Familieoffer
EUR 19,90
Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 214
ISBN: 978-3-7116-0821-5
Publicatie datum: 18.06.2025
Heroïsch is de vader die zijn kwetsbaarheid offert, zijn leerboek is de zoon. De verstandige zoon schuwt zijn vaders wijze onderwijs niet. Immers, beiden leren het geheim van de kracht van gehoorzamen:, luisteren.
Het heden
De tijd van begrip, weliswaar doorkneed met nuchter verstand in het motief over de dood, doorkruiste hij niet zonder gevecht. In rechtvaardige strijdershouding verzette hij zich tegen een onzichtbare wond, zo nauw verbonden dat de dood hem trachtte te strikken in een leugen, ver afgedwaald van de waarheid, het leven. Na een tijd van rusteloze omzwervingen, en dankzij het geloof en schatgraven in de bijbel, behaalde hij een glorieuze overwinning. Zonder moeite van opgekropt verdriet, noch pijn in het hart, noch sporen van bitterheid tegen de omgeving als tegen hemzelf, sprak hij kostelijk vrijmoedig over zijn genezen wond. Meer stoeiend verontrustte het niet-begrijpen hoe laag het strijdniveau van zijn vrouw was gedegradeerd in het aangrijpen van bereikbare mogelijkheden, die volop om haar heen leefden. Springlevend elk uur van de dag en nacht. In haar volle bewustzijn koos zij voor de dood. De greep in de intensiteit van haar verdriet liet duidelijke sporen achter hoe doortastend haar eigen opgezette valstrikken van het pijnlijk verleden haar vasthielden. Met lede ogen bemerkte hij haar vlucht van elke realiteit. Ze vluchtte van hem, vluchtte van haar kind, en het zou hem niets verbazen als ze ook vluchtte van zichzelf. Nu stond hij daar aan het voeteneind van haar sterfbed. Machteloos, hulpeloos. Zijn strijdwapens, en God kende zijn liefde voor zijn vrouw, leken niet geducht te zijn tegen haar onverzettelijke koestering naar de dood. God Zelf opende Zijn volgende woorden aan hem:
”Dood en leven zijn in de macht der tong, wie aan haar toegeeft, zal haar vrucht eten.”
Door het lezen van deze onverzetbare woorden erkende hij zijn machteloosheid. Dit was wat zijn vrouw deed de afgelopen vijftien jaar. Met haar eigen tong opende zij de macht voor de overheersing van de dood. En het gebeurde op ditzelfde ogenblik toen zijn strakke blik op haar slapend gelaat nog beter besefte wat Gods woorden inhield, haar verlangend, verdorven hart, at zij nu haar vrucht, de dood.
”Wat is toch het gewin, triest toch,’ dacht hij verdrietig, ’waarom greep zij niet de kans aan om te kiezen voor het leven en zo ook voor haar huwelijk en enig zoon?’
Waarschijnlijk bemerkte ze in haar slaap zijn onverwachtse aanwezigheid en opende verschrikt haar ogen. Hij verroerde zich niet en zei ook niets. Huiver bekroop zijn rug. Wat moest hij nog zeggen? Wat wilde ze nog van hem? Nutteloos en onbehaaglijk stond hij op zijn benen. Hoe zwak zij zich liet vertroetelen door de kracht van de dood, besefte ze in vol bewustzijn zijn roerloze blik en negeerde het. Zonder druppel schuldgevoel zei ze zwak:
”Ik zie, Junior heeft zijn taak vervuld. Dank je voor je komst.”
Hij antwoordde niet. Huiver, verbijstering hielden zijn gedachten vast hoe fanatiek en energiek haar leven toen was en bewust in de omhelzing van de dood alles langzaam uit haar bestaand leven wegzoog. Haar doffe donkerblonde haar aanschouwde armoedig bij haar eens levendig, energieke, verfijnde gelaat. Eens sprak hij hoofdschuddend tot zijn eigen spiegelbeeld over haar begeerlijk lichaam: ’Tsss, wat een lichaam, nog volmaakter dan een zandloper,’ en dan overdreef hij niet. Hoe vaak hij al niet voor grijpgrage mannenhanden moest vechten voor bescherming van dit kostbare, wonderschone lichaam. Plots drong hem een andere vraag in zijn gedachte: is de dood werkelijk de gemakkelijke oplossing? Hoeveel weegt de waarde van het leven? Het leek of deze vraag hem wakker schudde uit zijn analyses.
”Wat doe ik hier?” vroeg hij bijna onvriendelijk.
Tijdens haar onverwachts bezoek in Nebraska waar haar echtgenoot woont, verbleef hun zoon in Canada. Onverbloemd onthulde hij haar liefdeloosheid. Wat wist zij van de afgelopen vijftien jaar van haar zoon, die schrijnend hunkerde naar zijn moeder? Eens huilde hij voor een lieve moeder, nu leek het vanzelfsprekend zonder moeder te moeten leven. Zijn belangrijkste voorstel voor verzoening weigerde ze definitief volmondig. Zijn laatste strijdwapen, vergevingsgezindheid, bood hij aan, tevergeefs.
”Je bent alleen”, raspte ze hees.
Nu verloor hij alle beheersing en zijn woede barstte los. Zijn oude wond geheel gesloten, doch het opgekropt niet-begrijpen van haar waardige strijdlust, energieke levenslust triggerde hem.
”Jij bent werkelijk een lafaard, Elizabeth. Jij bent echt de gemeenste vrouw die ik ooit heb gekend. Jij troost nog liever een dode, dan van levenden te genieten. Ik weet waarom jij danst met de dood. Je hebt het mijn moeder nooit vergeven en ik blijf het zeggen: zij is onschuldig!”
Met haar resterende leven, voldoende krachtig, priemden ijskoude blikken in zijn woedende ogen.
”In alles heb je gelijk, Tobey, ik ben een lafaard, niet-vergevingsgezind en dans met doden.”
Elizabeth zuchtte. Ze was het levende leven zat. Vermoeid draaide ze haar hoofd naar het raam in de begroeting van de strakke hemel, doch niets daarvan bracht haar onder de indruk.
”Ik ken jou, Tobey, je hoort bij mij”, zei ze zonder haar hoofd om te wenden.
”Ik ben dan wel traag van begrip, Ell, jij bent werkelijk een sluwe vos. Ben je tevreden met jouw doodswens? Overigens, ik heb Junior afgeraden Olivier te bellen”, zei hij op stevige benen.
Elizabeth forceerde een ironisch glimlachje op haar uitgeholde wangen.
”Jíj hoort met mij op papa’s ranch”, hijgde ze opgewonden. ”Jammer van Junior…”
”Zo gewiekst ben jij! Laat me jou wakker schudden, Ell, met al jouw verlangen naar de dood en wraakzuchtigheid is desondanks Fork Ranch, onze zoon, geboren, geloof het maar.”
Daar stokte Elizabeth en zweeg keihard.
”Mijn God, mens, je deed het alles met voorbedachten rade. Weet je, je bent echt ziek in je hoofd! Je bent niet goed snik! Waar jij je allemaal mee bezighoudt!” riep hij radeloos uit. Plotseling verscheen de nietsvermoedende oncoloog in de ruziemakende kamer. Zwijgzaam liep ze rechtstreeks naar Elizabeth en luisterde met haar stethoscoop op Elizabeths borst.
”Heeft u pijn, mevrouw Johnson?” vroeg de oncoloog.
Elizabeth schudde zwakjes haar hoofd tot grote verachting van Tobey die deze hele absurde charade ontvluchtte naar de gang. Machteloosheid bekroop hem vergezeld van een gekietelde tong om de Allerhoogste te beledigen zelfs maar in mompelend gevloek. Zo razend was hij. Precies op tijd verloste de komst van de oncoloog zijn geduchte, slibberige tong.
”Meneer Johnson, uw vrouw wenst geen reanimatie…”
”Logisch niet, dok, voor iemand die de vrucht van de dood reeds jaren heeft gegeten!”
Boos stapte hij de kamer binnen, terwijl de oncoloog hem geschokt nakeek. Voor het amper resterende leven wat nog in Elizabeth rustte, sliep ze weer. Opgewonden bleef hij staan bij het voeteneind, hoewel hij dondersgoed besefte van het onnut haar nog verder uit te foeteren. Om haar de dag van het leven te besparen, vond hij enige opluchting bij het raam. Ver beneden hem bewogen miniatuur autootjes, kleine mensjes, kleine boompjes die eveneens de miniatuur grasvelden omheinden. Van bovenaf leek alles precies in het sprookje van Gullivers reizen. Gulliver de ’reus’ gevangen door een lilliputtervolk. ”Bij God zo niet!” mompelde hij vastgrijpend in nuchterheid aan het leven in een kamer plotseling geurend naar de wrange doodsmaak. Opnieuw aanschouwde hij zijn eens liefhebbende vrouw. Onbegrijpelijk, hoe onbezonnen en onbevreesd zij hunkerde naar de valstrikken van de dood. Haar verharde hart omhuld met een vreemde, dodelijke ziekte in dit onwenselijke ziekbed en haar eens gezond, bekoorlijk lichaam veranderde in een verschrompeld iets wat alleen de keuze naar de dood kon veroorzaken…
Lief dagboekje, juni 1962
Mijn naam is Tobey Johnson, vierendertig jaar.
Aangevuurd door nieuwsgierigheid prikkelt het mijn gedachten tot in mijn diepste geheimen, zover ik ze kan herinneren, in de verste uitdaging bloot te stellen op nu nog papierblanke bladzijden en straks ordelijk volgeschreven met zwarte inktletters. Geen eerzucht vervult mijn ziel jouw lege bladzijden te vullen, slechts betrouwbare, waargebeurde avonturen. Nog onbetrouwbaar in het navigeren en standvastig koers houden van mijn eenvoudige pen speur ik dapper rond in het voor mij niet onbekende, rijkelijk voorziene e alfabet. Een bordje vol met letters die ik in de schoot geworpen kreeg door mijn lieve vader. Ook mijn grootste held, betovergrootvader Opa Young Jack, was hieraan debet.
Lief dagboekje, vele mijlen heb ik vlijtig mijn gedachten doorvorst mij een dagboek toe te eigenen. Desalniettemin, ik stootte tegen verbazingwekkende feministische allure en vroeg mij af of ik worstelde met mijn mannelijke individu. Pubermeisjes spannen immers de kroon in volharding hun dagboek vol te kriebelen met hun hartstochtelijke dromen en diepste geheimen. In ernstige zorgvuldigheid besloot ook ik, net als zij, het pad te volgen, daarbij heb ik serieus nagedacht over de krachtige reden van het schrijven. Ik steun weliswaar nu nog op een waagstuk en probeer onheilen te voorkomen, doch slechts één reden valt mij telkens voor de voeten: eenzaamheid. En hier ben ik, een eenzame getrouwde man op zoek naar aanspraak.
Mijn vrouw Elizabeth, mijn lieve schat, een bron van bruisend leven, vulde mijn hart waar geen menselijk brein iets aan hoefde toe te voegen. Eerder onbezonnen sprong ik samen met haar van de hoogste bergtop, ziedende stormen trotserend. We doorkliefden hoog opzwellende woeste golven. Na elke overwonnen strijd laafden we verkoeling in stille valleien, een onvoorstelbare plek van opspringende bronnen van rust. Onbetwist in vol vertrouwen zetten we ons huwelijksleven in de waagschaal. Onoplettendheid of noem het argeloos, verschenen onaangekondigd dreigende duistere wolken rondom ons warm nestje. Heftige woedende donderslagen schudden ons fundament, barsten en scheuren spaarden onze kwetsbare paradijselijke muren niet. Het geluk in ons huwelijk bleek niet opgewassen te zijn tegen een onherstelbaar feit, verdriet over de dood. Nooit durfde ik verwachten noch bedenken hoe Elizabeth de dood prees, terwijl het leven zoveel hoop en genezing aanbiedt. Hartstochtelijk zoekend naar mogelijkheden om haar dwaze dromen te verwezenlijken, stuitte ze op het verleggen van onmogelijke grenzen. Met diepe smart en lede ogen doorkruiste ik samen met Elizabeth een eveneens hulpeloze wereld. De meest gevreesde vijand, de dood, ontwortelde de geloofwaardigheid van ons huwelijk en vervuld met droefheid scheiden onze wegen. Dankzij haar baas William kreeg Elizabeth eindelijk de doorbraak van haar dwaze droom. In zijn sluwigheid creëerde hij van haar een onomstotelijke carrièrevrouw in een harde zakenwereld waar ik geenszins, in geen enkel opzicht, een kundige in ben. In voorbedachte rade ondertekende Elizabeth een gevaarlijk contract buiten mijn medeweten met als doel haar rusteloosheid te bevredigen, het blijven verkassen van de ene naar de andere hoek in deze ellendige wereld. Ik zou gaarne deze verdorven wereld willen vervloeken, maar ter wille van Gods kinderen houd ik verstandig mijn lippen op elkaar. Heus, stil dagboekje, het doorkruisen van een gigantische wereld samen met een geslepen vrouw hield ik voor lief. Hoe vreemd toch, dagboekje, gebonden te leven met een fantastische vrouw en toch, ik kan niet anders zeggen: ik ben eenzaam.
Maar zie, in de hemel en hier op aarde, leeft God de Almachtige en ik geloof in Zijn wonderen.
Dagboekje, augustus 1962
Mijn bijna verloren hart sprong op van opborrelende blijdschap toen Elizabeth monotoon de blijde boodschap verkondigde van haar zwangerschap. Hoe wij beiden in een overeenkomstige overtuiging leefden, dat ons een zoontje zou geboren worden, was mij een raadsel. Onze trouwe vrienden wantrouwden onze diepe overtuiging en ervoeren meer een dwaze belevenis in een zweeftocht van één of andere zeepbel. Enkelen echter trachtten deze fantasierijke bubbel te doorprikken door zoveel mogelijk twijfels in ons hart te zaaien en zelfs niet terug te deinzen onze overtuiging te elimineren. Vooral Elizabeths grootmoeder schroomde zich niet. Verwaand suggereerde ze voor een joodse naam. Uiteraard wilde ik wel eens even weten waarom per se joods? Slinks of niet, zij sprak over haar grootvader, afkomstig uit de stam Levi, een rabbi, die de Thora met hart en ziel onderwees in de synagoge ergens in Amersterdam. Behalve haar hoogedele Opa wel of niet als professor praktiserend, verklaarde ze brabbelend via ingewikkelde omwegen in welke taal God Zijn schepping uitsprak. Trots zei ze: Hebreeuws. ”Absolute nonsens!” weerlegde ik. Doch in haar volharding stond het buiten kijf dat God zijn schepping in het Hebreeuws uitsprak. Ik stond in volstrekte verbijstering waarom ik geen doorbraak kreeg om haar weerzinwekkende gedachten te verijdelen. Welke en hoe ik mijn weerleggingen ook in de strijd gooide, niets hielp, zelfs niet met de hulp van mijn lieve vrouw Elizabeth. Voordat mijn wanhoop rees, vond ik een uitweg naar mijn goeie vriend die studeerde aan de universiteit in onomastiek. Heel gedetailleerd legde hij uit hoe een naam was ontstaan en waar die oorspronkelijk vandaan kwam. Mede helpend in mijn strijd overhandigde hij mij een namenboekje rijkelijk voorzien met uitleg. Opgelucht met goede moed keerde ik terug naar Elizabeth en bezigden we de juiste naam te kiezen voor ons spruitje. De ontdekking ontvouwde nadat Elizabeth en ik in een tuincentrum een olijfboom en een aantal bontkleurige Spaanse margrietjes kochten. Tegen Elizabeths wil in. Haar ogen en rusteloos hart gunden mij geen thuis. Toch verlangde ik onze karige voortuin te beplanten met de groene olijfboom en de kleurrijke bloemen. Thuisgekomen plantte ik in volle teugen van plezier meteen alles in de vruchtbare aarde en besproeide het daarna met water. Tot in de late avond zochten we naarstig naar een naam voor een nog vormloos lichaampje in Elizabeths buik. In een zonovergoten ochtend bezocht ik de voortuin starend naar de weelderige groene olijfboom en onvermijdelijk: het wonder geschiedde. Het toppunt van mijn naarstig zoeken droeg eindelijk vrucht. ’Olivier’, klonk kraakhelder in mijn hart. Zowel van schrik als onuitsprekelijke verbazing raasde ik naar binnen.
”Ell! Ell!”, riep ik. ”Ik heb de naam van onze baby gevonden!!”
”Oh, vertel”, vroeg ze bijna verrast.
”We dopen hem met de naam Olivier. Olivier is in het Latijns olijfboom, geeft economisch olie en de olijftak is het symbool voor vrede. Wel?”
”Waar haal jij deze wijsheid vandaan? Klinkt niet gek. Olivier”, herhaalde Elizabeth nadenkend en knikte goedkeurend. ”We hebben een naam, lieverd. Olivier. Olivier Johnson.”
Eindelijk, dagboekje, eindelijk rust mijn ziele gelijk het niet te meten universum. Wonderlijk hoe mijn opgewondenheid groeide over zijn veelzeggende naam. Voorts plaagden voorstellingen mijn gedachten hoe mijn ongeboren kindje te naderen, zonder enig argwaan op te wekken bij Elizabeth. Eens ik trachtte met Olivier te praten, wimpelde Elizabeth kribbig af. In grote noodzaak bereidde ik mijn plan voor in het holst van de nacht, wanneer Elizabeth haar diepste slaappunt had bereikt. Vanaf dan weerhield niets mij om Olivier de avontuurlijkste voorvadersverhaaltjes te vertellen. Diep verschanst onder de dekens waagde ik fluisterend mijn stem kenbaar te maken met veel succes. Natuurlijk gebeurde eens het onoverkomelijke. Ik werd betrapt middenin het heetst van mijn verhaal, hoe goed ik onder de dekens meende te hebben verschanst en hoe fluisterend ik hem toesprak. Elizabeths eis klonk pittiger dan een commando. Verplicht moest ik naast haar liggen en mocht haar slaapgenot niet meer storen, daarbij zei ze op strenge toon:
”De foetus is nog niet bereid in het aanhoren van jouw levenslustige verhalen.”
Weerzinwekkend klonken haar onaantrekkelijke woorden. Koppig geloofde ik diep in mijn hart, mijn zoontje zal bij zijn geboorte mijn stem herkennen, hoe dan ook…! En gelijk Don Quichot, de dwaze, idealistische molenstrijder, weigerde ik mijn geloofwaardigheid op te geven, want, zo opperde ik bij mezelf, de stem van mijn voorvaders eer zal voortleven in mijn zoon, Olivier.
O dagboekje, Oliviers geboorte was een voortreffelijk, heerlijk genot. Alles maakte ik van heel dichtbij mee. Vanaf het breken van het vruchtwater, de zenuwslopende afwachting om te persen en Elizabeth och arme al maar puffen en puffen tot het eindelijk tijd was om te mogen persen. Dan maar weer wachten en dan weer persen en ik perste van de spanning ook maar mee alsof ik degene was die moest bevallen. Uit de strenge mond van de vroedvrouw klonk iets zorgelijks. ”Als het kind langer blijft treuzelen dan wordt het moeilijker voor Elizabeth.” Meteen ondernam ik actie en sprak tot Olivier tot groot ergernis van Elizabeth. Ongestoord boog ik over haar buik en sprak hem geruststellend aan:
”Olivier, kom, laat ons jou verwelkomen, lieverd. Papa en mama wachten op je.”
Mijn volharding in de nachten mijn stem kenbaar te maken aan mijn zoon, droeg vrucht. Het kind kwam in beweging en Elizabeth perste moedig voort. Hoe wonderschoon verscheen het kleine bolletje volledig zwart gehaard, bereid om ons te begroeten. Vol verwachting en ietwat ongeduldig ontving ik Olivier, nadat ik de navelstreng mocht doorknippen met tranen en mijn pasgeboren hummeltje in mijn armen droeg. Zijn roze handje vatte mijn neus bij het herkennen van mijn stem. Reikhalzend begroette iedereen verbaasd en afgebluft ons zoontje, Olivier. Vooral Elizabeths grootmoeder, ondanks dat ze dondersgoed begreep dat de betekenis van Oliviers naam was verweven met de Joodse traditie omtrent de heilige olie in het Oude Testament, glansden haar ogen vol verachting.
Dagboekje, ik heb je zo een beetje laten kennismaken met mij, Elizabeth, ons zoontje Olivier, onze familie, vrienden en kennissen. Zelfs heb ik pogingen gezocht hoe ik jou wil invullen en in mijn sterkste bevroeden, denk ik het te hebben gevonden. Maar wat belangrijker is: mijn zoon Olivier, mijn erfgenaam zal zijn lieve ouders ontdekken wie ze zijn en zeker ook zijn voorvaders…
Dagboekje
In de late avond werden we overrompeld door harde slagregens en zwiepten harde rukwinden dikke regendruppels tegen de slaapkamerraam van mijn baby. Ik betwijfelde of de slapeloosheid van mijn zoontje werd veroorzaakt door de storm, mateloos wiegde ik hem rustig tot al zijn rusteloosheid in het niet verdween. Grappig eigenlijk, sinds zijn geboorte nadat hij naar hartenlust had gedronken, een schone luier aankreeg en ik hem na zijn boertje zonder weerstand in zijn bedje legde, was slapen een heerlijk genot. En juist deze avond eiste Olivier mijn aandacht, terwijl ik aan een voor mij zeer belangrijk project wilde werken. Met mijn neus wreef ik sussend over zijn zacht voorhoofdje en sprak hem zachtjes toe.
”Als ik iets mocht wensen, dan wenste ik voor jou eindeloze zonnestralen in een lucht blauwer dan blauw. Wat zeg je daarvan, hm?”
Klaarblijkelijk genoot Olivier van het rijmpje, een glimlachje vergezeld met sprankelende oogjes verscheen op zijn gezichtje tot plots zijn aandacht stoorde door de rinkelende telefoon. In mijn slaapkamer nam ik op.
”Met Tobey.”
”Hallo schat, hoe gaat het daar?”
Op bevel van William moest Elizabeth voor een aantal weken naar het buitenland en daar was ik helemaal niet zo gelukkig mee.
”Ja, goed. Zelfs zo goed dat onze spruit opeens niet wil wil slapen. Hm, makkertje?”
Weer wreef ik met mijn neus tegen zijn voorhoofdje. In alle ernst volgden zijn grijze oogjes ons gesprek.
”Dus dat betekent: jij werkt vanavond niet aan jouw project?”
”Plaag of bemoedig je mij?”
”Het is meer dan interesse, schat…” wist ze mij elke keer om te praten.
”Nee, niet vanavond”, zuchtte ik, ”maak je geen zorgen… trouwens…”
”Ik kom over twee weken weer thuis”, haakte ze snel in. ”Ik bel je. Oké?”
”Is goed. Ik mis je wel, wist je dat?” Ik wilde zoveel mogelijk beteuterd klinken.
”Ja, dat weet ik maar al te goed, want ik mis jullie ook…-tot gauw…- en geef Spruitje een kusje.”
”Doe ik…”, eer de rest van mijn antwoord door de hoorn klonk, barstte ongenadig de kiestoon.
”Typisch jou moeke, angst voor repliek.”
Onverstoord wandelde ik terug naar zijn slaapkamer. Voor de kalender, die ik begin januari aan de muur timmerde, bleef ik staan. Ik glimlachte.
”Je bent al drie zomerweekjes oud, kereltje. Te midden van een ruig weerbarstig onweer in jouw zomergeboortemaand, hm? Kom, laten we ons spoeden wat papa tot nu toe heeft verzameld voor zijn zeer belangrijk droomproject,” sprak ik monter. opgemonterd.
...
De tijd van begrip, weliswaar doorkneed met nuchter verstand in het motief over de dood, doorkruiste hij niet zonder gevecht. In rechtvaardige strijdershouding verzette hij zich tegen een onzichtbare wond, zo nauw verbonden dat de dood hem trachtte te strikken in een leugen, ver afgedwaald van de waarheid, het leven. Na een tijd van rusteloze omzwervingen, en dankzij het geloof en schatgraven in de bijbel, behaalde hij een glorieuze overwinning. Zonder moeite van opgekropt verdriet, noch pijn in het hart, noch sporen van bitterheid tegen de omgeving als tegen hemzelf, sprak hij kostelijk vrijmoedig over zijn genezen wond. Meer stoeiend verontrustte het niet-begrijpen hoe laag het strijdniveau van zijn vrouw was gedegradeerd in het aangrijpen van bereikbare mogelijkheden, die volop om haar heen leefden. Springlevend elk uur van de dag en nacht. In haar volle bewustzijn koos zij voor de dood. De greep in de intensiteit van haar verdriet liet duidelijke sporen achter hoe doortastend haar eigen opgezette valstrikken van het pijnlijk verleden haar vasthielden. Met lede ogen bemerkte hij haar vlucht van elke realiteit. Ze vluchtte van hem, vluchtte van haar kind, en het zou hem niets verbazen als ze ook vluchtte van zichzelf. Nu stond hij daar aan het voeteneind van haar sterfbed. Machteloos, hulpeloos. Zijn strijdwapens, en God kende zijn liefde voor zijn vrouw, leken niet geducht te zijn tegen haar onverzettelijke koestering naar de dood. God Zelf opende Zijn volgende woorden aan hem:
”Dood en leven zijn in de macht der tong, wie aan haar toegeeft, zal haar vrucht eten.”
Door het lezen van deze onverzetbare woorden erkende hij zijn machteloosheid. Dit was wat zijn vrouw deed de afgelopen vijftien jaar. Met haar eigen tong opende zij de macht voor de overheersing van de dood. En het gebeurde op ditzelfde ogenblik toen zijn strakke blik op haar slapend gelaat nog beter besefte wat Gods woorden inhield, haar verlangend, verdorven hart, at zij nu haar vrucht, de dood.
”Wat is toch het gewin, triest toch,’ dacht hij verdrietig, ’waarom greep zij niet de kans aan om te kiezen voor het leven en zo ook voor haar huwelijk en enig zoon?’
Waarschijnlijk bemerkte ze in haar slaap zijn onverwachtse aanwezigheid en opende verschrikt haar ogen. Hij verroerde zich niet en zei ook niets. Huiver bekroop zijn rug. Wat moest hij nog zeggen? Wat wilde ze nog van hem? Nutteloos en onbehaaglijk stond hij op zijn benen. Hoe zwak zij zich liet vertroetelen door de kracht van de dood, besefte ze in vol bewustzijn zijn roerloze blik en negeerde het. Zonder druppel schuldgevoel zei ze zwak:
”Ik zie, Junior heeft zijn taak vervuld. Dank je voor je komst.”
Hij antwoordde niet. Huiver, verbijstering hielden zijn gedachten vast hoe fanatiek en energiek haar leven toen was en bewust in de omhelzing van de dood alles langzaam uit haar bestaand leven wegzoog. Haar doffe donkerblonde haar aanschouwde armoedig bij haar eens levendig, energieke, verfijnde gelaat. Eens sprak hij hoofdschuddend tot zijn eigen spiegelbeeld over haar begeerlijk lichaam: ’Tsss, wat een lichaam, nog volmaakter dan een zandloper,’ en dan overdreef hij niet. Hoe vaak hij al niet voor grijpgrage mannenhanden moest vechten voor bescherming van dit kostbare, wonderschone lichaam. Plots drong hem een andere vraag in zijn gedachte: is de dood werkelijk de gemakkelijke oplossing? Hoeveel weegt de waarde van het leven? Het leek of deze vraag hem wakker schudde uit zijn analyses.
”Wat doe ik hier?” vroeg hij bijna onvriendelijk.
Tijdens haar onverwachts bezoek in Nebraska waar haar echtgenoot woont, verbleef hun zoon in Canada. Onverbloemd onthulde hij haar liefdeloosheid. Wat wist zij van de afgelopen vijftien jaar van haar zoon, die schrijnend hunkerde naar zijn moeder? Eens huilde hij voor een lieve moeder, nu leek het vanzelfsprekend zonder moeder te moeten leven. Zijn belangrijkste voorstel voor verzoening weigerde ze definitief volmondig. Zijn laatste strijdwapen, vergevingsgezindheid, bood hij aan, tevergeefs.
”Je bent alleen”, raspte ze hees.
Nu verloor hij alle beheersing en zijn woede barstte los. Zijn oude wond geheel gesloten, doch het opgekropt niet-begrijpen van haar waardige strijdlust, energieke levenslust triggerde hem.
”Jij bent werkelijk een lafaard, Elizabeth. Jij bent echt de gemeenste vrouw die ik ooit heb gekend. Jij troost nog liever een dode, dan van levenden te genieten. Ik weet waarom jij danst met de dood. Je hebt het mijn moeder nooit vergeven en ik blijf het zeggen: zij is onschuldig!”
Met haar resterende leven, voldoende krachtig, priemden ijskoude blikken in zijn woedende ogen.
”In alles heb je gelijk, Tobey, ik ben een lafaard, niet-vergevingsgezind en dans met doden.”
Elizabeth zuchtte. Ze was het levende leven zat. Vermoeid draaide ze haar hoofd naar het raam in de begroeting van de strakke hemel, doch niets daarvan bracht haar onder de indruk.
”Ik ken jou, Tobey, je hoort bij mij”, zei ze zonder haar hoofd om te wenden.
”Ik ben dan wel traag van begrip, Ell, jij bent werkelijk een sluwe vos. Ben je tevreden met jouw doodswens? Overigens, ik heb Junior afgeraden Olivier te bellen”, zei hij op stevige benen.
Elizabeth forceerde een ironisch glimlachje op haar uitgeholde wangen.
”Jíj hoort met mij op papa’s ranch”, hijgde ze opgewonden. ”Jammer van Junior…”
”Zo gewiekst ben jij! Laat me jou wakker schudden, Ell, met al jouw verlangen naar de dood en wraakzuchtigheid is desondanks Fork Ranch, onze zoon, geboren, geloof het maar.”
Daar stokte Elizabeth en zweeg keihard.
”Mijn God, mens, je deed het alles met voorbedachten rade. Weet je, je bent echt ziek in je hoofd! Je bent niet goed snik! Waar jij je allemaal mee bezighoudt!” riep hij radeloos uit. Plotseling verscheen de nietsvermoedende oncoloog in de ruziemakende kamer. Zwijgzaam liep ze rechtstreeks naar Elizabeth en luisterde met haar stethoscoop op Elizabeths borst.
”Heeft u pijn, mevrouw Johnson?” vroeg de oncoloog.
Elizabeth schudde zwakjes haar hoofd tot grote verachting van Tobey die deze hele absurde charade ontvluchtte naar de gang. Machteloosheid bekroop hem vergezeld van een gekietelde tong om de Allerhoogste te beledigen zelfs maar in mompelend gevloek. Zo razend was hij. Precies op tijd verloste de komst van de oncoloog zijn geduchte, slibberige tong.
”Meneer Johnson, uw vrouw wenst geen reanimatie…”
”Logisch niet, dok, voor iemand die de vrucht van de dood reeds jaren heeft gegeten!”
Boos stapte hij de kamer binnen, terwijl de oncoloog hem geschokt nakeek. Voor het amper resterende leven wat nog in Elizabeth rustte, sliep ze weer. Opgewonden bleef hij staan bij het voeteneind, hoewel hij dondersgoed besefte van het onnut haar nog verder uit te foeteren. Om haar de dag van het leven te besparen, vond hij enige opluchting bij het raam. Ver beneden hem bewogen miniatuur autootjes, kleine mensjes, kleine boompjes die eveneens de miniatuur grasvelden omheinden. Van bovenaf leek alles precies in het sprookje van Gullivers reizen. Gulliver de ’reus’ gevangen door een lilliputtervolk. ”Bij God zo niet!” mompelde hij vastgrijpend in nuchterheid aan het leven in een kamer plotseling geurend naar de wrange doodsmaak. Opnieuw aanschouwde hij zijn eens liefhebbende vrouw. Onbegrijpelijk, hoe onbezonnen en onbevreesd zij hunkerde naar de valstrikken van de dood. Haar verharde hart omhuld met een vreemde, dodelijke ziekte in dit onwenselijke ziekbed en haar eens gezond, bekoorlijk lichaam veranderde in een verschrompeld iets wat alleen de keuze naar de dood kon veroorzaken…
Lief dagboekje, juni 1962
Mijn naam is Tobey Johnson, vierendertig jaar.
Aangevuurd door nieuwsgierigheid prikkelt het mijn gedachten tot in mijn diepste geheimen, zover ik ze kan herinneren, in de verste uitdaging bloot te stellen op nu nog papierblanke bladzijden en straks ordelijk volgeschreven met zwarte inktletters. Geen eerzucht vervult mijn ziel jouw lege bladzijden te vullen, slechts betrouwbare, waargebeurde avonturen. Nog onbetrouwbaar in het navigeren en standvastig koers houden van mijn eenvoudige pen speur ik dapper rond in het voor mij niet onbekende, rijkelijk voorziene e alfabet. Een bordje vol met letters die ik in de schoot geworpen kreeg door mijn lieve vader. Ook mijn grootste held, betovergrootvader Opa Young Jack, was hieraan debet.
Lief dagboekje, vele mijlen heb ik vlijtig mijn gedachten doorvorst mij een dagboek toe te eigenen. Desalniettemin, ik stootte tegen verbazingwekkende feministische allure en vroeg mij af of ik worstelde met mijn mannelijke individu. Pubermeisjes spannen immers de kroon in volharding hun dagboek vol te kriebelen met hun hartstochtelijke dromen en diepste geheimen. In ernstige zorgvuldigheid besloot ook ik, net als zij, het pad te volgen, daarbij heb ik serieus nagedacht over de krachtige reden van het schrijven. Ik steun weliswaar nu nog op een waagstuk en probeer onheilen te voorkomen, doch slechts één reden valt mij telkens voor de voeten: eenzaamheid. En hier ben ik, een eenzame getrouwde man op zoek naar aanspraak.
Mijn vrouw Elizabeth, mijn lieve schat, een bron van bruisend leven, vulde mijn hart waar geen menselijk brein iets aan hoefde toe te voegen. Eerder onbezonnen sprong ik samen met haar van de hoogste bergtop, ziedende stormen trotserend. We doorkliefden hoog opzwellende woeste golven. Na elke overwonnen strijd laafden we verkoeling in stille valleien, een onvoorstelbare plek van opspringende bronnen van rust. Onbetwist in vol vertrouwen zetten we ons huwelijksleven in de waagschaal. Onoplettendheid of noem het argeloos, verschenen onaangekondigd dreigende duistere wolken rondom ons warm nestje. Heftige woedende donderslagen schudden ons fundament, barsten en scheuren spaarden onze kwetsbare paradijselijke muren niet. Het geluk in ons huwelijk bleek niet opgewassen te zijn tegen een onherstelbaar feit, verdriet over de dood. Nooit durfde ik verwachten noch bedenken hoe Elizabeth de dood prees, terwijl het leven zoveel hoop en genezing aanbiedt. Hartstochtelijk zoekend naar mogelijkheden om haar dwaze dromen te verwezenlijken, stuitte ze op het verleggen van onmogelijke grenzen. Met diepe smart en lede ogen doorkruiste ik samen met Elizabeth een eveneens hulpeloze wereld. De meest gevreesde vijand, de dood, ontwortelde de geloofwaardigheid van ons huwelijk en vervuld met droefheid scheiden onze wegen. Dankzij haar baas William kreeg Elizabeth eindelijk de doorbraak van haar dwaze droom. In zijn sluwigheid creëerde hij van haar een onomstotelijke carrièrevrouw in een harde zakenwereld waar ik geenszins, in geen enkel opzicht, een kundige in ben. In voorbedachte rade ondertekende Elizabeth een gevaarlijk contract buiten mijn medeweten met als doel haar rusteloosheid te bevredigen, het blijven verkassen van de ene naar de andere hoek in deze ellendige wereld. Ik zou gaarne deze verdorven wereld willen vervloeken, maar ter wille van Gods kinderen houd ik verstandig mijn lippen op elkaar. Heus, stil dagboekje, het doorkruisen van een gigantische wereld samen met een geslepen vrouw hield ik voor lief. Hoe vreemd toch, dagboekje, gebonden te leven met een fantastische vrouw en toch, ik kan niet anders zeggen: ik ben eenzaam.
Maar zie, in de hemel en hier op aarde, leeft God de Almachtige en ik geloof in Zijn wonderen.
Dagboekje, augustus 1962
Mijn bijna verloren hart sprong op van opborrelende blijdschap toen Elizabeth monotoon de blijde boodschap verkondigde van haar zwangerschap. Hoe wij beiden in een overeenkomstige overtuiging leefden, dat ons een zoontje zou geboren worden, was mij een raadsel. Onze trouwe vrienden wantrouwden onze diepe overtuiging en ervoeren meer een dwaze belevenis in een zweeftocht van één of andere zeepbel. Enkelen echter trachtten deze fantasierijke bubbel te doorprikken door zoveel mogelijk twijfels in ons hart te zaaien en zelfs niet terug te deinzen onze overtuiging te elimineren. Vooral Elizabeths grootmoeder schroomde zich niet. Verwaand suggereerde ze voor een joodse naam. Uiteraard wilde ik wel eens even weten waarom per se joods? Slinks of niet, zij sprak over haar grootvader, afkomstig uit de stam Levi, een rabbi, die de Thora met hart en ziel onderwees in de synagoge ergens in Amersterdam. Behalve haar hoogedele Opa wel of niet als professor praktiserend, verklaarde ze brabbelend via ingewikkelde omwegen in welke taal God Zijn schepping uitsprak. Trots zei ze: Hebreeuws. ”Absolute nonsens!” weerlegde ik. Doch in haar volharding stond het buiten kijf dat God zijn schepping in het Hebreeuws uitsprak. Ik stond in volstrekte verbijstering waarom ik geen doorbraak kreeg om haar weerzinwekkende gedachten te verijdelen. Welke en hoe ik mijn weerleggingen ook in de strijd gooide, niets hielp, zelfs niet met de hulp van mijn lieve vrouw Elizabeth. Voordat mijn wanhoop rees, vond ik een uitweg naar mijn goeie vriend die studeerde aan de universiteit in onomastiek. Heel gedetailleerd legde hij uit hoe een naam was ontstaan en waar die oorspronkelijk vandaan kwam. Mede helpend in mijn strijd overhandigde hij mij een namenboekje rijkelijk voorzien met uitleg. Opgelucht met goede moed keerde ik terug naar Elizabeth en bezigden we de juiste naam te kiezen voor ons spruitje. De ontdekking ontvouwde nadat Elizabeth en ik in een tuincentrum een olijfboom en een aantal bontkleurige Spaanse margrietjes kochten. Tegen Elizabeths wil in. Haar ogen en rusteloos hart gunden mij geen thuis. Toch verlangde ik onze karige voortuin te beplanten met de groene olijfboom en de kleurrijke bloemen. Thuisgekomen plantte ik in volle teugen van plezier meteen alles in de vruchtbare aarde en besproeide het daarna met water. Tot in de late avond zochten we naarstig naar een naam voor een nog vormloos lichaampje in Elizabeths buik. In een zonovergoten ochtend bezocht ik de voortuin starend naar de weelderige groene olijfboom en onvermijdelijk: het wonder geschiedde. Het toppunt van mijn naarstig zoeken droeg eindelijk vrucht. ’Olivier’, klonk kraakhelder in mijn hart. Zowel van schrik als onuitsprekelijke verbazing raasde ik naar binnen.
”Ell! Ell!”, riep ik. ”Ik heb de naam van onze baby gevonden!!”
”Oh, vertel”, vroeg ze bijna verrast.
”We dopen hem met de naam Olivier. Olivier is in het Latijns olijfboom, geeft economisch olie en de olijftak is het symbool voor vrede. Wel?”
”Waar haal jij deze wijsheid vandaan? Klinkt niet gek. Olivier”, herhaalde Elizabeth nadenkend en knikte goedkeurend. ”We hebben een naam, lieverd. Olivier. Olivier Johnson.”
Eindelijk, dagboekje, eindelijk rust mijn ziele gelijk het niet te meten universum. Wonderlijk hoe mijn opgewondenheid groeide over zijn veelzeggende naam. Voorts plaagden voorstellingen mijn gedachten hoe mijn ongeboren kindje te naderen, zonder enig argwaan op te wekken bij Elizabeth. Eens ik trachtte met Olivier te praten, wimpelde Elizabeth kribbig af. In grote noodzaak bereidde ik mijn plan voor in het holst van de nacht, wanneer Elizabeth haar diepste slaappunt had bereikt. Vanaf dan weerhield niets mij om Olivier de avontuurlijkste voorvadersverhaaltjes te vertellen. Diep verschanst onder de dekens waagde ik fluisterend mijn stem kenbaar te maken met veel succes. Natuurlijk gebeurde eens het onoverkomelijke. Ik werd betrapt middenin het heetst van mijn verhaal, hoe goed ik onder de dekens meende te hebben verschanst en hoe fluisterend ik hem toesprak. Elizabeths eis klonk pittiger dan een commando. Verplicht moest ik naast haar liggen en mocht haar slaapgenot niet meer storen, daarbij zei ze op strenge toon:
”De foetus is nog niet bereid in het aanhoren van jouw levenslustige verhalen.”
Weerzinwekkend klonken haar onaantrekkelijke woorden. Koppig geloofde ik diep in mijn hart, mijn zoontje zal bij zijn geboorte mijn stem herkennen, hoe dan ook…! En gelijk Don Quichot, de dwaze, idealistische molenstrijder, weigerde ik mijn geloofwaardigheid op te geven, want, zo opperde ik bij mezelf, de stem van mijn voorvaders eer zal voortleven in mijn zoon, Olivier.
O dagboekje, Oliviers geboorte was een voortreffelijk, heerlijk genot. Alles maakte ik van heel dichtbij mee. Vanaf het breken van het vruchtwater, de zenuwslopende afwachting om te persen en Elizabeth och arme al maar puffen en puffen tot het eindelijk tijd was om te mogen persen. Dan maar weer wachten en dan weer persen en ik perste van de spanning ook maar mee alsof ik degene was die moest bevallen. Uit de strenge mond van de vroedvrouw klonk iets zorgelijks. ”Als het kind langer blijft treuzelen dan wordt het moeilijker voor Elizabeth.” Meteen ondernam ik actie en sprak tot Olivier tot groot ergernis van Elizabeth. Ongestoord boog ik over haar buik en sprak hem geruststellend aan:
”Olivier, kom, laat ons jou verwelkomen, lieverd. Papa en mama wachten op je.”
Mijn volharding in de nachten mijn stem kenbaar te maken aan mijn zoon, droeg vrucht. Het kind kwam in beweging en Elizabeth perste moedig voort. Hoe wonderschoon verscheen het kleine bolletje volledig zwart gehaard, bereid om ons te begroeten. Vol verwachting en ietwat ongeduldig ontving ik Olivier, nadat ik de navelstreng mocht doorknippen met tranen en mijn pasgeboren hummeltje in mijn armen droeg. Zijn roze handje vatte mijn neus bij het herkennen van mijn stem. Reikhalzend begroette iedereen verbaasd en afgebluft ons zoontje, Olivier. Vooral Elizabeths grootmoeder, ondanks dat ze dondersgoed begreep dat de betekenis van Oliviers naam was verweven met de Joodse traditie omtrent de heilige olie in het Oude Testament, glansden haar ogen vol verachting.
Dagboekje, ik heb je zo een beetje laten kennismaken met mij, Elizabeth, ons zoontje Olivier, onze familie, vrienden en kennissen. Zelfs heb ik pogingen gezocht hoe ik jou wil invullen en in mijn sterkste bevroeden, denk ik het te hebben gevonden. Maar wat belangrijker is: mijn zoon Olivier, mijn erfgenaam zal zijn lieve ouders ontdekken wie ze zijn en zeker ook zijn voorvaders…
Dagboekje
In de late avond werden we overrompeld door harde slagregens en zwiepten harde rukwinden dikke regendruppels tegen de slaapkamerraam van mijn baby. Ik betwijfelde of de slapeloosheid van mijn zoontje werd veroorzaakt door de storm, mateloos wiegde ik hem rustig tot al zijn rusteloosheid in het niet verdween. Grappig eigenlijk, sinds zijn geboorte nadat hij naar hartenlust had gedronken, een schone luier aankreeg en ik hem na zijn boertje zonder weerstand in zijn bedje legde, was slapen een heerlijk genot. En juist deze avond eiste Olivier mijn aandacht, terwijl ik aan een voor mij zeer belangrijk project wilde werken. Met mijn neus wreef ik sussend over zijn zacht voorhoofdje en sprak hem zachtjes toe.
”Als ik iets mocht wensen, dan wenste ik voor jou eindeloze zonnestralen in een lucht blauwer dan blauw. Wat zeg je daarvan, hm?”
Klaarblijkelijk genoot Olivier van het rijmpje, een glimlachje vergezeld met sprankelende oogjes verscheen op zijn gezichtje tot plots zijn aandacht stoorde door de rinkelende telefoon. In mijn slaapkamer nam ik op.
”Met Tobey.”
”Hallo schat, hoe gaat het daar?”
Op bevel van William moest Elizabeth voor een aantal weken naar het buitenland en daar was ik helemaal niet zo gelukkig mee.
”Ja, goed. Zelfs zo goed dat onze spruit opeens niet wil wil slapen. Hm, makkertje?”
Weer wreef ik met mijn neus tegen zijn voorhoofdje. In alle ernst volgden zijn grijze oogjes ons gesprek.
”Dus dat betekent: jij werkt vanavond niet aan jouw project?”
”Plaag of bemoedig je mij?”
”Het is meer dan interesse, schat…” wist ze mij elke keer om te praten.
”Nee, niet vanavond”, zuchtte ik, ”maak je geen zorgen… trouwens…”
”Ik kom over twee weken weer thuis”, haakte ze snel in. ”Ik bel je. Oké?”
”Is goed. Ik mis je wel, wist je dat?” Ik wilde zoveel mogelijk beteuterd klinken.
”Ja, dat weet ik maar al te goed, want ik mis jullie ook…-tot gauw…- en geef Spruitje een kusje.”
”Doe ik…”, eer de rest van mijn antwoord door de hoorn klonk, barstte ongenadig de kiestoon.
”Typisch jou moeke, angst voor repliek.”
Onverstoord wandelde ik terug naar zijn slaapkamer. Voor de kalender, die ik begin januari aan de muur timmerde, bleef ik staan. Ik glimlachte.
”Je bent al drie zomerweekjes oud, kereltje. Te midden van een ruig weerbarstig onweer in jouw zomergeboortemaand, hm? Kom, laten we ons spoeden wat papa tot nu toe heeft verzameld voor zijn zeer belangrijk droomproject,” sprak ik monter. opgemonterd.
...

