De strijd om het touw

De strijd om het touw

Marnix van der Lahn


EUR 14,90

Formaat: 13,5 X 21,5
Pagina aantal: 102
ISBN: 978-3-99064-035-7
Publicatie datum: 20.09.2017
De inmenging van een Nederlandse zakenman blijkt cruciaal in het oplossen van een ongeval met een gesaboteerd touw in een Zwitsers bergdorp. Uiteindelijk blijkt dat ‘touw’ en ‘trouw’ meer overeenkomsten hebben dan aanvankelijk werd gedacht en raakt de zakenman steeds meer betrokken bij de inwoners.
De strijd
om het touw


Marnix van der Lahn







Het verhaal in het kort

Een zakenman heeft een zakelijke bespreking in Zwitserland en is zodoende in een klein bergdorp geaccrediteerd. In dit dorp is een bergfeest gaande, maar dit wordt ruw verstoord. Een grootschalig onderzoek wordt in werking gesteld. Als uiteindelijk blijkt dat het slachtoffer, dat op slinkse wijze de zaak van een vooraanstaande touwslagerij kapot probeert te maken, dit op enerlei wijze zelf heeft gedaan, keert de rust in het dal weer terug. De zakenman krijgt hierna een extra taak die hem meer dan goed doet welgevallen. Op de terugreis met de trein plaagt zijn vrouw hem hiermee.


De auteur
























I

Voor zaken ben ik een aantal weken in een klein Duitstalig Zwitsers dorpje geaccrediteerd. De treinreis vanuit Nederland, via Duitsland langs de Rijn, verliep zonder noemenswaardige incidenten. Dat is weleens anders geweest.
Ik betrad mijn zitplaats in Amsterdam en kon tot het einde, station Basel, blijven zitten, waardoor ik mijzelf in de nacht heb kunnen toeleggen op de papieren die mijn baas mij had meegegeven. Er was net voldoende licht in de coupé om de papieren zorgvuldig door te nemen en zodoende de andere treinreizigers niet te hinderen. Daar ik in de internationale trein geen enkele keer hoefde over te stappen, alleen in Basel, kon ik mij ook in de Zwitserse trein volledig toeleggen op de door mijn werkgever aangereikte papieren. Die is doorgaans erg ruimhartig daarin, zo ook nu. Ik moet dus flink doorwerken met “de arbeid”. Mijn baas houdt er daarom de wijze leus op na: “Arbeid adelt”, iets wat hij van zijn grootvader – de oprichter van het bedrijf waar ik werk – heeft meegekregen en doorvoert op al zijn medewerkers. Mijn directe collega vervolgt dan altijd met: “Maar de adel arbeidt niet”.
Overmorgen, maandag, moet ik een lezing houden over een nieuwe vinding die het bedrijf, waar ik te werk ben gesteld, heeft ontwikkeld op het gebied van zuinige energieopwekking. Daarna volgt het ontmoeten van allerlei mensen die vragen hebben over het product en in een stand allerlei verkooppraatjes houden, plus een demonstratie geven in de hoop dat de afzet van het product in de loop der maanden hoog zal worden. Maandagavond ben ik geïnviteerd om aan te zitten aan een diner met hooggeplaatste persoonlijkheden waaronder de burgemeester, de ambassadeur en directeuren van diverse bedrijven uit verschillende landen. Ik weet echter een aangenamere bezigheid, maar ja, dan had ik vroeger op school maar beter mijn best moeten doen, of misschien wel minder? Op de bijeenkomst van aanstaande maandag zal mij worden gevraagd een uiteenzetting te geven over de nieuwste uitvinding. Ik hoop echter dat ik niet al te nerveus zal zijn op het moment suprême.
Na Keulen en voor Karlsruhe is de Rijn, vooral ’s nachts, op zijn mooist. Ik zit aan de goede kant van de Rijn en ik maak zo af en toe wat nachtfoto’s waarna ik mij weer verdiep in de dossiers. Met de saaiheid ervan kan ik enkele containers vullen.
Het is even voor zeven in de ochtend als de trein in Basel SBB arriveert. Het is nog fris als ik hier over moet stappen. In de trein naar Interlaken doe ik mij tegoed aan een heerlijk broodje met Zwitserse kaas en een grote beker koffie die ik kort ervoor in een lokale winkel heb gekocht. De nog bleke ochtendzon heeft qua lichtsterkte al voldoende kracht om mij, gedurende de treinreis, regelmatig in contact te laten komen met de armen van Morpheus. De kracht waarmee hij dit doet is soms onweerlegbaar. In Olten stapt een schoolklas de trein in. Met de nodige decibellen nemen de kinderen plaats in de coupé. De leiding heeft moeite om het kroost in bedwang te houden. De kracht van de kinderen overstemt die van Morpheus. Ze praten over “gezegend, gelukkig, voorspoedig”. In Thun worden mij de gesprekken tussen de kinderen, die dan uitstappen en naar de boot lopen, meer dan duidelijk. Zij gaan naar de Beatushöle - een in de berg lopende druipsteengrot. Ik dank de hogere macht dat het vanaf nu weer rustig is in de trein.
Vanaf Thun rijdt de trein langs het Thunermeer. Ik zoek in mijn aktetas naar de reispapieren en controleer in welke plaats ik mijn eerste ontmoeting zal hebben. Als ik de naam zie krijg ik tranen in mijn ogen. Als klein jongetje stond ik daar al met mijn beide ouders en nu sta ik daar weer en zie wat er van mij is geworden.
Op de dag van mijn aankomst in het kleine bergdorpje, zaterdagmorgen vroeg, schijnt de zon al volop en er is nauwelijks een wolkje aan de strakblauwe hemel te bekennen. Ook de wind laat het vooralsnog afweten. Het is zwoel en de temperatuur is al van dien aard dat elementjes in mijn lichaam diverse kranen ver open hebben gezet. Het licht is scherp zodat een daarvoor bedoelde bril geen overbodige luxe is. Dit belooft wat voor de rest van de dag. De toppen van de bergen hebben onder invloed van Helios de afgelopen tijd flink te lijden gehad. Slechts een enkele bergtop heeft nog het uiterlijk van een albino, het overblijfsel van Koning Winter dat zij niet prijs hebben willen geven. De nul-gradengrens is als gevolg daarvan behoorlijk gestegen. Die ligt momenteel rond de vierduizend meter.
Een bergbaan zoeft in de lucht over mijn hoofd en de bomen naar de top van de berg. Enkele actieve wandelaars en natuurliefhebbers hebben zich verschanst in de kooi en laten zich tot grote hoogten brengen. Zij kijken naar waar de kooi zijn einddoel heeft en ontvluchten zo het drukke dorpsleven waarin ik min of meer verzeild ben geraakt.
Even verderop ligt het uitgestrekte deel van het dorpsplein. Op het daar gelegen lokale plein, dat op een steenworp afstand van het hotel zou moeten liggen, is al een feest gaande dat zijn weerga niet kent. Overal zijn evenementen. Op de muziekpodia spelen om beurten groepjes muzikanten. Eet- en drinktentjes, die de geur over de omgeving hebben verspreid, worden druk bezocht. De lokale bevolking heeft zich in de mooiste plaatselijke klederdracht gehuld.
Een postauto heeft mij met Zwitserse precisie van een groot transitostation uit het dal naar dit kleine bergdorp gebracht. Op het dorpsplein heeft de Zwitserse postautochauffeur mijn bagage uit een aanhangwagen gepakt en op de stoep bij de bushalte gezet. De postauto zelf is versierd met allerlei vlaggetjes. De chauffeur salueert in mijn richting en stapt weer in zijn bus. Met een luid specifiek toeterend geluid, de overbekende drietoon, verlaat de postauto niet veel later het kleine dorpje. Ik glimlach goedgemutst. Nostalgische gedachten over vroeger borrelen bij me op. ‘Mijn oudeheer en zijn eega moeten mij nu hier eens zien staan. Die worden groen en geel van jaloezie. Dat snotjongetje van toen dat nog geen deuk in een pakje boter kon slaan, staat nu als geconsidereerd persoon in het land dat hij op zijn vierde leeftijd, toen amper twee turven groot, met zijn ouders mocht bezoeken. Maar deze snotjongen is toch blij dat hij van zijn ouders de eruditie heeft mogen erven om nu te kunnen genieten van deze ambiance.’ Ik glimlach gemoedelijk.
Mijn terugkeer in het Zwitserse voelt wederom als een warm bad. Hier mag ik enige tijd vertoeven. Een aantal weken uit de stress, andere narigheid en geen gezeur van mijn chef. Het is een beste man, alleen hij kan zo erg aan mijn hoofd zeuren. Ik geniet er volop van dat ik even ondergeschikt ben aan de minder stressgevoelige geneugten des levens. ‘Heerlijk,’ denk ik vergenoegzaam. Ik snuif de Zwitserse lucht diep op en vul daarmee mijn longen. Ik glimlach voldaan. ‘Mijn ouwelui zal ik te zijner tijd nog weleens uitnodigen om met mijn vrouw en kleinkinderen drie of vier weken hier in Zwitserland de vakantie door te brengen.’ In mijn hoofd maak ik al plannen wat ik hun dan zal laten zien en welke tochten ik met hen wil gaan ondernemen.
De plaatselijke dorpsbewoners nemen de plaats weer in die zij heel even voor de kort daarvoor passerende postauto hebben moeten afstaan.
Wachtend bij de bushalte kijk ik al zoekend om mij heen. ‘Waar moet ik nu heen?’ is mijn volgende gedachte. ‘Het hotel zou toch in de buurt van het plein moeten liggen, maar waar dan?’ “Kan ik u misschien helpen?” vraagt een jongeman met een plat Zwitsers-Duits accent in een plaatselijke klederdracht. Hij kijkt mij glimlachend en goedgemutst aan.
“Ja, zeer graag. Ik zoek het hotel Alpenhof,” antwoord ik.
De man glimlacht breeduit, trekt een groot spandoek omlaag en wijst richting een berg. We lachen beiden en ik bedank de man hartelijk.
“Zal ik u even helpen met uw bagage?” vraagt de man voordat ik mijn bagage wil pakken. Ik accepteer het aanbod volgaarne.
Als wij de dorpsstraat willen oversteken, worden onze pogingen met veel decibellen onderbroken. De man houdt mij tegen want een muziekband marcheert al spelend en trots door de dorpsstraat. Alle omstanders applaudisseren enthousiast. Kleine kinderen zwaaien langs de kant met vlaggetjes. Ik zie een klein jongetje met een speelgoed-saxofoon vol trots en vuur meeblazen. Ik glimlach bij het zien ervan. De “echte” muzikanten dragen allemaal touwen om hun schouders, een afwijking dit jaar, zo schijnt het.
De vriendelijke, behulpzame man glimlacht naar mij en trekt zijn schouders op daar hij er ook niets aan kan doen dat hij niet kan oversteken. Hij verontschuldigt zich bij mij. Daar ik toch wel moe ben van de reis van meer dan zestien uur die ik achter de rug heb, wil ik mijn bagage met allerlei soorten van genoegen op mijn hotelkamer plaatsen en daar heel even horizontaal gaan. Ook een tweede poging om het hotel te bereiken mislukt. Een tweede band treedt aan en ik hoor een scheidsrechtersfluit. Niet veel later gaat ook deze, al muziek makend, lopen. Ook zij dragen allen touwen om hun schouders. De mensenmenigte zwelt aan en ik kan daardoor nog moeilijker mijn hotel bereiken. ‘Verticaal blijven is leuk, maar dan moet je niet moe zijn,’ denk ik. Iedereen zingt met de muziek mee terwijl mijn lijf schreeuwt om rust. “Niet verticaal, maar horizontaal!” ‘Ik lijk wel een kruiswoordpuzzel,’ denk ik, ‘of een cryptogram. Niet rijk, maar je kunt in de zijne liggen, acht plus vijf letters, antwoord: Morpheus armen.’
Terug in de realiteit zie ik dat een muziekband zich formeert. Niet veel later gaan ook zij lopen.
Voor de passerende band lopen dames in klederdracht. Zij dragen in een omgekeerde koeienhoorn bloemen en ook touwen met zich mee. Daarachter loopt een groep mannen die zowel een pikhouweel als een grote koeienbel dragen. Ze luiden deze verschillende malen.
De man die mij helpt met mijn bagage en ik zien echter kans om in een klein moment, waarin er heel even geen muzikale activiteiten zijn, de weg over te steken en na enige moeite sta ik in de lobby van het hotel. Een grote marmeren hal met een aantal ruimtes voor onder andere vergaderingen en voor het ontbijt. ‘Allemachtig. Als mijn bedrijf zijn personeel erop uit stuurt, duwen ze hen ook niet in een of ander aftands onderkomen,’ denk ik.
Ik dank de man hartelijk en loop naar de balie van het hotel. De receptioniste draagt een speldje van een pikhouweel met een touw erom.
“Wat is hier gaande?” vraag ik verbaasd aan haar, naar buiten wijzend.
“Het bedrijf van de oude Franz Schwarz, de touwslager uit dit dorp, bestaat vandaag op de kop af vijftig jaar. Die lokale touwslagerij is inmiddels in de wijde omtrek bekend is. Ook in het naburige dorp, maar het schijnt dat enkele personen daar iets minder blij zijn met de firma Schwarz. De fabriek van Schwarz staat hier even buiten het dorp, maar hij viert zijn feest hier in het centrum van dit dorp. De oude Schwarz, hij is vijfenzeventig jaar, zal dit jubileum, aan het einde van de dag officieel vieren met een touwtrekwedstrijd met touw uit zijn eigen bedrijf waarbij heel veel hooggeplaatste gasten aanwezig zullen zijn,” antwoordt de receptioniste. “Vandaag en morgen zijn er allerlei feestelijkheden rond dit gouden jubileum. Wilt u er ook deel van uit maken, mijnheer?” Ik glimlach vriendelijk en gebaar dat ik nogal moe ben van de reis die ik achter de rug heb. Een piccolo brengt mijn bagage niet veel later naar mijn kamer. Een kleine attentie mijnerzijds stop ik in zijn hand. Eenmaal in mijn kamer zucht ik diep. Ik heb de moorddadige reis overleefd, mijn hotelkamer gehaald, maar vraag niet hoe. ‘Deze ruimte zal gedurende enkele weken dus mijn onderkomen zijn,’ denk ik. Het is een mooie kamer waar ik mij wel thuis zou kunnen gaan voelen maar ook weer dankbaar zou zijn als ik de kamer mag verlaten.
Het uitzicht is schitterend, het interieur eveneens en de grootte is precies goed om er niet verslaafd aan te geraken. Dan kijk ik de ruimte in en zie het klaarstaande bed. Op het kleine bureautje ligt een informatiemap van het hotel. Ik open de map en kijk met moeite naar de foldertjes. ‘Dit hotel heeft dus vier sterren,’ denk ik. ‘De hemel heeft er miljoenen. In dat hotel wil ik voorlopig nog niet logeren. Hoe moet het hotel er daar wel niet uitzien? Of kan ik daar heel even verblijven om alleen daaronder te kunnen wegdromen in Morpheus armen?’ Heel even droom ik weg en wankel op mijn benen. Vlak voordat ik dreig te vallen, word ik weer in de realiteit teruggeworpen. Het elementje dat daaraan debet is vervloek ik. Dan werp ik de map terug op het bureautje en dwaal met mijn blik de kamer rond. Bij het bed stokt mijn gedachte. Op een afstand van vier passen staat het bed waarop ik heel even horizontaal kan en mag gaan. Vier passen maar, een afstand van niets en ik kan mij onderhevig maken aan de geneugten van de door mijn lichaam schreeuwende vraag. Vier passen maar, een afstand van nog geen twee meter. Morpheus zie ik als een wazig beeld op het kussen zitten. Hij roept en lonkt mij om mij in zijn armen te doen neervlijen. Ik sta nu met een enorm dilemma in de kamer. ‘Wat moet ik nu doen?’ denk ik.
Door het openstaande raam van mijn hotelkamer galmt wederom marsmuziek. Ik loop naar het raam, duw het gordijn een beetje weg en zie alle feestelijkheden op het dorpsplein. Een groep muzikanten marcheert al muziek makend met volle trots het plein over en loopt in de richting van de dorpskerk. De heel kleine saxofonist heeft inmiddels een iets te groot hoofddeksel met een heleboel veren op zijn hoofd wat hem niet kan deren. Alsof hij deel uitmaakt van de voorbijlopende groep muzikanten, stampt hij vol vuur mee. Het is net “hoed, waar ga jij met het kindje naartoe”. Ik glimlach goedgemutst en draai mij met moeite om, zie mijn bed en beland wederom in een enorme tweestrijd. Ik heb in de trein de afgelopen nacht heel veel materiaal van mijn bedrijf doorgenomen. Ik ben aardig moe en kijk wederom naar de plaats waar Morpheus domicilie houdt. “Kom in mijn armen en ik zal u rust gunnen die u zo welgevallig zal zijn,” hoor ik Morpheus roepen. Ik strek mijn arm, maar Morpheus raakt nog meer verstrikt in de tweestrijd met mijn nieuwsgierigheid.
Daar mijn nieuwsgierigheid het wint van mijn moeheid ga ik een kijkje nemen op het dorpsplein. ‘Ach ja, plat gaan kan altijd nog,’ denk ik. Eenmaal buitengekomen vieren zowel gezelligheid als gemoedelijkheid nog steeds hoogtij. ‘Waar is de springplank? Ik wil mij zo snel mogelijk onderdompelen in deze aangename ingrediënten,’ denk ik.
De Zwitserse muziek van een lokale groep galmt over het dorpsplein. Bij een kleine stand koop ik een broodje met de plaatselijke ingrediënten erop en een glaasje lokale bergwijn en geniet van de aangename sfeer. Deze ingrediënten smaken prima. Iemand met een grote rugzak op loopt over het terrein. Hij verkoopt speldjes: een pikhouweel met touw eromheen. Hiervan koop ik er ook één. Zonder een dergelijk speldje ben je een buitenstaander en die horen er nu eenmaal niet bij. Bovendien spek je de kas van de plaatselijke gemeente. Als ik het relikwie op mijn kleding heb bevestigd, loop ik naar een gereedstaand hek waarachter later die middag een touwtrekwedstrijd zal gaan plaatsvinden en zie het podium waarop de hoge gasten zullen gaan plaatsnemen. Daarna draai ik mijn hoofd naar de grond. Ik zie een grote klos touw aan mijn voeten liggen. ‘Dus hier gaat het gebeuren,’ denk ik en trek er een paar keer aan. ‘Het is een stevig touw,’ zeg ik in mijzelf. “Wilt u het ook eens proberen?” vraagt een corpulente man.

Misschien vind je dit ook leuk :

De strijd om het touw

Roy Geurs

Chemochemie

review:
*verplichte velden