Memoires van een nobele onbekende
Brief aan mijn lief
EUR 17,90
Formaat: 13,5 x 21,5 cm
Pagina aantal: 194
ISBN: 978-3-99064-945-9
Publicatie datum: 02.09.2020
In Memoires van een nobele onbekende onderzoekt Walydie Jumpstone of hij mister nobody is, of toch mister perfect. Hij schreef een ode aan het leven, aan zijn familie, zijn vrienden, zijn grote én kleine helden, maar bovenal aan zijn geliefde partner in love, Lydie.
. The working life
Zomervakantie van 1957. Het is maandag, 4 uur ’s morgens. Slaperig, met de prut nog in de ogen, zitten Jo, mijn oudste broer, en ik op onze emmer en we wachten op de berm van de weg op het nakend transport. De zonsopgang laat nog even op zich wachten en een lichte dauw weerkaatst de eerste lichtstralen uit het zwerk. Binnen enkele ogenblikken zal de open camion van de Gebroeders De Bock uit Verrebroek ons oppikken en ons samen met de bonte bende naar de erwten- of bonenvelden brengen om ons daar als “loonslaven” te werk te stellen. Opeengepakt als sardienen, zittend op onze emmer, vinden we steun bij elkaar en bij elke bocht golft de amorfe massa, aangedreven door de inertie, tegen de draairichting in. Onze “schoofzak” is veilig in onze emmer opgeborgen. De samenstelling van de plukkers kan niet meer heterogeen zijn. Jong en oud, man en vrouw, maar geen meisjes. (x bestond toen nog niet).
De stemming is, ondanks alles, opgewekt. Enkele lolbroeken brengen met hun grappen en grollen zelfs de grootste zuurpruimen aan het lachen. Af en toe wordt er zelfs gezongen. Zo moet het er ook aan toegegaan zijn toen de negerslaven in het diepe zuiden van de V.S. naar de katoenvelden werden gebracht. Alleen zongen zij blues en negrospirituals en wij zingen Vlaamse schlagers. We worden afgezet in het midden van de polder. De lengte van de akker wordt verdeeld onder de plukkers, in gangen van ongeveer één meter breed. Iedereen trekt kruipend op de knieën de struiken uit de grond en plukt de erwten er af in zijn eigen tempo. Sommige iets oudere pluksters doen dit in een hels tempo dat ze de ganse dag volhouden. Onze knieën beginnen langzaam te irriteren door het geschuif over de droge, harde grond en verkleuren van wit naar roos. Onze handen worden overgevoelig door het intense contact met de grond en de planten. De geur van de natuurdoordrongen directe omgeving verdooft de pijntjes en maakt het werk nog enigszins draaglijk en zelfs ietwat aangenaam.
Als de emmer vol is, wat goed is voor ongeveer vijf kilo, wordt deze geledigd in een juten baal. Is deze vol, na een vijftal emmers, dan wordt deze op de rug of op de schouders gezwierd en zo naar de centrale bascule gedragen. Het gewicht wordt op een persoonlijke fiche genoteerd. Een ploegbaas surveilleert of er niet te veel erwten blijven hangen aan de afgewerkte struiken, achter de rug van de plukkers. Na een viertal uren wordt “geschoofd”, een gelegenheid om gekke verhalen boven te halen en enkele jonge of naïeve plukkers in de maling te nemen. Rond de middag, als de zon onbarmhartig op de hoofden en de ruggen brandt, het zweet in beekjes neerdwarrelt en het stof op onze huid plakt, wordt het werk stopgezet en de dagbalans opgemaakt. De beste plukkers(sters) halen rond de 150 kilogram, wat hen ongeveer 200-300 franken oplevert, wij halen ongeveer de helft. Van kinderarbeid is nog geen sprake en het verdiende geld wordt later zonder morren aan het huishoudgeld toegevoegd. Het is nog even wachten op de open camion, midden de velden met het hoge goudgele koren, waaruit af en toe een koppeltje opduikt, midden de klaprozen, onder de trillende middaghitte en het strakblauwe zwerk.
Eenmaal terug thuis blijft nog genoeg energie over. Vlug iets eten, andere kleren aan, de fiets op en gaan zwemmen naar de Weelkes, een natuurlijke zwempoel, waar we samen met de plaatselijke jeugd afkoeling vinden en onze levenslust verder kunnen botvieren.
Zomervakantie van 1957. Het is maandag, 4 uur ’s morgens. Slaperig, met de prut nog in de ogen, zitten Jo, mijn oudste broer, en ik op onze emmer en we wachten op de berm van de weg op het nakend transport. De zonsopgang laat nog even op zich wachten en een lichte dauw weerkaatst de eerste lichtstralen uit het zwerk. Binnen enkele ogenblikken zal de open camion van de Gebroeders De Bock uit Verrebroek ons oppikken en ons samen met de bonte bende naar de erwten- of bonenvelden brengen om ons daar als “loonslaven” te werk te stellen. Opeengepakt als sardienen, zittend op onze emmer, vinden we steun bij elkaar en bij elke bocht golft de amorfe massa, aangedreven door de inertie, tegen de draairichting in. Onze “schoofzak” is veilig in onze emmer opgeborgen. De samenstelling van de plukkers kan niet meer heterogeen zijn. Jong en oud, man en vrouw, maar geen meisjes. (x bestond toen nog niet).
De stemming is, ondanks alles, opgewekt. Enkele lolbroeken brengen met hun grappen en grollen zelfs de grootste zuurpruimen aan het lachen. Af en toe wordt er zelfs gezongen. Zo moet het er ook aan toegegaan zijn toen de negerslaven in het diepe zuiden van de V.S. naar de katoenvelden werden gebracht. Alleen zongen zij blues en negrospirituals en wij zingen Vlaamse schlagers. We worden afgezet in het midden van de polder. De lengte van de akker wordt verdeeld onder de plukkers, in gangen van ongeveer één meter breed. Iedereen trekt kruipend op de knieën de struiken uit de grond en plukt de erwten er af in zijn eigen tempo. Sommige iets oudere pluksters doen dit in een hels tempo dat ze de ganse dag volhouden. Onze knieën beginnen langzaam te irriteren door het geschuif over de droge, harde grond en verkleuren van wit naar roos. Onze handen worden overgevoelig door het intense contact met de grond en de planten. De geur van de natuurdoordrongen directe omgeving verdooft de pijntjes en maakt het werk nog enigszins draaglijk en zelfs ietwat aangenaam.
Als de emmer vol is, wat goed is voor ongeveer vijf kilo, wordt deze geledigd in een juten baal. Is deze vol, na een vijftal emmers, dan wordt deze op de rug of op de schouders gezwierd en zo naar de centrale bascule gedragen. Het gewicht wordt op een persoonlijke fiche genoteerd. Een ploegbaas surveilleert of er niet te veel erwten blijven hangen aan de afgewerkte struiken, achter de rug van de plukkers. Na een viertal uren wordt “geschoofd”, een gelegenheid om gekke verhalen boven te halen en enkele jonge of naïeve plukkers in de maling te nemen. Rond de middag, als de zon onbarmhartig op de hoofden en de ruggen brandt, het zweet in beekjes neerdwarrelt en het stof op onze huid plakt, wordt het werk stopgezet en de dagbalans opgemaakt. De beste plukkers(sters) halen rond de 150 kilogram, wat hen ongeveer 200-300 franken oplevert, wij halen ongeveer de helft. Van kinderarbeid is nog geen sprake en het verdiende geld wordt later zonder morren aan het huishoudgeld toegevoegd. Het is nog even wachten op de open camion, midden de velden met het hoge goudgele koren, waaruit af en toe een koppeltje opduikt, midden de klaprozen, onder de trillende middaghitte en het strakblauwe zwerk.
Eenmaal terug thuis blijft nog genoeg energie over. Vlug iets eten, andere kleren aan, de fiets op en gaan zwemmen naar de Weelkes, een natuurlijke zwempoel, waar we samen met de plaatselijke jeugd afkoeling vinden en onze levenslust verder kunnen botvieren.


