Geschiedenis & biografie

Roosje en de Zilverschaatsjes

Roosje Lampe-Cordang

Roosje en de Zilverschaatsjes

Het wonderlijke levensverhaal van een bevlogen schaatster

Uittreksel:

Over de schrijfster

Roosje Cordang (1933)
Roosje werd geboren in 's-Hertogenbosch als oudste en talentvolle dochter van edelsmid Guillaume Cordang en Rosa Valentijn. Na Roosje werd het gezin aangevuld met nog vier meisjes en twee jongens.
Doordat haar vader voor kerken, kloosters, gezagsdragers en belangrijke mensen talloze werkstukken maakte waarvoor de opdrachtgevers veelvuldig aan huis kwamen, kwam Roosje in contact met een grote verscheidenheid aan mensen uit allerlei lagen van de bevolking, wat mogelijk heeft bijgedragen aan haar vorming en brede interesse. Roosje ontwikkelde zich als een, voor die tijd, zeer onbevangen en mondig meisje en sommige docenten van de mms (middelbare meisjesschool) wisten daardoor in die tijd geen raad met haar. Maar ondanks alle aanvaringen deed zij in 1952 met glans haar eindexamen.
Roosjes grote kinderpassie was het schaatsen, wat als een zilveren draad door haar levensverhaal loopt. Gedurende haar jeugd kreeg zij door omstandigheden de kans om zelfstandig te reizen door Engeland, Zwitserland en Italië. Het bracht haar vele contacten en een rijk leven.
Vele onalledaagse belevenissen kwamen op Roosjes pad, die zij, mede door haar enorme geheugen, op beeldende wijze weet te vertellen. Familie en goede vrienden uit Den Bosch hoorde ik vaak zeggen dat ze dit zou moeten opschrijven. Wel, dat heeft zij gedaan. Haar levensverhaal heeft zij verrijkt met talloze anekdotes, historische feiten, foto's en haar eigen tekeningen.
Eerder schreef zij Het Oetelvertelboek waarin zij de 33-jarige geschiedenis verhaalt van de in Den Bosch beroemde carnavalsvereniging ‘De Oetels’.
Jan Adriaansen (partner en schaatspartner)
Helvoirt 2018 


Over mijn verhaal

In dit boek beschrijf ik hoe het schaatsen in mijn jeugd en in mijn latere jaren een belangrijke rol speelt.
Ik groeide op in Den Bosch en mijn schaatsliefde werd tot leven gewekt in de oorlogswinter van 1942-'43. Ik was toen 9 jaar en had twee broers en vier zussen, maar het ijs heeft alleen mij kunnen bekoren. Schaatsen waren in die jaren niet te koop en mijn vader heeft daarom voor mij schaatsijzers gemaakt, dat maakte me dolblij!
In mijn verhaal worden vele zijpaden betreden waar schaatsen raakt aan bekende en minder bekende gebeurtenissen en historische personen. Het verhaal is rijk geïllustreerd met foto's, prenten en mijn tekeningen.
In 1959 ben ik in het huwelijk gestapt met Ben Lampe, wij kregen een gelukkig gezin en voor schaatsen bleef niet veel tijd over. Toen stierf in 1999 plotseling mijn man en een paar jaar later mijn mooiste en begaafdste dochter. Zij was manisch depressief en sprong op 42-jarige leeftijd van een hoge flat.
Het verhaal laat vervolgens zien hoe na deze diepverdrietige gebeurtenissen mijn schaatstalent mijn liefde voor het ijs heeft doen opleven. Het werd ijsdansen, voor mij totaal nieuw, ik moest alles leren. Het koude ijs kreeg mij boven nul en hield mij overeind.
IJsdansen vraagt veel van je brein, het is een moeilijke sport en een prachtige sport, begeleid door heerlijke muziek; je verdrietkamer in je brein wordt echt kleiner gedrukt. Je moet veel tegelijk doen, het eist 100% concentratie. Toen het steeds beter ging stroomden er toch geluksgevoelens door mij heen.
Ik heb er nooit naar verlangd aan de top te komen om beroemd worden, dat heeft geen enkele waarde voor mij. Plus dat dat streven enorme en vaak negatieve, zeer plezier verlagende spanningen veroorzaakt.

Roosje
Helvoirt 2018

Inhoudsopgave

Op de bevroren polders
Verblijf in Engeland
Terug in Nederland
Intermezzo: Historische schaatsontwikkelingen
Meer schaatsbelevenissen
Mijn middelbare school
Een nieuw leven
Terug naar Brabant
De diversiteiten van het schaatsenrijden
Oneerlijkheden in de sport
Allerlei details
Personen die ik wil noemen
In de publiciteit
Slotwoord
Dankwoord en fotoverantwoording

Op de bevroren polders

’s-Hertogenbosch 1942
Het was oorlog, het was zondag, het was koud en zowat midden op de dag. Vanuit de Kerkstraat, waar we woonden, gingen mijn vader en ik samen de deur uit, we liepen hand in hand richting de grote kerk en diagonaal de parade over. De wereld was wit en de sneeuw op de parade was verdeeld door slibberbanen waar kinderen overheen gleden. Ze hadden bijna allemaal gewone schoenen aan maar sommigen waren op klompen. Dat wilde ik ook altijd om te slibberen, dan ging je veel harder.
We liepen de Triniteitstraat door, over de brug van de Dieze, die nog van water was, over de grote weg en al snel over het brugje van de Pettelaar.
De landweg op naar St. Michielsgestel, waar aan beide zijden de weilanden vol bevroren water waren, het leken wijde witte zalen, hier en daar afgeroomd door witte bomen en door die bomen heen kon je de verdere zalen zien. Eerder, voor de sneeuw, waren die vlakten nog van geaderd wit en donker marmer met zwarte blote takken-bomen er omheen en het ijs leek toen op het marmer dat bij een steenhouwer stond op een smalle plank aan de muur.
Direct na het brugje aan het begin van de Pettelaarseweg zag je aan de linkerkant heel wat schaatsers, ze reden linksom achter elkaar aan, het ijs was net een grote ananasschijf en in het midden lag een witte berg en in de rondte eromheen een witte dijk.
Vlak bij het ijs, niet zo ver van de weg, stond een donkergroen houten kraampje, waar een ouder mannetje in stond met een mutspet op. Hij stond in zijn handen te slaan en hij had koek-en-zopie. Ik moest op een bankje gaan zitten en papa schroefde de knijpschaatsen onder mijn gewone lage schoenen. De draaisleutel stopte hij in de zak van zijn driekwart dikke jas en hij ging meteen weg, het was hem te koud en tegen de man zei hij: ”Voor donker kom ik haar halen.”
Ik had een grijze winterjas aan met ceintuur, kniekousen, wanten en een gebreide warme muts op, negen jaar jong en helemaal nieuw voor het schaatsbeleven.
Met moeite liep ik over het harde besneeuwde bobbelgras en voorzichtig stapte ik op het ijs. Het was niet moeilijk te gaan glijden en al snel gingen de schaatsen er met me vandoor, maar wel dicht bij de witte dijk en langzaam want ik durfde nog niet harder te gaan. De schaatsen maakten een onvoorstelbaar fijn geluid, daar was niet genoeg van te krijgen, het ging steeds beter en het warmde me op.
Op den duur zagen de schaatsers er steeds eentoniger en donkerder uit, tot er nog maar een tiental zwartgrijze wazen te zien waren en langzaamaan gingen die ook van het ijs af. Ik ging naar het mannetje van het kraampje dat nog feller met zijn handen in de weer was: ”Ga maar rijden!” zei hij, ”anders krijg je het ook koud. Ik ga niet weg hier, eerst moet je vader er zijn.”
Er was niemand meer, helemaal alleen ging ik toch nog schaatsen en toen werd het echt te donker om nog over het versleten ijs te gaan, terug naar het mannetje en dat werd een gezwier met vier armen. Eindelijk kwam mijn vader, amechtig, met wapperende jas en met één hand aan zijn hoed aangehold. Hijgend zei hij dat hij me totaal vergeten was. Zijn brein, gedrenkt in jenever, had de tijdseinen doen verdrinken, hij had met de hele familie aan de borrel gezeten bij mijn opa en opoe.

Eindelijk kwam mijn vader aangehold
Later vertelde papa aan menigeen dat die twee uur langer op het ijs de reden was dat zijn dochter meteen goed kon schaatsen.
Die winter heeft het ijs mij niet meer gevoeld en gezien.

Koek-en-zopie
Ja, koek-en-zopie, dat zag je alleen op het ijs. Koek is koek, maar wat is zopie?
Zopie komt van zoopje, en dat is slokje of borreltje.
Voor 1900 werd er veel gezopen; er kwam een drankwet voor land en voor water, en ijs - ha, ha - was dus vrij van de drankwet! Er reden heel wat beschonken schaatsers rond, maar als ze vielen waren ze slap, ze braken niet vaak wat, hadden veel plezier en konden niet worden gearresteerd! Oorspronkelijk is zopie een verwarmd mengsel van bockbier, rum, eieren, kaneel en kruidnagel en in de 20ste eeuw was zopie warme punch.
Nu is zopie nog steeds en alleen op het ijs: warme chocolade en snert!

Mijn eerste zilverstaalschaatsjes
Winter 1943-’44. Met nog steeds dezelfde schaatsjes en met de jongste knecht van mijn vader, Loekie Ras, gingen we naar het ijs. Hij schroefde de ijzers onder, ging met de sleutel terug en kwam me altijd, te vroeg voor mij, ophalen. Het was zo moeilijk op te houden met oefenen want het werd steeds heerlijker en makkelijker.
Na deze winter kwam ome Gerard met in iedere hand, die hij omhooghield, een zilverkleurig kinderkunstschaatsje onze keuken binnen. Die had zijn zus, die in Engeland woonde, ooit meegebracht voor zijn kinderen, ze waren van haar dochtertje geweest. Mijn opoe had hoge, strakke, donkerbruine, zachtleren rijglaarzen in maat 39 die mij veel te groot waren, papa schroefde de kleine schaatsjes eronder en vulde de laarzen op.


Ik had altijd veel energie, maar na diverse onderzoeken door onze huisarts bleek er veel mis: kalkgebrek, vitamine B en C tekort, bloedarmoede en veel te mager, dat gaf angst voor tuberculose. Na een uitgebreid onderzoek bleek dat niet zo te zijn, en ik had mijn vader nog nooit zo blij gezien; zijn broer was eraan overleden.
Zowat elke dag om tien uur de klas uit, naar het Groot Ziekengasthuis om te hoogtezonnen met alleen een onderbroekje en een grote donkere bril. Er stond een bed in elk van de vele kleine kamertjes van lakens die aan elkaar vastzaten en boven elk voeteneind hing een grote lamp en er waren nonnetjes die alles regelden. Ik lag daar dan lang. Hoe lang? Heel lang.
Bij bakker Maas werd steeds een stuk gist voor de vitamine B gehaald, om gewoon op te eten en mijn moeder maakte iedere dag lammetjespap van maïzena, poedermelk en kalkpoeder. Zo moest mijn vitamine- en mineralenbalans worden hersteld.
Onze huisarts, dokter Otjens, zei dat ik niet zo’n gezond mens zou worden en mijn gebit later hieronder zou lijden. Het schaatsen echter vermoeide mij nooit, maar ik ben wel een paar keer hard op mijn stuitje gevallen, om dan lange weken niet te kunnen zitten van de pijn en jaren later, met vaak rugpijn, bleek dat onder in de rug wervels scheef en stuk waren. Naar alle waarschijnlijkheid door die vallen en dat kalkgebrek. De onderste ribben zitten nu zowat tegen het bekken: zonder die vallen zou er meer lengte zijn in de wervelkolom en zouden mijn ogen de wereld zes centimeter hoger hebben aanschouwd.

Veel water, veel ijs
Najaar 1944. Het werd wachten en wachten op de nieuwe winter, de bruine laarzen met de kleine schaatsjes mochten in onze woonkeuken in een hoekje op een kastje staan. Ze zagen er geduldig uit, dat hielp.
De wijde verten rond Den Bosch liepen elk jaar onder water en niet alleen de weilanden, ook de straten in de stad. Mijn vader had een oom gehad die schipper was, ome Grardus, geboren in 1835, die had verteld dat tot ver in de 19e eeuw in de winter regelmatig ook de St. Jan vol water liep; in de kathedraal werden in een zuil streepjes van de diverse hoogtes gekrast.
Ome Grardus was eens met zijn aak over de parade door de Zuiderpoort tot in het midden van deze grote kerk gevaren. Een tijdje voor mijn vader zijn sterfbed in ging is hij begonnen een schilderij daarvan te maken. Of het water in de stad ooit ijsbanen zijn geworden?
Wel is bekend dat in 1880 het water in de straten tot een meter hoog was en dat dat weken zo bleef. De bakkers en slagers kwamen met bootjes en vlotten langs de deur, de benedenverdiepingen waren leeg, het was een penibel leven. Ome Grardus leefde tot 1920, het zou zomaar kunnen dat het vaar-verhaal in 1880 plaatsvond, met een meter diepte zou de aak dat hebben geaccepteerd. Die hogere streepjes - het waren er meerdere -, die ik met mijn vader in de St. Jan zag als kind, die zijn er niet meer. Er moeten wel nog afbeeldingen zijn van kano’s over de parade. In het begin van de 20ste eeuw werd het Drongels kanaaltje gegraven dat het overtollige water naar de Maas liet stromen.
De polders rond de stad hebben nog jaren een water- en ijslaag moeten verdragen.
Ome Grardus was de vader van de beroemde op bepaalde afstanden nog nooit verslagen wielrenner
Even tussendoor, min of meer door Mathieu Cordang ben ik op de wereld. Mijn pasgetrouwde ouders gingen op bezoek naar Mathieu in Swalmen op een grote motor, mijn moeder was nog niet zo lang zwanger. Mijn vader beloofde voorzichtig te rijden. Na enkele dagen kreeg zij toch een miskraam en daarna raakte ze in verwachting van mij.
Als het ging vriezen werd het ijs op de weilanden snel schaatsrijp, wat een verrukkelijke glad bevroren vlakte tot aan St. Michielsgestel bood. De liefhebbers hadden nu geluk, december werd meteen een koude winter, vele dagen ver onder nul en geen sneeuw, en al vlug stond ik met de nieuwe ijzers en schoenen op de hogere glanzend zilveren vloer die het groene gras verborgen hield. Vanaf het eerste moment namen ze me mee het gladde ijs over.

Formaat: 18 X 27
Pagina aantal: 154
ISBN: 978-3-99064-450-8
Publicatie datum: 24.05.2019
EUR 20,90
EUR 12,99

Hoogtepunten