en de vijanden het land niet binnen konden komen. Maar daar dachten de mensen niet eens over na. De koning was iemand die heel ver weg was en als je met hem te maken kreeg, was het niet best. Al gauw kende niemand de koning meer echt. Ze wisten niet eens meer hoe hij eruitzag. En ze waren eerlijk gezegd alleen maar bang voor de koning.

Heel vroeger, toen de koning voor het eerst niet meer ging wandelen in de stad, had hij nog een brief laten schrijven en deze laten voorlezen door een heraut. Ook had hij deze brief laten opplakken bij de grote put in het midden van het marktplein, waar iedereen van de stad water kwam halen. In die brief stond dat de koning nog steeds van zijn mensen hield en dat hij nog steeds heel graag met ze wilde praten, maar dat hij het gevoel had dat iedereen het te druk had. Maar dat, als er iemand gewoon een praatje wilde komen maken, die gewoon naar het paleis kon komen. De koning wilde dat erg graag. Er waren ook nu nog wel mensen die goed over de koning dachten en zijn wandelingen misten, maar om zomaar naar het paleis te gaan, nee dat durfden ze toch niet.

Nu lijkt het net of de koning heel eenzaam was, maar dat was niet zo, hoor. In zijn paleis kwamen de hele dag mensen.


Edelen, jonkvrouwen en ridders. En hij had natuurlijk heel veel lakeien, koks, tuinmannen en poetsvrouwen. Mensen die bedienden en de was deden en noem maar op. Met die mensen maakte de koning heel vaak een praatje. Hij sprak net zo vaak met een prachtig aangeklede edele, als met een poetsvrouw. De mensen die in het paleis werkten hielden allemaal heel erg veel van de koning.
Maar er was iemand waar de koning helemaal dol op was. De kroonprins. Samen deden ze alles. Ze aten samen, praatten heel veel, deden spelletjes en lachten. En af en toe huilden ze ook samen. Vooral als er weer een rechtszaak was geweest en de koning straf had moeten uitdelen. Want dat vond hij verschrikkelijk.

Op een dag zei prins Johan, want zo heette de kroonprins: “Vader, ik heb een idee. U was vroeger vaak in de stad, maar ik ben daar nog nooit geweest. Ik ben eigenlijk alleen maar in het paleis of ik reis naar verre landen, maar ik ken de mensen van ons eigen land niet eens. Ik zou weleens een bezoek aan onze hoofdstad willen brengen. En misschien met wat mensen willen praten.”
“Dat is een goed idee,” zei de koning. “We zullen het eens aan de burgemeester voorleggen. Ik denk dat de mensen het ook weleens leuk zullen vinden om jou weer te zien. Ze hebben je alleen gezien als klein jongetje. En ze zien je hoofd op de munten, maar ik moet zeggen dat die munten niet goed gelukt zijn.”
Samen moesten ze erom lachen, want het hoofd van de prins op de muntjes zag er nogal mislukt uit.

De burgemeester vond het een geweldig idee en ging direct aan de slag. Hij zorgde ervoor dat alle zwervers en bedelaars en ook alle zieke en arme mensen in straatjes werden opgesloten waar de prins niet zou komen. Hij liet de straat waar de prins doorheen zou komen schoonmaken en de huizen opknappen en zette zelfs bakken met bloemen langs de weg. De rijke mensen en de mensen met een eigen zaak, zoals de schoenmaker, de smid en de bakker, om zo maar wat mensen te noemen, kregen de opdracht om netjes aangekleed en schoon en vooral ook blij aan de kant van de weg te staan en met kleurige doeken te zwaaien als de prins langskwam. En ook moesten ze ‘hoera’ roepen. Het werd zelfs een keer geoefend.

En toen was het zover. De prins kwam op zijn witte prachtige paard voorbij en om hem heen waren allemaal stoere ridders in prachtige kleding. De mensen die aan de kant van de weg stonden, zwaaiden netjes met hun kleurige doeken en riepen “hoera!”. Ze konden de prins bijna niet zien, want de burgemeester had ervoor gezorgd dat er allemaal soldaten langs de kant van de weg stonden, om de boel netjes te laten verlopen.
De prins keek rond en zag alleen maar rijke mensen in mooie kleren en prachtige huizen. En hij vroeg zich af of de hele stad zo was, of dat dit een soort toneelstukje was. Eigenlijk wilde hij van zijn paard afstappen en met de mensen praten, maar dat kon niet, want daar was geen tijd voor. De burgemeester had een heel strak plan gemaakt voor de dag. Eerst door de dure, opgeknapte straten rijden, dan naar het stadhuis voor een uitgebreide lunch, daarna nog naar een mooie boerderij net buiten de stad en dan naar de woning van de burgemeester waar een heerlijk diner werd gegeven. De koks waren al dagen bezig iets lekkers te maken. De burgemeester had het wel enorm druk gehad.

Plotseling hield de prins stil. Hij keek in een zijstraatje. Daar stonden ook mensen, maar die riepen niet echt wat en ze zagen er ook veel minder rijk uit. Eigenlijk wilde prins Johan daar weleens kijken, maar de burgemeester pakte de teugels van het paard van de prins en zei:
“Er is geen tijd om alle straten van de stad te bekijken, hoogheid. Ik stel voor dat u een andere keer die straten bekijkt.” En handig stuurde hij het paard verder door de rijke straat.

In een andere straat, bij een bakkerij in de buurt, stonden wat arme mensen en bedelaars. Zij mochten niet in de buurt van de prins komen, maar eigenlijk wilden ze dat ook helemaal niet. Wat kon hun die prins schelen.
Jan Bedelaarszoon keek met een rammelende maag de bakkerij in. Wat rook het hier toch altijd heerlijk. Hij had al een paar dagen helemaal niks gegeten en hij was in de problemen. Zijn vader had hem het huis uitgegooid en gezegd dat hij pas terug mocht komen als hij iets gestolen had. Jan had de fijne kneepjes van het stelen en zakkenrollen van zijn vader geleerd. Al vanaf dat hij een heel klein jongetje was, had zijn vader hem meegenomen om te stelen. Maar toen Jan groter werd, begreep hij dat stelen slecht was. En hij wilde dat niet meer. Hij had er een hele erge ruzie om gehad met zijn vader en uiteindelijk was hij de straat opgegooid. En nu mocht hij pas weer thuiskomen als hij iets gestolen had. Jan miste zijn moeder en zijn kleinere broertjes en zusjes. Niet zijn vader, want die was vaak dronken en dan sloeg hij iedereen.
De geur van vers brood kwam de bakkerij uitdrijven en kriebelde in de neus van Jan.


Hij had zo'n honger. Zou hij? Hij keek eens om zich heen en zag dat er niemand op hem lette. Er lagen wat broden, die net uit de oven kwamen, te dampen op roosters. Het was zo simpel om een brood te pakken en dan gewoon hard naar huis te rennen. Dan had hij gestolen en kon hij weer thuiskomen. Maar eerst zou hij een stuk van het brood afbreken en in zijn mond stoppen. Het water liep Jan in de mond. Heel voorzichtig glipte hij door het openstaande raam. De luiken waren er niet voor dicht gedaan en iedereen was natuurlijk bij die prins kijken.
In de bakkerij stond Jan even stil en keek om zich heen. En voetje voor voetje sloop hij daarna verder in de richting van het brood. Hij pakte er één, het was nog warm, en liep toen snel terug naar het raam. Maar plotseling klonk er een stem.
“Hey, wat moet dat daar? Lelijke gauwdief.” Van schrik liet Jan bijna het brood vallen. Hij drukte het nog wat steviger tegen zich aan. De bakker stond, met prachtige kleren aan, opeens midden in de bakkerij. Hij had het wel gezien met die prins en was naar zijn winkel teruggekomen. En laat hij daar nou zo'n smerige bedelaar aantreffen. Met één stap was hij bij Jan en hij pakte hem bij zijn kraag.
Maar Jan, bang als hij was, was plotseling weer wakker. Als de bakker hem vast zou houden, kwam hij voor de koning. En dan moest zijn hand eraf. In paniek rukte hij zich los. De bakker had hem in de gauwigheid niet zo goed vast kunnen pakken en de kleren van Jan waren zo versleten, dat de kraag afscheurde. Jan klemde het brood onder zijn arm en nam een sprint naar de openstaande deur, waar de bakker door binnen was gekomen. En even later rende hij door de straten en stegen, met de bakker op zijn hielen, die uit alle macht liep te roepen: “Houd de dief!”
Mensen probeerden Jan tegen te houden, maar die was zo vlug en glibberig als een aal en glipte langs alle handen die hem probeerden te grijpen. Hij sprong over benen heen van mensen die probeerden hem te laten struikelen en glipte zelfs langs soldaten, die een straat stonden te blokkeren.

Misschien vind je dit ook leuk :

review:
*verplichte velden