Fictie

Verloren in de Viller Mühle

Marieke Nillesen

Verloren in de Viller Mühle

Uittreksel:

Marieke Nillesen
Verloren in de Viller Mühle







Oktober

Anna loopt. Zoals elke dag afgelopen week. Ze duwt haar dikke buik voor zich uit, als een last. Het kind zou er al moeten zijn. Ze is vandaag een week geleden uitgerekend. Iemand heeft haar verteld dat lopen de weeën opwekt. Wie was dat ook alweer? Gedachteflarden vliegen door haar hoofd, net als de wind die om haar hoofd waait en aan haar lange bruine krullen trekt zodat ze alle kanten opwaaien. Of heeft ze er ergens over gelezen in de vele tijdschriften en boeken over zwangerschap, de bevalling, het krijgen van een kind? Niets wat in al die boeken staat, heeft haar kunnen voorbereiden op hoe het echt is om een kind te krijgen. Hoe het echt voelt je lichaam te delen met een vreemd levend wezen dat je niet kent, alleen maar neemt, profiteert en niets teruggeeft. De vele kwaaltjes die haar de afgelopen weken, ja maanden, dagelijks teisteren. Die goedbedoelde adviezen van al die goedbedoelende mensen, die ze allemaal glimlachend te woord moet staan, terwijl ze de ongevraagde raad zwijgend incasseert, zich steeds nerveuzer en steeds meer gestrest voelend. Van de roze wolk en het gelukzalige gevoel, het zich verheugen op de geboorte van de baby, voelt ze niets. Angst! Dat voelt ze ja, angst, niets dan angst. Angst voor wat er komen gaat, angst voor het onbekende, angst om de dingen die mis kunnen gaan. Sinds de dag dat ze samen met Jannes op de afdeling gynaecologie het kleine wormpje in haar buik op de monitor heeft gezien, is ze nerveus en bang.
Anna komt niet graag in ziekenhuizen, al dat steriele wit vindt ze vervelend. Anna houdt niet van wit. Haar huis heeft ze ingericht met veel kleur en ook haar kleding is vaak kleurrijk, goed gecombineerd, dat wel, daar let ze op. Het ziekenhuis waar ze zal gaan bevallen en de laatste weken steeds op controle moet, is hetzelfde ziekenhuis waar ze zelf is geboren. Dat vindt ze wel mooi, het kringetje is dan rond. Eigenlijk zou ze liever thuis willen bevallen, zoals dat tegenwoordig in haar geboortestreek gebruikelijk is, maar dat wordt bemoeilijkt omdat ze nu in het grensgebied woont. De verloskundigen hebben laten weten dat ze niet de grens overgaan, bovendien komt de ambulance haar niet halen als er moeilijkheden zijn.
Ze heeft er geprobeerd over te praten, over haar angsten. Eerst tegen haar ouders, alhoewel ze wist dat die haar niet zouden begrijpen. Daarna tegen haar schoonouders, die vaak meer begrip voor haar tonen. Ook Jannes heeft ze vaak verteld over haar twijfels, sombere gevoelens, haar angsten. Steeds stootte ze tegen onbegrip, dat vermomd werd als goede raad. Zoals: lees er eens een boek over, of: ga eens iets leuks doen, waarom doe je niet een leuke cursus, nu heb je er nog tijd voor en het brengt afleiding. Of erger nog: je moet blij zijn dat je zo snel zwanger bent geraakt, dat is niet bij iedereen zo vanzelfsprekend, wat klaag je nou, jij en het kind zijn toch gezond? Ach, Anna kan ze ook geen ongelijk geven. Haar beste vriendin bijvoorbeeld krijgt keer op keer miskramen. Ze wil zo graag een baby, maar het lukt gewoon niet. Een andere vriendin van haar wil maar niet zwanger worden en daar de zus van kampt weer met een vleesboom. Ook wist haar moeder te vertellen over een verre nicht van haar die tijdens de zwangerschap van een tweeling ontdekte dat ze eierstokkanker had, waardoor ze een van de tweeling verloor en nu kunstmatig zwanger gehouden wordt. En waarschijnlijk zijn er wel duizenden meer van dat soort verhalen te vertellen, het ene nog gruwelijker dan het andere. Nee, dat soort problemen heeft Anna niet. Toen Jannes en zij besloten zwanger te worden, lukte dat ook meteen. En ook de zwangerschap verloopt vrijwel probleemloos: haar bloedwaarden zijn goed, het kind groeit gestaag en ook haar bloeddruk voldoet aan de vastgestelde eisen, is zelfs wat te laag (maar geen haan die daar naar kraait).
Tja, die kwaaltjes horen er gewoon bij. Veel vrouwen genieten daar juist van en dragen ze met trots, zo merk je tenminste dat je echt zwanger bent. Enthousiast en met flair vertellen ze tijdens de zwangerschapscursus over ochtendmisselijkheid, pijnlijke rug en tepelkloven. Anna vond het moeilijk om mee te doen met het gezellige geklets van de verwachtingsvolle vrouwen. De georganiseerde uitjes, buiten de cursus om, vergat ze gewoon en ze is eigenlijk ook niet van plan om de dames na de bevalling nog eens te ontmoeten om elkaars spruiten te bewonderen.
Anna ondergaat haar zwangerschapskwalen niet met blijdschap en trots. Soms kan ze de lachende gezichten op de pagina’s van ‘Wij jonge ouders’ wel wat aandoen. Dat tijdschrift brengt haar moeder ongevraagd elke week voor haar mee, vaak wordt ze misselijk als ze erin kijkt. De eerste drie maanden hoefde ze niet eens in dat tijdschrift te kijken om misselijk te worden. Misselijk was ze toch al, niet alleen ’s ochtends, maar de hele dag. Eten, niet eten, veel drinken, gummibeertjes kauwen; niets hielp. Overgeven hoefde ze niet, ze hield alles keurig binnen. Net als haar klachten toen ze merkte dat de mensen in haar directe omgeving zich begonnen te irriteren omdat ze niet ontzettend enthousiast was over de zwangerschap en met vreugdevolle blijdschap, tevreden haar bevalling afwachtte. Na de misselijkheid begon haar buik te groeien, naar voren. ‘O, het wordt een jongetje!’ kraaiden de vrouwen boven de vijftig die haar zagen. ‘Als het naar voren groeit, wordt het een jongetje.’ Niet alleen haar buik, ook haar borsten, die al niet zo klein waren, groeiden, ook naar voren dus, wat resulteerde in een pijnlijke nek en schouders. Ook haar rug deed en doet pijn, alles eigenlijk, als ze er goed over nadenkt. ‘Alles doet me gewoon pijn!’ roept ze ineens heel hard tegen de wind. De wind reageert door nog harder aan haar haren te trekken. Ook rukt hij aan haar jas, die ze probeert dicht te houden, over haar buik heen. De jas sluit niet, de afgelopen zomer had ze er geen nodig. Het is een warme zomer en nazomer geweest, te warm eigenlijk. Anna heeft er niet van genoten, van de ‘mooie’ zomer. Het licht was haar te fel, op warme dagen zat ze het liefst binnen met de gordijnen dicht, gebogen over een grote legpuzzel en de televisie aan.
Het kind in haar buik groeit dus gestaag, zoals dat gaat met baby’s in buiken. Anna heeft het gevoel dat de buik niet alleen naar voren groeit, maar ook naar binnen, zodat er steeds minder plek is voor haar maag, darmen, blaas, maar ook haar hart en haar longen steeds meer in de verdrukking komen. Soms denkt ze weleens dat de baby zoveel plaats inneemt dat er geen plaats meer is voor haar ingewanden, of haar innerlijk, of haarzelf. Ze kan niet meer veel eten, en moet om het kwartier naar de wc om te plassen. Poepen gaat nog maar moeizaam, één keer in de om en nabij vijf dagen produceert ze met pijn en moeite een harde keutel. Ook is ze benauwd, ze heeft vaak het gevoel dat ze te weinig lucht krijgt. Nog een reden waarom ze vaak lekker binnen blijft. Vanwege een pollenallergie heeft ze een aantal keren een astma-aanval gehad, dat was wel al enkele jaren geleden, maar je weet maar nooit. Als ze de laatste weken een voet buiten de deur zette, brak het zweet haar uit, door de warmte, het felle licht, de angst voor pollen.
Nu is het anders. Sinds het kind is ingedaald, krijgt ze weer wat meer lucht en hoewel het nog best warm is voor de tijd van het jaar, is de zon niet meer zo fel en heet, maar vriendelijk en verschuilt zich regelmatig achter schapenwolkjes. Als ze er nog eens over nadenkt, heeft ze de zon eigenlijk al een tijd niet meer gezien. Ze loopt nu al een hele tijd, hoelang, weet ze niet. Nadat ze vanochtend flink
ruzie heeft gemaakt met Jannes heeft ze, nadat hij de deur uit ging richting werk, een hele tijd zitten kniezen op de bank. Ze wilde niet dat hij wegging, ze wilde dat hij bij haar bleef. Ze had vanochtend al een onbestemd gevoel over vandaag. Ook het weeralarm dat gisteren op het journaal uitgegeven was voor vandaag zit haar dwars. Geadviseerd is om vandaag zo veel mogelijk thuis te blijven en zeker in de namiddag de deur niet meer uit te gaan. Toen ze dat hoorde, verheugde ze zich al op een gezellige dag met Jannes thuis, ze zag het al helemaal voor zich: kaarsjes aan, dvd’tje, het bad laten vollopen, misschien zelfs wat massageolie. Net als… tja, net als wanneer eigenlijk? Jannes is altijd een actieve jongen geweest, hij houdt niet van lummelen zoals hij zelf zegt, hij besteedt zijn tijd graag nuttig.
Hun eerste echte ruzie vond dan ook plaats toen ze voor het eerst samen op vakantie waren. Het was een spontane vakantie; tent in de auto en op zoek naar avontuur. Richting Zuid-Frankrijk ging het, daarna misschien Spanje, Portugal. Toen vond Anna het nog heerlijk om de zon en warmte op te zoeken. Ze kon uren met vriendinnen aan het water liggen kletsen, de zon brandend op haar schouders en rug, die niet te vaak met zonnebrandcrème ingesmeerd werden, zodat ze een mooi kleurtje kreeg. Jannes maakte het allemaal niet zoveel uit, zolang het niet te duur werd ging hij bijna overal mee naar toe. Na een paar dagen autorijden, hadden ze de Franse kunst bereikt en was Anna behoorlijk gaar. Het was warm in de auto, de zon stond hoog in de wolkeloze hemel. Verlangend keek ze uit het autoraam naar het prachtige azuurblauwe water en het mooie, parelwitte strand. ‘Laten we onze handdoeken pakken en aan het strand gaan liggen,’ stelde ze Jannes dan ook voor.
‘Nee,’ reageerde Jannes, ‘het water is nog veel te koud om te zwemmen, ik heb geen zin de hele vakantie aan het strand te gaan liggen, bovendien hebben we nog geen campingplek gevonden.’ Dit was het begin van een lange ruzie vol beschuldigingen en misverstanden, die twee dagen zou duren. Natuurlijk hebben ze het ook weer bijgelegd, want verliefd, dat waren ze wel. Aan het strand hebben ze nauwelijks gelegen.
Dus toen ze vanochtend samen aan het ontbijt zaten, was Anna erg teleurgesteld toen Jannes aankondigde dat hij naar zijn werk ging. Teleurgesteld? Ronduit boos eigenlijk! ‘Naar het werk? Waarom blijf je niet thuis, bij mij, jouw werk gaat ook altijd voor!’ Tranen stonden in haar ogen. Jannes, die vond dat Anna overdreef, zoals wel vaker, probeerde de boel in alle redelijkheid te sussen. ‘Over een paar dagen is het weekend, dan ben ik twee volle dagen bij jou thuis, bovendien kan ik langer bij je thuisblijven als ik nu even mijn werk afmaak, dat is veel makkelijker als de baby er eenmaal is.’ Anna, die haar teleurstelling niet zo een-twee-drie kan verwerken, laat zich niet zo snel overtuigen. ‘Je kunt toch wel één dagje bij mij thuisblijven, dat zal je baas vast wel begrijpen, er zullen vast meerdere collega’s thuisblijven vandaag. Je had laatst toch gezegd dat het werk heel lekker liep?! Wat maakt dat ene dagje dan uit?’
‘Ja,’ wijst Jannes haar terecht, ‘de reden dat het lekker op mijn werk loopt, is omdat ik er elke dag naartoe ga, het is echt even belangrijk dat ik dit nog even afmaak. Ik zou het wel even willen uitleggen, maar normaal gesproken heb je ook weinig interesse voor wat ik doe, dus je zult het wel niet begrijpen, bovendien is het een voordeel dat er een aantal collega’s vandaag thuisblijven, word ik tenminste niet om het minste geringste gestoord!’ Nu is Anna echt in tranen: ‘Je geeft ook helemaal niets om mij! Straks komt de baby en zit ik hier helemaal alleen in de storm, ik wil niet alleen thuisblijven!’ Dat ziet Jannes ook wel in: ‘Weet je wat,’ zegt hij, ‘ik breng je wel even naar je ouders, die wonen vlak bij het ziekenhuis en mijn werk. Als de weeën beginnen, bel je me even en ben ik binnen vijf minuten bij je, dat lijkt me op dit moment echt het beste.’ Dat was ze dus niet van plan, zich laten afschepen als een lastig kind. ‘Nee,’ pruilt ze dan ook, ‘dan blijf ik wel gewoon thuis!’ Ze loopt weg van de ontbijttafel en laat zich met haar armen over elkaar op de bank in de woonkamer vallen. Maar nu is Jannes niet meer af te brengen van het idee dat het beter is dat Anna beter naar haar ouders kan gaan. Hij loopt haar achterna en probeert haar te overtuigen. Om er maar vanaf te zijn, antwoordt Anna knorrig: ‘Ja ja, is al goed, nog even douchen en dan ga ik wel’ en pakt een tijdschrift waarachter ze haar gezicht verbergt. ‘Getver, Wij jonge ouders, er is ook niet aan te ontkomen, dat zwanglustige gedoe.’

Nadat Anna nog een keertje heeft moeten beloven dat ze naar haar ouders gaat, loopt Jannes de deur uit en stapt in zijn degelijke Mégane. Hij is eigenlijk al te laat, de ruzie heeft hem opgehouden en het is nog zeker een halfuur rijden naar zijn werk, bovendien komt hij zo ook nog eens een keertje in de file. Als hij niet voor een bepaalde tijd van huis gaat, staat hij altijd vast bij de afrit van de snelweg. Maar dat viel gelukkig mee, vanwege de voorspelde storm zijn veel mensen thuisgebleven. Als hij op zijn werk aankomt, kan hij zelfs op zijn favoriete plekje parkeren, daar waar aan het einde van de dag schaduw is waardoor zijn auto niet in een oven is veranderd als hij weer naar huis toe rijdt, alhoewel dat vandaag waarschijnlijk niet aan de orde zal zijn. ‘Ach, het zal trouwens ook allemaal wel meevallen,’ denkt hij als hij naar boven kijkt, het zonnetje staat vriendelijk aan de hemel en hoewel de takken van de bomen bewegen in de wind, waait het nog niet heel erg hard. Als hij bij de receptie nog even wat zaken afhandelt, kijkt de receptioniste hem ietwat bevreemdend aan. ‘Goh, ik dacht dat u vandaag wel thuis zou blijven, uw vrouw is toch hoogzwanger?!’ Dat had ze eigenlijk niet hoeven vragen, want bijna dagelijks heeft ze afgelopen maanden vriendelijk geïnformeerd naar het wel en wee van zijn vrouw. ‘Heb je het dan niet gehoord van de verwachte storm, gisteren op de tv, ze zeiden dat het flink tekeer zou kunnen gaan. Ik dacht dat je vandaag wel bij je zwangere vrouw zou blijven, de baby moet toch bijna komen? Ikzelf zou ook liever thuis gebleven zijn, maar ja, de receptie moet bemand blijven zolang er mensen op het werk komen opdagen,’ zegt ze met een zuur gezicht. ‘Allemaal paniekzaaierij van de media,’ reageert Jannes niet onvriendelijk, ‘het zal allemaal heus wel meevallen. Kijk maar eens naar buiten, het is eigenlijk prachtig weer om een mooie herfstwandeling te maken!’

Dat was precies wat Anna dacht, nadat ze vond dat ze genoeg op de bank had zitten kniezen. ‘Ik kan net zo goed nog iets van de dag proberen te maken, bovendien ziet niemand me hier en heeft dat kniezen dus geen nut.’ Eigenlijk zou ze aan de was en strijk moeten beginnen, poetsen of andere nuttige huishoudelijke zaken, die haar steeds weer uit haar humeur probeerden te krijgen, maar toen ze naar buiten keek, zag ze dat het eigenlijk best mooi weer was. De zon scheen bleek door de bladeren van de bomen die al begonnen te verkleuren en zachtjes bewogen in de wind. ‘Het zal wel meevallen met die storm,’ denkt ze, ‘straks als het echt losbreekt, kan ik altijd nog naar mijn ouders gaan, ik ga gewoon niet zo ver weg. Of ik laat Jannes zien dat ik echt niet zo’n bang muisje ben en blijf gewoon thuis. Dat zal hem leren, mij te behandelen als een klein kind!’ Ze trekt haar zomerjas aan en na enige twijfel haar rode poncho, waarin ze zich altijd zo behaaglijk voelt. Ze stopt haar mobieltje in haar jaszak, maakt de deur achter haar op slot en loopt de straat in. Aan het einde van de straat moet ze een weg oversteken om in het bos te komen. Het bos is niet groot, eigenlijk loopt er maar één rechte weg doorheen, van het begin tot het einde, een paar keer gekruist door zijwegen. In het bos is het stil en vochtig, het is een beetje klam weer, onweer hangt in de lucht. De zon dringt nauwelijks door de volle boomkruinen, het ruikt naar mos en schimmel. Ondanks dat de temperatuur de laatste dagen sterk gedaald is, heeft ze het niet koud, ze trekt haar rode poncho behaaglijk om zich heen. Anna voelt zich fijn hier, geborgen. Haar hoofd is helemaal leeg. Ze loopt en belandt in een prettig ritme. Aan het einde van de weg ziet ze een stuk helderblauwe lucht, als het licht aan het einde van een tunnel, bijna te fel voor haar ogen. Ze concentreert zich liever op de grond. Nu hoort ze toch wat. Het gestage gebrom van een motor, een grote motor, als van een landbouwmachine. Tractors genoeg in deze omgeving, het is hier erg landelijk. Het geluid zwelt aan naarmate ze dichter bij de bosrand komt. Anna stoort zich er eigenlijk niet aan, zo vredig voelt ze zich. Dan, als ze de weg bereikt die de bosrand scheidt van het daarachter gelegen weiland, wordt ze plotseling verblind door een fel wit licht. De boer die snel nog even wat balen hooi van het land wilde halen voordat de storm losbarst, draait zijn combine net op dat moment de weg op en schijnt met zijn koplampen in haar ogen. Anna schrikt zo erg dat ze een hoge gil slaakt, haar vredige humeur is plotseling weg en woedend staart ze de combine achterna. ‘Wat een eikel,’ denkt ze, ‘hij ziet toch dat ik hier loop, hij had me wel kunnen vermoorden en ik ben nog wel zwanger.’ Geïrriteerd loopt ze verder, een andere richting uit, die ze oorspronkelijk wilde nemen, tegen de wind in, die plotseling als vanuit het niets is komen opzetten. Eigenwijs en een beetje irreëel denkt ze: ‘Iedereen schijnt te willen verhinderen dat ik mijn dagelijkse ronde loop, ik zal ze eens wat laten zien, ik loop vandaag gewoon een grotere route, ik kan echt wel zelf weer de weg terugvinden, zo achterlijk ben ik nou ook weer niet.’

Jannes zit in de kantine van zijn werk aan zijn dagelijkse soep en welverdiende twee boterhammen. Het is er niet druk, bijna uitgestorven zelfs. Het gesprek gaat voornamelijk over de storm en dat het bedrijf vroeg gaat sluiten. Jannes is er met zijn gedachten niet helemaal bij, hij denkt aan Anna en hun ongeboren kind. Anna zeurt de laatste tijd wel een beetje veel. Ze zegt dat ze bang is. Bang waarvoor? Voor de storm? Voor de eenzaamheid? Voor de bevalling? Voor het bestaan? Ze is de laatste tijd overal bang voor. Ach, vrouwen. Vrouwen en hormonen. Hijzelf is niet zo snel bang, zeker niet voor een beetje wind, hij staat met beide voeten stevig op de grond. Hij weet wel wat verstandig is en dat hij niet altijd moet toegeven aan de grillen van zijn vrouw. Anna niet. Anna staat niet met beide voeten in de aarde. Jannes heeft weleens het idee dat Anne door het leven zweeft, als een lieve fee, of een elfje. Soms is het meer fladderen. Eigenlijk vindt Jannes dat hij er weer veel te veel gedachten aan verspilt. Hij staat met beide voeten in de aarde, Anna zweeft. Hij houdt van Anna, Anna heeft hem nodig om niet weg te vliegen. Zo moet het ook. Hij heeft weleens ergens gelezen dat tegenpolen elkaar aantrekken. Hij schrikt op uit zijn gedachten door een joviale schouderklap. ‘De pauze is afgelopen, Jannes! Zit je weer weg te dromen?’ Zijn baas staat achter hem, met zijn lege dienblad in zijn hand. ‘Ik wegdromen?’ denkt Jannes, ‘dat doe ik niet, dat is iets voor vrouwen!’ Hij kijkt zijn baas verontschuldigend aan. ‘Moet weer eens aan het werk,’ mompelt hij en schuifelt richting uitgang, verbaasd nagestaard door zijn baas. Niets voor Jannes; zijn dienblad staat er nog met de bijna onaangeroerde soep en een halve boterham. Het is niet alleen niets voor Jannes om zijn eten niet op te eten, normaal brengt hij zijn dienblad altijd netjes terug, met een vriendelijk woord voor de kantinejuffrouw. Hij haalt zijn schouders op, negeert Jannes’ dienblad met de gedachte: ‘Ik ben niet van plan de rommel achter mijn personeel op te ruimen’ en verlaat eveneens de kantine, richting kantoor. ‘Nog even mijn e-mail checken en dan ga ik ook op huis aan,’ denkt hij tevreden, ‘dan ben ik hier wel lang genoeg geweest om het goede voorbeeld te geven.’ Handenwrijvend loopt hij zijn kantoor binnen waar het behaaglijk warm is door de centrale klimaatbeheersing. Hij doet de verlichting aan. Buiten wordt het al donkerder, de takken zwiepen in de wind en de regen klettert tegen de ruiten.

Ook Anna loopt in haar handen te wrijven, maar niet van tevredenheid, eerder van de kou. Ze weet niet meer hoelang of hoe ver ze heeft gelopen. Ze weet niet meer waar ze is, zelfs wie ze is, is haar onduidelijk. Harde windvlagen zwiepen rondzwervende takken en straatvuil tegen haar aan, de regen striemt in haar gezicht. Ze voelt een harde steek in haar buik, ze grijpt ernaar. Op de plaats waar haar kleine, zachte buikje zou moeten zitten en waar ze de pijn voelt, zit nu een grote, ronde, harde skippybal, ze schrikt. ‘Waar ben ik? Wie ben ik?’ roept ze tegen de storm die nu losbreekt. Ze moet haar ogen dichtknijpen om iets te kunnen zien en kijkt om zich heen. In de verte ziet ze een toren boven de bomen uitsteken. Anna is nog net bij zinnen om te beseffen dat torens bouwwerken zijn waar ze zou kunnen schuilen en waar mensen zouden kunnen zijn die haar kunnen helpen. De stekende pijn is gelukkig weg, de grote, ronde, harde skippybal is er helaas nog steeds. Dat maakt haar een beetje ongerust. ‘Daar is iets mee,’ denkt ze. ‘Maar eerst schuilen, dat is nu het belangrijkst.’ Dus zet ze koers richting de toren. De wind speelt een spel met haar. Soms blaast hij in haar rug en lijkt het of ze vliegt, andere keren moet ze worstelen om vooruit te komen. ‘Het is alsof de wind niet weet of ze de goed kant op gaat, alsof de wind in discussie is met zichzelf,’ denkt Anna, ‘dat hebben we gemeen, de wind en ik, ik kom er zelf vaak ook niet uit.’ Maar nu weet ze zeker dat ze naar de toren moet en blijft ze gefocust, alsof de toren aan haar trekt. Ze knijpt haar ogen halfdicht en concentreert zich zo hard dat ze haar hersenen in haar schedel voelt kloppen. Anna voelt geen kou meer en ook geen pijn, ze hoort de toren zingen in haar geest, het is mooie muziek. Het geluid van de toren is als de zachte klanken van een lieflijke piano sonatine, waar ze als jong meisje zoveel op geoefend heeft. Nu voelt ze niet alleen geen kou en pijn meer, ze voelt niets meer. Anna voelt haar lichaam niet meer, ze ziet niets meer, ze voelt alleen nog maar de muziek en laat zich in die richting leiden. Totdat ze op iets hards stoot. De betovering is gebroken.

Formaat: 13,5 X 21,5
Pagina aantal: 304
ISBN: 978-3-99064-228-3
Publicatie datum: 03.04.2018
Gemiddelde klanten gradering: 5
EUR 17,90
EUR 10,99