De winter, stapvoets
Roman
EUR 21,90
Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 344
ISBN: 978-3-7116-0051-6
Publicatie datum: 22.08.2024
Onthullend verhaal over de ervaringen van een intelligente maar eenzelvige adolescent die rond 1975 moet overleven onder de vele prikkels van emotie, moraal, frustratie en herinneringen.
VOORAF: DE WINTER EN ALEXIS
Het is winter buiten, en koud. Dat belooft voor eindejaar. Misschien wordt het dan toch een ongewone winter, een echte winter – eindelijk – en niet dat fletse gebeuren van de laatste jaren, met veel kille regen en dagen van somberheid. Een winter, hopelijk, waarin de mensen wereldvreemd rondlopen als Westerse Eskimo’s, waarin de straat glimt van het zo gehate strooizout, en hij, Alexis, nog meer dan anders naar de grond kijkt terwijl zijn gedachten en dromen ergens hangen bij de decembers van lang geleden, van zijn jeugd. Bij die memorabele feestdagen …
Hij schudt zijn hoofd en zal vandaag niet lang binnenblijven. Hij heeft zijn eigen sleutelbos al in de hand. Hij moet naar buiten; hij wil niet vastraken in dat net van zijn gedachten, in de verwarring. Neen, niet weer.
Ooit was het anders, dat is zeker. En misschien beter. Hoewel …
Die morgen, lang geleden, toen de kleine Alexis opstond, lag alles nog zo krakend, helder wit. Tegen de veranda was de sneeuw wel drie vuisten dik, en in het tuintje was er van de ingekorte rozelaars of de stapel verrotte rabarberbladeren niets meer terug te vinden. Alles wat hij zag, dichtbij of verder weg – het leek allemaal met een zachte lamsvacht ingekleed. De smalle wereld van hun huis tot aan de tuinmuur was met zichzelf gelijk gemaakt. De scheve tegels van het terras gingen onmerkbaar over in het bevroren grasperkje – hij kon ze alleen nog vermoeden. Niets dan sneeuw, pijnlijk witte sneeuw, waarin alleen de ronde schaduwen nog wat reliëf brachten. Maar wat hem vooral trof en ondanks alles toch beviel, was dat het allemaal zo ongerept was, nog door niets of niemand betreden. Geen spoor van een stel hongerig zoekende roodborstjes, of van de gemene, onsterfelijke straatkat van Vanroyen.
Zoals het op een echte, vroege winterochtend steeds geweest was, denkt hij nu, zoals het over nauwelijks een uur niet meer zou zijn.
Het is niet alleen het licht dat pijn doet, het is ook de herinnering. Net als in dat liedje. Tastbare, haast hoorbare herinneringen … in de stilte van de dageraad, in die donkerste maand. Toen moeder nog leefde.
Hoewel, toen was het wel anders. Telkens wanneer zij ’s morgens het plastieken rolluik krachtig en kordaat omhoog trok – schijnbaar boos en geïrriteerd, maar zonder reden – en dan in enkele bewegingen het kille, verblindende sneeuwtapijt zag verschijnen, dan zuchtte zij. Misschien omdat zij dacht aan de smerigheid die weldra op haar vloer zou liggen, misschien omdat zij met alle moeite weer de kachel op gang moest brengen. En dan duwde zij Alexis bij het keukenraam nogal brutaal opzij (hoewel zij eigenlijk een heel klein vrouwtje was) en lachte, misschien wel met wat lichte spot, zelfs minachting. Want haar jongste stond daar met open mond naar het tafereel te gapen, in liefde en bewondering. Hij hield ervan, ja, hij hield zo innig van die sneeuw. Die ongerepte sneeuw. Maar niet die … smurrie!
”Je bent een onverbeterlijke romanticus,” heeft zij meermaals tegen hem gezegd, en niet alleen op die momenten. Maar nooit heeft hij geweten hoe zij daarbij kwam. Terwijl hij zelf haar later zo dikwijls romantisch heeft gevonden, zelfs sentimenteel, wie weet zelfs op het randje van licht hysterisch – indien hij dat woord als jonge knaap gekend had. En toch hield hij van haar, misschien nog meer dan van de sneeuw. Toen. Wel anders. Inniger.
Zijzelf was een enig kind. Dat had het noodlot nu eenmaal bepaald, zoals zovele dingen in haar leven – Schicksal! noemde zij dat. Eigenlijk had zij normaal wel een ouder broertje gehad dat Alexander zou heten, maar dat was dood geboren. Dus toen zij zelf haar jongste ter wereld bracht, wilde zij hoe dan ook haar betreurde broertje gedenken. Alexander mocht hij niet heten – vanwege de prins-regent Alexander, die door heel de familie als een bonvivant veracht werd – maar dan toch Alexis, een compromis. Hijzelf had het altijd een prachtige naam gevonden.
Naamgeving toen was niet zomaar iets. Normaal kreeg de boreling de naam van een van de grootouders, of een lichte variant daarvan. Dat was nu eenmaal zo. Bovendien moesten de gemeentelijke dienst Bevolking (de zogeheten Burgerlijke Stand) alsook het Doopregister van de kerk ermee akkoord gaan. Het gaf soms al problemen als de voorgestelde naam voor het kind niet voorkwam op de officiële heiligenkalender. Waarschijnlijk daarom lieten zijn ouders al bijna meteen hun eerste idee voor een geschikte naam varen, Glenn. Nochtans stonden ze hier allebei eensgezind achter: zijn vader omdat het hem deed denken aan John Glenn, de befaamde Amerikaanse astronaut; zijn moeder omdat zij, naast allerhande klassieke muziek, ook in de ban was van Glenn Miller en van de mythe rond die musicerende piloot. Maar er werd gevreesd voor bezwaren uit allerlei hoeken, en dus had de herinnering aan het doodgeboren broertje Alexander uiteindelijk voor die mooie variant gezorgd: Alexis. Het was een postuum eerbetoon.
Zijn moeder was in die dagen de enige die echt telde voor hem. Vader bestond wel, maar ergens op de achtergrond. Die werkte overdag heel hard zodat het gezin nooit iets tekort zou komen, en soms kwam hij later thuis, zelfs als alle drie de kinderen al klaar waren met hun taken. Het was moeder die helemaal, en alleen, instond voor het dagelijkse bestuur, voor de opvoeding én voor de tucht. Maar ook voor het welbevinden, de familiale warmte en het vertrouwen – en dat laatste gold zeker voor haar omgang met hem, Alexis, de junior van het hoopje.
Haar vertrouwen, heel bijzonder, inderdaad. En bizar. De mooiste herinneringen – en tegelijk ook de meest schrijnende – had hij aan de momenten dat hij ziek was. Neen, hij was niet ziekelijk, maar ook niet kerngezond, en zelfs toen al enigszins labiel en wat aan de zwakke kant – iets wat in de loop der komende jaren steeds meer bevestigd zou worden. Maar hij zou nooit vergeten hoe hij op die momenten van ziekte echt gekoesterd werd: vader noemde hem dan altijd Sonny Boy. En van zijn moeder kreeg hij aan zijn bed een flesje roze of gele yoghurt – hemels, en niet alleen van smaak – met daarbij dan enkele beschuiten van Anco en een kop hete, verse bouillon. Om op krachten te komen. Misschien in een andere volgorde.
Nu ja, dit alles was thuis de normale, liefdevolle aanpak bij ziekte of koorts van een kind, zowel bij Alexis als bij een andere telg. Maar er was één speciaal en jammerlijk ’voorrecht’ dat alleen voor hem was weggelegd, en dat waren de ontboezemingen van zijn moeder, over de in-treurige, persoonlijke gevoelens die destijds haar dagen beheersten en die zij hem eindeloos toevertrouwde. Het waren geen gesprekken in de ware betekenis van het woord, want het begon al toen hij amper een peuter was – nog niet echt vaardig in het contact – en er werd ook geen antwoord verwacht. Het waren verzuchtingen en jeremiades die zij tegen zichzelf uitte en die te maken hadden met haar eigen familie en haar pas overleden moeder Marga, met de pijn van het afscheid nemen, met de dood, en met een massa frustraties daarrond. Dit alles werd dan nog eens dramatisch gevoed door overgevoelige fragmenten uit het operarepertoire.
Natuurlijk was het slechts veel later dat Alexis zich ernstig vragen begon te stellen over die vreemde vorm van moederlijk vertrouwen en over de problemen die haar kwelden. Destijds begreep hij haar zuchten en jammeren gewoon niet – natuurlijk niet – en hij zat er simpel bij als een doofstom kind, of als een passief klankbord, zoals men tegenwoordig zou zeggen. Maar desondanks lieten deze voorvallen onbewust een diepe indruk op hem na die zijn verdere gevoelsleven onmiskenbaar zou beïnvloeden. Of aantasten? Nooit meer zou hij de aria van Mama, mama! uit Cavallaria Rusticana vergeten, nooit meer zou hij de snikkende weeklacht van Paljas uit zijn hoofd kunnen bannen. Want de kleine Alexis moest dat niet één keer meemaken, maar op z’n minst tien keer, telkens begeleid door het verdriet van zijn moeder dat naar het einde van het lied altijd uitmondde in enkele spaarzame tranen.
Meestal zat hij alles te ondergaan in zijn Grijze Olifant – een stevige houten schommelstoel die peter Fons, zijn handige grootvader en dooppeter, speciaal voor hem gemaakt had na Duitsland, in de lange winter van zijn dood. Die peter Fons was de vader van mama en was dus ook al overleden – ook veel te jong – net als zijn vrouw Marga. Nochtans was het zeker niet om hem dat de tranen zo vaak en overvloedig vloeiden – over de man werd eigenlijk weinig gepraat, tenzij in een waas van mysterie en heldhaftigheid – het was vooral om moeder Marga en de ellende daarrond dat moeder weende. Maar om dat alles te kunnen doorgronden moest het hoofd van Alexis toch nog heel wat groeien in jaren, wijsheid en verstand.
Wel had hij al spoedig door, met een soort van kinderlijk Fingerspitzengefühl, dat de greep van moeder Marga op haar dochter onvoorstelbaar groot moest zijn geweest, en dat haar vader Fons slechts af en toe uit het decor had mogen te voorschijn treden. Kortom, de situatie bij de kleine jongen thuis bleek naderhand precies dezelfde te zijn als een generatie eerder bij zijn eigen moeder. Maar dat ontdekte hij pas veel later, hoewel de schok daarom niet minder was.
De muziek van Leoncavallo en Mascagni op zich was al ontroerend en melodramatisch, en samen met het onbegrepen verdriet van zijn moeder liet die willens of onwillens op de kleuter diepe sporen na. De melodieën kwamen uit een imposant en kostbaar meubelstuk waarin zowel een perfecte Bell-radio met lampen als een pick-up verwerkt waren. Het geluid was ongeëvenaard warm en deed elke latere, zelfs dure transistor verbleken, maar ook het gepolitoerde meubel zelf mocht gezien worden: het vulde een hele hoek van de woonkamer en had zelfs bovenaan over heel zijn lengte een soort van vitrine. Daarin prijkten, mooi op een rij, vier grote foto’s in zwart-wit. Dat was een niet te onderschatten gegeven, want ze toonden een belangrijk deel van het gezinsleven, en vooral dan de emotionele kant ervan.
Uiterst links in deze ’etalage’ stond de laatste foto van Sinterklaas met de drie kinderen, op verplicht bezoek in Grand Bazar – de kleine Alexis op de heilige knie gezeten. Deze foto moest natuurlijk door de aard der zaak elk jaar in december vernieuwd worden.
Dan had je een artistieke foto en profil van zijn moeder in haar jonge jaren, met een romantisch golvend kapsel en haren die bijna tot op haar bips vielen – zij leek hier bijna een wulps model uit Hollywood, het type filmster dat de kinderen bij Fa. Vandamme (naast de schoolpoort) samen met een bolletje kauwgom voor een halve cent konden draaien. Dit was een foto met een verhaal, en moeder was erg ingenomen met het portret, als enige wellicht, want Alexis vond zijn moeder hier gewoon onherkenbaar en zelfs lelijk.
Ten derde had je een foto op een zeldzaam, dikker soort van papier, die ene Tante Hilla uit Stuttgart op borsthoogte voorstelde. Deze zogeheten ’tante’ was geen familie, maar ook dat weer was een apart en emotioneel verhaal, dat Alexis druppelsgewijs en herhaaldelijk te verwerken kreeg. Emotioneel was de foto zeker, want ook hier bestond het risico dat zijn moeder bij de loutere aanblik een krop in de keel en glazige ogen kreeg van ontroering. Wat dan weer zonder uitzondering altijd het geval was bij de vierde prent, namelijk de laatstgenomen foto van moeder Marga vóór haar overlijden. In de ogen van kleine dreumes Alexis was er echter geen merkbaar verschil tussen déze grootmoeder en de Duitse tante: ze waren allebei zwart-wit, allebei in dezelfde pose, op borsthoogte, met een lieve, minzame gezichtsuitdrukking, en met zelfs hetzelfde uiterlijk, in het bijzonder de ontwikkelde boezem. Zoals het hoorde bij het ras van grootmoeders en deftige dames.
Die foto’s … Dat was zeker een halve familiegeschiedenis. Terwijl peter Fons zich ’ergens’ in een schoendoos bevond, bovenop talloze ansichtkaartjes en bidprentjes. Was dit goed, was dit fout – en vooral, was dit eerlijk? Hoe dan ook, in het oordeel van Alexis had zijn dooppeter nooit de eer en erkenning gekregen die hem toekwamen, zeker niet in vergelijking met de andere voorzaten. Dit veranderde niet – integendeel – toen ook zijn ouders in de vitrine belandden, eerst zijn moeder, en dan, onlangs nog, zijn vader.
Altijd had hij zo graag meer geweten over die vreemde dooppeter, die held die hij nooit gekend had, maar als wijze twintiger begon hij nu te beseffen dat hoe minder de doos geopend werd, hoe groter en rijker de mythe rond zijn voorvader zou zijn. Dus bleef de doos gewoon dicht.
Na een uur is Alexis al op stap in de richting van het Hemelaerplein, een opmerkelijke omgeving omdat hier in een straal van enkele honderden meters, vier scholen liggen: de ’vakschool’, waar hij zelf veel zweet en lust gelaten heeft; de abdijschool, die zijn oudere broer en zelfs zijn vriend Paul als klant gehad heeft; en de Normaalschool – iets voor onderwijzers, waar vreemd genoeg zijn vader enkele jaren ’intern leerling’ is geweest. Ik zeg: vreemd genoeg, omdat zijn vader volgens hem nooit iets met het onderwijs te maken heeft gehad, tenzij als slachtoffer of als slimme speelvogel, als men zijn vroegere verhalen mocht geloven. En dan is er ergens in die leerrijke buurt nog een langgerekt en laag gebouwtje met een gevel van donkerblauwe tegeltjes dat vooral kleuters herbergt, tot de leeftijd van zeven jaar. Dat is een school die iedereen van de familie bezocht heeft en waar blijkbaar alleen ik nog iets van wist.
Alexis merkt dat de sneeuw inderdaad veranderd is in een vuile smurrie, zowel op de rijweg als op het voetpad. Daar heeft hij nu ook wel de pest in, niet alleen zijn moeder destijds. De enige plaats die nog een ongerept en glanzend wit deklaagje heeft, is het stoffelijk overschot van de oude weverij – een grote hoop stenen en verbrokkelde muren die meer iets heeft van een middeleeuwse ruïne dan van een fabriek. Eigenlijk zijn het de overblijfselen van een Duits bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog. En hij vraagt zich voor de zoveelste keer af waarom die rommel nog steeds niet door de stad opgeruimd is, zoals men elders wel overal gedaan heeft. Misschien als vingerwijzing voor de losbandige jeugd? De provo’s, de hippies, en jawel, ook de studentjes van tegenwoordig?
Nu, zoals bij alles in het leven, had de medaille van de oorlog en in het bijzonder dat bombardement, twee kanten. Vriend Paul, die het allemaal goed kon uitleggen, zou het ambivalent of ambigu noemen, hoewel hij volgens Alexis zelf ’tweeslachtig’ was … Maar ja, die oorlog. Met enerzijds het onrecht, de leugens en de verschrikkingen, waarover zijn moeder soms op een wrede wijze placht te praten als zij in vorm was, zeker als zij te veel wijn gedronken had – zij was dan gewoon niet te stoppen en deed het altijd heftig en bijzonder opgewonden, bijna hysterisch. Soms leek zij op sommige momenten van haar verhaal zelfs te krijsen.
Aan de andere kant had je dan zijn vader met zijn eerder prettige anekdotes over de oorlog. Over het opportunisme – of zoiets – en de onbegrensde creativiteit van de gewone Vlaamse burger in de kunst van het overleven. Zoals de stormloop van wel honderd buren, die met allerlei messen – slagersmessen, schilmesjes, zelfs bosbijlen – naar de weide van boer Smet renden omdat daar een dood paard lag, geveld door een Messerschmitt van de genadeloze Luftwaffe. Hij vertelde ook graag over Meneer Flor van de Normaalschool, een echte bolleboos en de evenknie van Einstein, die echter altijd tussen zijn lessen door heen en weer dwaalde naar de kast met het technische materiaal achteraan in de klas om het zoveelste borreltje van de dag te nemen. ”Na drie uur,” lachte zijn vader dan geamuseerd als hij het verhaal weer eens aan zijn aandachtige kroost verteld had, ”na drie uur werd er niet veel les meer gegeven, geloof mij!”
Die andere, sensationele en vermakelijke kant van de oorlog kregen de kinderen wel alleen te horen toen hun moeder nog leefde. Daarna was het eigenlijk afgelopen met de vader. Hij trok zich terug voor zijn televisietoestel en werd nors en nukkig. Alexis kon zich niet herinneren dat hij de man als weduwnaar ooit nog had zien lachen – misschien toch wel, een beetje, wanneer familievriend en ex-collega Casimir op bezoek kwam en ze samen bij een glas zaten te konkelfoezen. Maar over de ellende en de verschikkingen van de oorlog heeft hij nooit willen spreken. Precies zoals zijn vader Bart, die Alexis trouwens ook nooit gekend had: het werd onder de volwassen familieleden gewoon stilzwijgend aanvaard dat stamvader Bart over zijn Eerste Wereldoorlog in alle talen zweeg, hoewel hij die nochtans hevig aan den lijve beleefd had in zeven van de acht grote veldslagen. Waarvan de vorstelijke onderscheidingen wel getuigden aan de muur van de ontvangkamer. Voor het nageslacht. Tot in der eeuwigheid.
Kijk, het begint opnieuw te sneeuwen. Alexis zet zijn kraag helemaal recht en trekt de rits van zijn jas dicht tot aan zijn kin. Wel een beetje vreemd toch, die sneeuw, want hij heeft nog niet veel spinnen in huis gezien, en voor zover hij zich kan herinneren was er in de maand augustus ook niet één ochtend met hardnekkige mist. En dat zijn in de volksmond toch populaire tekenen dat het zeker een harde, witte kerst zal worden. Bullshit, dus. Ook het gezegde dat men ’beter winterhanden dan sneeuwballen’ heeft, neen, dat klopt ook niet, want hij gooit gráág een sneeuwballetje, zeker weten. Tenzij men iets anders bedoelt met die ’sneeuwballen’ – dat hij daar nog niet eerder aan gedacht heeft, grijnst hij …
Het wordt allemaal gezegd en beweerd, ja, zoals al die andere zogenaamde waarheden en onwankelbare zekerheden, en daar heeft hij een verschrikkelijke hekel aan. Altijd gehad. Ja, het ligt nog vers in zijn geheugen: aan de vooravond van zijn Plechtige Communie voelde hij zich zo’n held, zo’n wijze slimmerik dat hij zwoer dat zijn leven één grote kruistocht zou zijn tegen dat soort onzin en bijgeloof. Hij was toen amper een puber, maar toch … Boven zijn bed in de koude, gedeelde slaapkamer – onder de foto’s van Elvis, David Cassidy, Chris Andrews en de hemelse Sal Mineo – had hij zelfs een kartonnetje aangebracht met daarop de tekst: ’Hier is het waar het allemaal … niet gebeurt!’
Zoiets verwachtte men zeker niet.
Hij begreep eigenlijk zelf niet wat hij ermee bedoelde, maar hij vond dat hij gelijk had.
En hoe gek het ook klinkt, dat was Alexis in een notendop.
I.
Mijn vader was al tijdens de weerberichten in slaap gevallen in zijn fauteuil en hij sliep nóg. Ik had naar een speelfilm gekeken met Richard Harris, die ouwe die ook het bloedmooie MacArthur’s Park gezongen had, en af en toe ook naar die andere ouwe – de mijne dus – die niet kon zingen, ook niet in de kerk. Het was zelfs met enige weemoed dat ik keek, omdat hij zo vredig en ingekeerd aan het slapen was, terwijl ik er alléén en klaarwakker bij zat met niets dan vreemde gedachten in mij. En onrust, vooral onrust.
Het was natuurlijk geen oorlogsfilm, want dan was hij zeker wakker gebleven, al was het maar uit eerbied voor de naoorlogse trauma’s en gevoeligheden die het Duitse Derde Rijk op wijlen zijn vrouw hadden nagelaten. Hoewel … Ook toen ik het televisietoestel met een droge, te harde klik uitschakelde, sliep hij door. Zijn dunne bovenlip ging wel even omhoog alsof iets hem stoorde, en hij haalde luidruchtig zijn neus op, waarbij zijn valse tanden een ijl gefluit gaven dat ik nooit zou kunnen gewoon worden. Maar hij werd zich niet van mijn aanwezigheid bewust en droomde voort in de enige wereld die voor hem nog telde: zijn wereld, de eigen wereld van een man die alles meegemaakt heeft, de wereld van een vermoeide arbeider die letterlijk en figuurlijk met rust is. Eindelijk.
Misschien zou hij nu inderdaad van die vroegere wereld dromen. Het zou mij niet verwonderen, ik denk dat meer dan de helft van onze dromen over het verleden gaan. Dat is ook bij mij het geval. Meer dan de helft, zelfs over de kleuterschool van zo lang geleden met die blinkende blauwe wandtegeltjes in de lange gang en mijn vlechtwerk met dat fel gekleurde papier waarover Zuster Mechthilde niet tevreden was. Of was het Juffrouw Odile? Dat was in de droom natuurlijk, want in werkelijkheid was ik altijd de beste van de klas geweest in het vlechten van die glanzende matjes, en zeker in het uitkiezen en (soms gedurfd) combineren van de mooiste kleuren.
Aan de haast onmerkbare zenuwtrekjes van zijn vingers te zien, droomde mijn vader nu zeker van vroeger, van zijn drukke, altijd bezige werkjaren. Niet alleen de activiteiten op het werk, maar ook en misschien nog meer het drukke gedoe van thuis. Met de vrouw waar hij heel zijn leven verliefd op was gebleven, met zijn drie opgroeiende kinderen en met al die klussen en dingetjes die een huishouden nu eenmaal meebrengt. Neen, het was niet zomaar wat gewoon gedoe, het was meer dan dat, en volgens mij niet normaal – hij overdreef daarin en mijn moeder volgde hem, of misschien was het juist andersom, want haar invloed was niet te onderschatten. Binnen het perfecte huwelijk dat ze deelden, vonden ze elkaar dag en nacht in hun drift naar veranderen, naar plannen maken en plannen uitvoeren, naar afbreken, herstellen en opbouwen. En ze deden alles zelf, bijna alles. Behangen, verven, lambrisering verwijderen, oprit verstevigen, voortuintje doen, ook het isoleren en metselen. Alleen voor het bepleisteren en vloeren, de centrale verwarming en het parket schakelden ze een specialist in – soms was dat een kennis of een buur die de job in het zwart deed. Maar zelfs bij die figuren was vader een bekwame, zelfbenoemde rechterhand.
Het is winter buiten, en koud. Dat belooft voor eindejaar. Misschien wordt het dan toch een ongewone winter, een echte winter – eindelijk – en niet dat fletse gebeuren van de laatste jaren, met veel kille regen en dagen van somberheid. Een winter, hopelijk, waarin de mensen wereldvreemd rondlopen als Westerse Eskimo’s, waarin de straat glimt van het zo gehate strooizout, en hij, Alexis, nog meer dan anders naar de grond kijkt terwijl zijn gedachten en dromen ergens hangen bij de decembers van lang geleden, van zijn jeugd. Bij die memorabele feestdagen …
Hij schudt zijn hoofd en zal vandaag niet lang binnenblijven. Hij heeft zijn eigen sleutelbos al in de hand. Hij moet naar buiten; hij wil niet vastraken in dat net van zijn gedachten, in de verwarring. Neen, niet weer.
Ooit was het anders, dat is zeker. En misschien beter. Hoewel …
Die morgen, lang geleden, toen de kleine Alexis opstond, lag alles nog zo krakend, helder wit. Tegen de veranda was de sneeuw wel drie vuisten dik, en in het tuintje was er van de ingekorte rozelaars of de stapel verrotte rabarberbladeren niets meer terug te vinden. Alles wat hij zag, dichtbij of verder weg – het leek allemaal met een zachte lamsvacht ingekleed. De smalle wereld van hun huis tot aan de tuinmuur was met zichzelf gelijk gemaakt. De scheve tegels van het terras gingen onmerkbaar over in het bevroren grasperkje – hij kon ze alleen nog vermoeden. Niets dan sneeuw, pijnlijk witte sneeuw, waarin alleen de ronde schaduwen nog wat reliëf brachten. Maar wat hem vooral trof en ondanks alles toch beviel, was dat het allemaal zo ongerept was, nog door niets of niemand betreden. Geen spoor van een stel hongerig zoekende roodborstjes, of van de gemene, onsterfelijke straatkat van Vanroyen.
Zoals het op een echte, vroege winterochtend steeds geweest was, denkt hij nu, zoals het over nauwelijks een uur niet meer zou zijn.
Het is niet alleen het licht dat pijn doet, het is ook de herinnering. Net als in dat liedje. Tastbare, haast hoorbare herinneringen … in de stilte van de dageraad, in die donkerste maand. Toen moeder nog leefde.
Hoewel, toen was het wel anders. Telkens wanneer zij ’s morgens het plastieken rolluik krachtig en kordaat omhoog trok – schijnbaar boos en geïrriteerd, maar zonder reden – en dan in enkele bewegingen het kille, verblindende sneeuwtapijt zag verschijnen, dan zuchtte zij. Misschien omdat zij dacht aan de smerigheid die weldra op haar vloer zou liggen, misschien omdat zij met alle moeite weer de kachel op gang moest brengen. En dan duwde zij Alexis bij het keukenraam nogal brutaal opzij (hoewel zij eigenlijk een heel klein vrouwtje was) en lachte, misschien wel met wat lichte spot, zelfs minachting. Want haar jongste stond daar met open mond naar het tafereel te gapen, in liefde en bewondering. Hij hield ervan, ja, hij hield zo innig van die sneeuw. Die ongerepte sneeuw. Maar niet die … smurrie!
”Je bent een onverbeterlijke romanticus,” heeft zij meermaals tegen hem gezegd, en niet alleen op die momenten. Maar nooit heeft hij geweten hoe zij daarbij kwam. Terwijl hij zelf haar later zo dikwijls romantisch heeft gevonden, zelfs sentimenteel, wie weet zelfs op het randje van licht hysterisch – indien hij dat woord als jonge knaap gekend had. En toch hield hij van haar, misschien nog meer dan van de sneeuw. Toen. Wel anders. Inniger.
Zijzelf was een enig kind. Dat had het noodlot nu eenmaal bepaald, zoals zovele dingen in haar leven – Schicksal! noemde zij dat. Eigenlijk had zij normaal wel een ouder broertje gehad dat Alexander zou heten, maar dat was dood geboren. Dus toen zij zelf haar jongste ter wereld bracht, wilde zij hoe dan ook haar betreurde broertje gedenken. Alexander mocht hij niet heten – vanwege de prins-regent Alexander, die door heel de familie als een bonvivant veracht werd – maar dan toch Alexis, een compromis. Hijzelf had het altijd een prachtige naam gevonden.
Naamgeving toen was niet zomaar iets. Normaal kreeg de boreling de naam van een van de grootouders, of een lichte variant daarvan. Dat was nu eenmaal zo. Bovendien moesten de gemeentelijke dienst Bevolking (de zogeheten Burgerlijke Stand) alsook het Doopregister van de kerk ermee akkoord gaan. Het gaf soms al problemen als de voorgestelde naam voor het kind niet voorkwam op de officiële heiligenkalender. Waarschijnlijk daarom lieten zijn ouders al bijna meteen hun eerste idee voor een geschikte naam varen, Glenn. Nochtans stonden ze hier allebei eensgezind achter: zijn vader omdat het hem deed denken aan John Glenn, de befaamde Amerikaanse astronaut; zijn moeder omdat zij, naast allerhande klassieke muziek, ook in de ban was van Glenn Miller en van de mythe rond die musicerende piloot. Maar er werd gevreesd voor bezwaren uit allerlei hoeken, en dus had de herinnering aan het doodgeboren broertje Alexander uiteindelijk voor die mooie variant gezorgd: Alexis. Het was een postuum eerbetoon.
Zijn moeder was in die dagen de enige die echt telde voor hem. Vader bestond wel, maar ergens op de achtergrond. Die werkte overdag heel hard zodat het gezin nooit iets tekort zou komen, en soms kwam hij later thuis, zelfs als alle drie de kinderen al klaar waren met hun taken. Het was moeder die helemaal, en alleen, instond voor het dagelijkse bestuur, voor de opvoeding én voor de tucht. Maar ook voor het welbevinden, de familiale warmte en het vertrouwen – en dat laatste gold zeker voor haar omgang met hem, Alexis, de junior van het hoopje.
Haar vertrouwen, heel bijzonder, inderdaad. En bizar. De mooiste herinneringen – en tegelijk ook de meest schrijnende – had hij aan de momenten dat hij ziek was. Neen, hij was niet ziekelijk, maar ook niet kerngezond, en zelfs toen al enigszins labiel en wat aan de zwakke kant – iets wat in de loop der komende jaren steeds meer bevestigd zou worden. Maar hij zou nooit vergeten hoe hij op die momenten van ziekte echt gekoesterd werd: vader noemde hem dan altijd Sonny Boy. En van zijn moeder kreeg hij aan zijn bed een flesje roze of gele yoghurt – hemels, en niet alleen van smaak – met daarbij dan enkele beschuiten van Anco en een kop hete, verse bouillon. Om op krachten te komen. Misschien in een andere volgorde.
Nu ja, dit alles was thuis de normale, liefdevolle aanpak bij ziekte of koorts van een kind, zowel bij Alexis als bij een andere telg. Maar er was één speciaal en jammerlijk ’voorrecht’ dat alleen voor hem was weggelegd, en dat waren de ontboezemingen van zijn moeder, over de in-treurige, persoonlijke gevoelens die destijds haar dagen beheersten en die zij hem eindeloos toevertrouwde. Het waren geen gesprekken in de ware betekenis van het woord, want het begon al toen hij amper een peuter was – nog niet echt vaardig in het contact – en er werd ook geen antwoord verwacht. Het waren verzuchtingen en jeremiades die zij tegen zichzelf uitte en die te maken hadden met haar eigen familie en haar pas overleden moeder Marga, met de pijn van het afscheid nemen, met de dood, en met een massa frustraties daarrond. Dit alles werd dan nog eens dramatisch gevoed door overgevoelige fragmenten uit het operarepertoire.
Natuurlijk was het slechts veel later dat Alexis zich ernstig vragen begon te stellen over die vreemde vorm van moederlijk vertrouwen en over de problemen die haar kwelden. Destijds begreep hij haar zuchten en jammeren gewoon niet – natuurlijk niet – en hij zat er simpel bij als een doofstom kind, of als een passief klankbord, zoals men tegenwoordig zou zeggen. Maar desondanks lieten deze voorvallen onbewust een diepe indruk op hem na die zijn verdere gevoelsleven onmiskenbaar zou beïnvloeden. Of aantasten? Nooit meer zou hij de aria van Mama, mama! uit Cavallaria Rusticana vergeten, nooit meer zou hij de snikkende weeklacht van Paljas uit zijn hoofd kunnen bannen. Want de kleine Alexis moest dat niet één keer meemaken, maar op z’n minst tien keer, telkens begeleid door het verdriet van zijn moeder dat naar het einde van het lied altijd uitmondde in enkele spaarzame tranen.
Meestal zat hij alles te ondergaan in zijn Grijze Olifant – een stevige houten schommelstoel die peter Fons, zijn handige grootvader en dooppeter, speciaal voor hem gemaakt had na Duitsland, in de lange winter van zijn dood. Die peter Fons was de vader van mama en was dus ook al overleden – ook veel te jong – net als zijn vrouw Marga. Nochtans was het zeker niet om hem dat de tranen zo vaak en overvloedig vloeiden – over de man werd eigenlijk weinig gepraat, tenzij in een waas van mysterie en heldhaftigheid – het was vooral om moeder Marga en de ellende daarrond dat moeder weende. Maar om dat alles te kunnen doorgronden moest het hoofd van Alexis toch nog heel wat groeien in jaren, wijsheid en verstand.
Wel had hij al spoedig door, met een soort van kinderlijk Fingerspitzengefühl, dat de greep van moeder Marga op haar dochter onvoorstelbaar groot moest zijn geweest, en dat haar vader Fons slechts af en toe uit het decor had mogen te voorschijn treden. Kortom, de situatie bij de kleine jongen thuis bleek naderhand precies dezelfde te zijn als een generatie eerder bij zijn eigen moeder. Maar dat ontdekte hij pas veel later, hoewel de schok daarom niet minder was.
De muziek van Leoncavallo en Mascagni op zich was al ontroerend en melodramatisch, en samen met het onbegrepen verdriet van zijn moeder liet die willens of onwillens op de kleuter diepe sporen na. De melodieën kwamen uit een imposant en kostbaar meubelstuk waarin zowel een perfecte Bell-radio met lampen als een pick-up verwerkt waren. Het geluid was ongeëvenaard warm en deed elke latere, zelfs dure transistor verbleken, maar ook het gepolitoerde meubel zelf mocht gezien worden: het vulde een hele hoek van de woonkamer en had zelfs bovenaan over heel zijn lengte een soort van vitrine. Daarin prijkten, mooi op een rij, vier grote foto’s in zwart-wit. Dat was een niet te onderschatten gegeven, want ze toonden een belangrijk deel van het gezinsleven, en vooral dan de emotionele kant ervan.
Uiterst links in deze ’etalage’ stond de laatste foto van Sinterklaas met de drie kinderen, op verplicht bezoek in Grand Bazar – de kleine Alexis op de heilige knie gezeten. Deze foto moest natuurlijk door de aard der zaak elk jaar in december vernieuwd worden.
Dan had je een artistieke foto en profil van zijn moeder in haar jonge jaren, met een romantisch golvend kapsel en haren die bijna tot op haar bips vielen – zij leek hier bijna een wulps model uit Hollywood, het type filmster dat de kinderen bij Fa. Vandamme (naast de schoolpoort) samen met een bolletje kauwgom voor een halve cent konden draaien. Dit was een foto met een verhaal, en moeder was erg ingenomen met het portret, als enige wellicht, want Alexis vond zijn moeder hier gewoon onherkenbaar en zelfs lelijk.
Ten derde had je een foto op een zeldzaam, dikker soort van papier, die ene Tante Hilla uit Stuttgart op borsthoogte voorstelde. Deze zogeheten ’tante’ was geen familie, maar ook dat weer was een apart en emotioneel verhaal, dat Alexis druppelsgewijs en herhaaldelijk te verwerken kreeg. Emotioneel was de foto zeker, want ook hier bestond het risico dat zijn moeder bij de loutere aanblik een krop in de keel en glazige ogen kreeg van ontroering. Wat dan weer zonder uitzondering altijd het geval was bij de vierde prent, namelijk de laatstgenomen foto van moeder Marga vóór haar overlijden. In de ogen van kleine dreumes Alexis was er echter geen merkbaar verschil tussen déze grootmoeder en de Duitse tante: ze waren allebei zwart-wit, allebei in dezelfde pose, op borsthoogte, met een lieve, minzame gezichtsuitdrukking, en met zelfs hetzelfde uiterlijk, in het bijzonder de ontwikkelde boezem. Zoals het hoorde bij het ras van grootmoeders en deftige dames.
Die foto’s … Dat was zeker een halve familiegeschiedenis. Terwijl peter Fons zich ’ergens’ in een schoendoos bevond, bovenop talloze ansichtkaartjes en bidprentjes. Was dit goed, was dit fout – en vooral, was dit eerlijk? Hoe dan ook, in het oordeel van Alexis had zijn dooppeter nooit de eer en erkenning gekregen die hem toekwamen, zeker niet in vergelijking met de andere voorzaten. Dit veranderde niet – integendeel – toen ook zijn ouders in de vitrine belandden, eerst zijn moeder, en dan, onlangs nog, zijn vader.
Altijd had hij zo graag meer geweten over die vreemde dooppeter, die held die hij nooit gekend had, maar als wijze twintiger begon hij nu te beseffen dat hoe minder de doos geopend werd, hoe groter en rijker de mythe rond zijn voorvader zou zijn. Dus bleef de doos gewoon dicht.
Na een uur is Alexis al op stap in de richting van het Hemelaerplein, een opmerkelijke omgeving omdat hier in een straal van enkele honderden meters, vier scholen liggen: de ’vakschool’, waar hij zelf veel zweet en lust gelaten heeft; de abdijschool, die zijn oudere broer en zelfs zijn vriend Paul als klant gehad heeft; en de Normaalschool – iets voor onderwijzers, waar vreemd genoeg zijn vader enkele jaren ’intern leerling’ is geweest. Ik zeg: vreemd genoeg, omdat zijn vader volgens hem nooit iets met het onderwijs te maken heeft gehad, tenzij als slachtoffer of als slimme speelvogel, als men zijn vroegere verhalen mocht geloven. En dan is er ergens in die leerrijke buurt nog een langgerekt en laag gebouwtje met een gevel van donkerblauwe tegeltjes dat vooral kleuters herbergt, tot de leeftijd van zeven jaar. Dat is een school die iedereen van de familie bezocht heeft en waar blijkbaar alleen ik nog iets van wist.
Alexis merkt dat de sneeuw inderdaad veranderd is in een vuile smurrie, zowel op de rijweg als op het voetpad. Daar heeft hij nu ook wel de pest in, niet alleen zijn moeder destijds. De enige plaats die nog een ongerept en glanzend wit deklaagje heeft, is het stoffelijk overschot van de oude weverij – een grote hoop stenen en verbrokkelde muren die meer iets heeft van een middeleeuwse ruïne dan van een fabriek. Eigenlijk zijn het de overblijfselen van een Duits bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog. En hij vraagt zich voor de zoveelste keer af waarom die rommel nog steeds niet door de stad opgeruimd is, zoals men elders wel overal gedaan heeft. Misschien als vingerwijzing voor de losbandige jeugd? De provo’s, de hippies, en jawel, ook de studentjes van tegenwoordig?
Nu, zoals bij alles in het leven, had de medaille van de oorlog en in het bijzonder dat bombardement, twee kanten. Vriend Paul, die het allemaal goed kon uitleggen, zou het ambivalent of ambigu noemen, hoewel hij volgens Alexis zelf ’tweeslachtig’ was … Maar ja, die oorlog. Met enerzijds het onrecht, de leugens en de verschrikkingen, waarover zijn moeder soms op een wrede wijze placht te praten als zij in vorm was, zeker als zij te veel wijn gedronken had – zij was dan gewoon niet te stoppen en deed het altijd heftig en bijzonder opgewonden, bijna hysterisch. Soms leek zij op sommige momenten van haar verhaal zelfs te krijsen.
Aan de andere kant had je dan zijn vader met zijn eerder prettige anekdotes over de oorlog. Over het opportunisme – of zoiets – en de onbegrensde creativiteit van de gewone Vlaamse burger in de kunst van het overleven. Zoals de stormloop van wel honderd buren, die met allerlei messen – slagersmessen, schilmesjes, zelfs bosbijlen – naar de weide van boer Smet renden omdat daar een dood paard lag, geveld door een Messerschmitt van de genadeloze Luftwaffe. Hij vertelde ook graag over Meneer Flor van de Normaalschool, een echte bolleboos en de evenknie van Einstein, die echter altijd tussen zijn lessen door heen en weer dwaalde naar de kast met het technische materiaal achteraan in de klas om het zoveelste borreltje van de dag te nemen. ”Na drie uur,” lachte zijn vader dan geamuseerd als hij het verhaal weer eens aan zijn aandachtige kroost verteld had, ”na drie uur werd er niet veel les meer gegeven, geloof mij!”
Die andere, sensationele en vermakelijke kant van de oorlog kregen de kinderen wel alleen te horen toen hun moeder nog leefde. Daarna was het eigenlijk afgelopen met de vader. Hij trok zich terug voor zijn televisietoestel en werd nors en nukkig. Alexis kon zich niet herinneren dat hij de man als weduwnaar ooit nog had zien lachen – misschien toch wel, een beetje, wanneer familievriend en ex-collega Casimir op bezoek kwam en ze samen bij een glas zaten te konkelfoezen. Maar over de ellende en de verschikkingen van de oorlog heeft hij nooit willen spreken. Precies zoals zijn vader Bart, die Alexis trouwens ook nooit gekend had: het werd onder de volwassen familieleden gewoon stilzwijgend aanvaard dat stamvader Bart over zijn Eerste Wereldoorlog in alle talen zweeg, hoewel hij die nochtans hevig aan den lijve beleefd had in zeven van de acht grote veldslagen. Waarvan de vorstelijke onderscheidingen wel getuigden aan de muur van de ontvangkamer. Voor het nageslacht. Tot in der eeuwigheid.
Kijk, het begint opnieuw te sneeuwen. Alexis zet zijn kraag helemaal recht en trekt de rits van zijn jas dicht tot aan zijn kin. Wel een beetje vreemd toch, die sneeuw, want hij heeft nog niet veel spinnen in huis gezien, en voor zover hij zich kan herinneren was er in de maand augustus ook niet één ochtend met hardnekkige mist. En dat zijn in de volksmond toch populaire tekenen dat het zeker een harde, witte kerst zal worden. Bullshit, dus. Ook het gezegde dat men ’beter winterhanden dan sneeuwballen’ heeft, neen, dat klopt ook niet, want hij gooit gráág een sneeuwballetje, zeker weten. Tenzij men iets anders bedoelt met die ’sneeuwballen’ – dat hij daar nog niet eerder aan gedacht heeft, grijnst hij …
Het wordt allemaal gezegd en beweerd, ja, zoals al die andere zogenaamde waarheden en onwankelbare zekerheden, en daar heeft hij een verschrikkelijke hekel aan. Altijd gehad. Ja, het ligt nog vers in zijn geheugen: aan de vooravond van zijn Plechtige Communie voelde hij zich zo’n held, zo’n wijze slimmerik dat hij zwoer dat zijn leven één grote kruistocht zou zijn tegen dat soort onzin en bijgeloof. Hij was toen amper een puber, maar toch … Boven zijn bed in de koude, gedeelde slaapkamer – onder de foto’s van Elvis, David Cassidy, Chris Andrews en de hemelse Sal Mineo – had hij zelfs een kartonnetje aangebracht met daarop de tekst: ’Hier is het waar het allemaal … niet gebeurt!’
Zoiets verwachtte men zeker niet.
Hij begreep eigenlijk zelf niet wat hij ermee bedoelde, maar hij vond dat hij gelijk had.
En hoe gek het ook klinkt, dat was Alexis in een notendop.
I.
Mijn vader was al tijdens de weerberichten in slaap gevallen in zijn fauteuil en hij sliep nóg. Ik had naar een speelfilm gekeken met Richard Harris, die ouwe die ook het bloedmooie MacArthur’s Park gezongen had, en af en toe ook naar die andere ouwe – de mijne dus – die niet kon zingen, ook niet in de kerk. Het was zelfs met enige weemoed dat ik keek, omdat hij zo vredig en ingekeerd aan het slapen was, terwijl ik er alléén en klaarwakker bij zat met niets dan vreemde gedachten in mij. En onrust, vooral onrust.
Het was natuurlijk geen oorlogsfilm, want dan was hij zeker wakker gebleven, al was het maar uit eerbied voor de naoorlogse trauma’s en gevoeligheden die het Duitse Derde Rijk op wijlen zijn vrouw hadden nagelaten. Hoewel … Ook toen ik het televisietoestel met een droge, te harde klik uitschakelde, sliep hij door. Zijn dunne bovenlip ging wel even omhoog alsof iets hem stoorde, en hij haalde luidruchtig zijn neus op, waarbij zijn valse tanden een ijl gefluit gaven dat ik nooit zou kunnen gewoon worden. Maar hij werd zich niet van mijn aanwezigheid bewust en droomde voort in de enige wereld die voor hem nog telde: zijn wereld, de eigen wereld van een man die alles meegemaakt heeft, de wereld van een vermoeide arbeider die letterlijk en figuurlijk met rust is. Eindelijk.
Misschien zou hij nu inderdaad van die vroegere wereld dromen. Het zou mij niet verwonderen, ik denk dat meer dan de helft van onze dromen over het verleden gaan. Dat is ook bij mij het geval. Meer dan de helft, zelfs over de kleuterschool van zo lang geleden met die blinkende blauwe wandtegeltjes in de lange gang en mijn vlechtwerk met dat fel gekleurde papier waarover Zuster Mechthilde niet tevreden was. Of was het Juffrouw Odile? Dat was in de droom natuurlijk, want in werkelijkheid was ik altijd de beste van de klas geweest in het vlechten van die glanzende matjes, en zeker in het uitkiezen en (soms gedurfd) combineren van de mooiste kleuren.
Aan de haast onmerkbare zenuwtrekjes van zijn vingers te zien, droomde mijn vader nu zeker van vroeger, van zijn drukke, altijd bezige werkjaren. Niet alleen de activiteiten op het werk, maar ook en misschien nog meer het drukke gedoe van thuis. Met de vrouw waar hij heel zijn leven verliefd op was gebleven, met zijn drie opgroeiende kinderen en met al die klussen en dingetjes die een huishouden nu eenmaal meebrengt. Neen, het was niet zomaar wat gewoon gedoe, het was meer dan dat, en volgens mij niet normaal – hij overdreef daarin en mijn moeder volgde hem, of misschien was het juist andersom, want haar invloed was niet te onderschatten. Binnen het perfecte huwelijk dat ze deelden, vonden ze elkaar dag en nacht in hun drift naar veranderen, naar plannen maken en plannen uitvoeren, naar afbreken, herstellen en opbouwen. En ze deden alles zelf, bijna alles. Behangen, verven, lambrisering verwijderen, oprit verstevigen, voortuintje doen, ook het isoleren en metselen. Alleen voor het bepleisteren en vloeren, de centrale verwarming en het parket schakelden ze een specialist in – soms was dat een kennis of een buur die de job in het zwart deed. Maar zelfs bij die figuren was vader een bekwame, zelfbenoemde rechterhand.



