De Ganzenpoot

De Ganzenpoot

Willem Van Torre


EUR 18,90

Formaat: 13,5 x 21,5
Pagina aantal: 210
ISBN: 978-3-99107-783-1
Publicatie datum: 03.11.2021
De Ganzenpoot is een verhaal over bloed, zweet, tranen en erotiek en vertelt over de ervaringen van de jonge boerenzoon Manten Decroo die zich als vrijwilliger aanmeldt bij het Belgische front, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.
Woord vooraf

Dit is niet zomaar het zoveelste oorlogsverhaal rond wereldoorlog één. Ik heb dit boek geschreven rond een fictieve familie. Los van het afschuwelijke, militaire gegeven, heb ik me, als doel gesteld om het maatschappelijk leven te schetsen voor, na en tijdens die oorlog. Archieven vertellen ons jammer genoeg veelal naakte feiten rond een wereldgebeuren. Te weinig echter wordt in die annalen aandacht gegeven aan de mens tijdens die, sociaal en familiaal, zo beklijvende periodes.
Vanzelfsprekend heb ik in dit verhaal zo veel als mogelijk historische gebeurtenissen tot hun recht laten komen. Als er onverwacht toch onnauwkeurigheden in dit verhaal zouden geslopen zijn, vraag ik u, gewaardeerde lezer, mijn excuses daarvoor te willen aanvaarden.
Om het verhaal meer leesbaar te maken heb ik, tussen de militaire historiek in, episodes ingelast die een tijdsbeeld kunnen schetsen van de jaren rond 1914 en 1918. Lieferinge en Ravels zijn dorpen die me welbekend zijn en die ik gebruikt hebt als decors van de jaren voor het begin van de oorlog en van de naoorlogse tijd. Nieuwpoort, Veurne, Poperinge en De Panne waren tijdens de oorlogsjaren rechtstreeks het toneel van een vreselijke wereldbrand.
Als zelfverklaard woordvoerder van een meer herkenbare waardering voor onze Belgische oud-strijders wil ik pleiten, om de strijd tijdens de Eerste Wereldoorlog in onze herinneringen te bewaren, door een veralgemeend gebruik van het madeliefje, als symbool van onze herdenking. Tijdens de Groote Oorlog werd na de slag aan de Marne in september 1914 de klaproos al vermeld als een spontaan ontstaan symbool voor de Britse strijd tussen de Vlaamse klaprozen, de blauwe korenbloemen voor de Franse operaties en ook, niet de minste, de witgele madeliefjes als herinnering aan de Belgische strijd langs de IJzer. Wij dienen als Belgen met dit ons toegeëigend symbool, het madeliefje, ons respectvol aan te sluiten bij deze Franse en Britse symboliek. De poppy of klaproos staat eigenlijk hoofdzakelijk voor de heldhaftige Britse oorlogsfeiten en wordt door de Britten als dusdanig terecht naar voren geschoven. De blauwe korenbloem zou als symbool van de Franse operaties naar mijn mening meer in de schijnwerpers mogen staan vanwege de vele Fransen die voor onze vrijheid gesneuveld zijn op Franse, maar evenzeer op Belgische bodem.
Het madeliefje staat met zijn vertederende kleuren voor vrede en verdient naar mijn mening hierdoor, door ons Belgen, ook permanent als vredesbloem naar voren te worden geschoven; als erkenning van onze herdenking van de Groote Oorlog en als dankbetuiging aan het Belgische leger.








INLEIDING

2018 was het herdenkingsjaar bij uitstek van het einde van de Eerste Wereldoorlog. Overal te lande roepen beeldhouwwerken, standbeelden en grafzerken op tot vrede. Talrijke herdenkingsmomenten, met onder meer zeer prominent de IJzertoren in Kaaskerke die tot vrede oproept met de tekst “Nooit meer oorlog”, benadrukken de onzin van de vele wreedheden die plaatshadden tijdens die donkere oorlogsjaren.
Het is belangrijk en zelfs noodzakelijk dat wij onze jongens blijven herdenken als de verdedigers van onze vrijheden en de daarmee verbonden onafhankelijkheid; onze tienduizenden jonge mannen die tijdens de Eerste Wereldoorlog voor ons zijn gesneuveld. Jonge mannen aan het front die hun geliefde, hun ouders, hun zusters en broers thuis achterlieten.
Mijn grootvader, Geeraard Van Torre, geboren in 1885, was als adjudant-chef bij de zware artillerie van het Belgische leger gedurende vier jaren ooggetuige van de vijandelijkheden. Pas in 1919 is hij na vier eindeloos lange jaren thuisgekomen, geschonden door het Yperiet.
In de jaren die volgden op zijn thuiskomst heeft mijn grootvader ruimschoots de gelegenheid gehad om tot in de details zijn ervaringen van tijdens de Eerste Wereldoorlog aan zijn echtgenote, mijn grootmoeder te vertellen. Soms ging dat moeizaam want, getroffen als hij was door het mosterdgas, kon hij vaak, met periodes, niet zonder moeite spreken.
Ikzelf en mijn zus hebben onze ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren. We werden grootgebracht door onze grootmoeder. De basis van dit boek zijn de urenlange gesprekken die ik had met mijn Moemoe. In lange monologen heeft ze me meermaals verteld over de vreselijke, maar soms ook wel leuke ervaringen van mijn grootvader tijdens de Eerste Wereldoorlog. Mijn grootvader is gestorven in 1942 toen de Tweede Wereldoorlog volop woedde. Hij was het laattijdige slachtoffer van het verschrikkelijke, vaak dodelijke, mosterdgas, dat ook tegen hem gebruikt was tijdens de eerste wereldbrand.
Ik heb altijd heel veel respect gehad voor mijn grootvader, die ik vreemd genoeg nooit heb gekend. Ik heb een eindeloze waardering en empathie opgevat voor alle soldaten die, tijdens de vijandelijkheden van 1914 tot 1918 aan de IJzer, het beste van zichzelf, vaak hun leven, hebben gegeven. Daarom heb ik besloten om dit boek te schrijven.
Ik heb veel uit mijn hoofd moeten neerschrijven omdat mijn grootmoeder al in 1973 is overleden. Om die reden heb ik beslist om alles wat ik me nog kan herinneren, uit de mond van mijn Moemoe, hier neer te schrijven als een historisch verhaal met de kenmerken van een roman. Dit opdat een belangrijk deel van de ervaringen van Geeraard Van Torre bewaard zouden blijven als een precieus Vlaams erfgoed.
Ik herinner me dat mijn Moemoe me vaak heeft gezegd dat ze hoopte dat de aan het thuisfront achtergebleven partners en familie van hun jongens, gestorven of niet, eveneens in de bloemen zouden worden gezet, evenzeer als hun oorlogshelden. Bij deze wens ik het dan zo te stellen dat we alle weduwen, weduwnaars, partners en alle achtergebleven familieleden en verwanten, direct betrokken of onrechtstreeks verbonden met de eerste wereldbrand moeten zien als madeliefjes die de groene weiden van de Westhoek, Bachten de Kupe, zo mooi en zo kleurrijk maken. Voor deze visie dank ik ook mijn schrandere grootmoeder.


“‘t Zag een knaap een roosken staan, roosken op der heiden. Jong en vroolijk aangedaan liep de knaap om ’t gâ te slaan, liep met groot verblijden. Roosken, roosken, roosken rood. Roosken op der heiden.“

1. DE AANLOOP

1.1 Vredig Lieferinge
De leeuweriken zongen op en neer dansend hun psalmen boven de golvende korenvelden. Het gele graan, goud voor boeren, broodnodig voor bakkers en brouwers, wiegde nederig neigend, rond paarse korenbloemen. De zware aren dansten op de tonen van de warme wind. In de Onze-Lieve-Vrouwe-Lichtmisparochiekerk sloeg een kleppend klokje het Angelus. Door de donkere galmgaten van de toren ebde de bescheiden uitnodiging, die noopte tot bidden, stervend weg. Hoog in de staalblauwe hemel bad een roofvogel zijn eenzame gebed. In een notenboom hamerde een bonte specht zonder koppijn op ramkoers op weerbarstig hout. Enkele schaarse wandelaars langs zanderige veldwegels vertraagden hun stap, ontblootten het hoofd en baden stilstaand, met het al dan niet geveinsde vrome gezicht in de
(1) Onze-Lieve-Vrouwe-Lichtmisparochiekerk
richting van de romaanse, gedeeltelijk gotische parochiekerk, de voorgeschreven gebeden:
“De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt. En ze heeft ontvangen van de Heilige Geest……”.
Het gebed werd door de biddende boeren, met de krampachtig opgerolde klak in de gevouwen handen geklemd, drie keer onderbroken voor het bidden van een ingetogen:
“Weesgegroet Maria vol van gratie…“
Zwoel was het. Zelden had Manten Decroo in zijn weliswaar korte, jonge leven een hetere julimaand gekend als deze. Deze hitte was zelfs voor de knaap moeilijk te harden. Het glooiende landschap van rogge-, haver-, tarwe- en gerstvelden werd met de dag geler en rijper. Hier en daar pikten ondernemende boeren al het gouden koren.
Augustus, de oogstmaand bij uitstek, was niet ver meer en dreigende onweders hadden zich al aangemeld. In de verten klonken al, heel laag, soms met onderdrukt gekraak, dan weer langzaam afnemend, de indrukwekkende zware orgelpijpen van een naderend klank- en lichtspel. Boven Brussel kleurde een regenboog de hemel. Op enkele velden stonden halmen met zware aren, in schoven gebonden en in stuiken gezet, te vergelen, te drogen.
Heel in de verte in de richting van Aalst braakte een stoomtrein zijn zwarte, giftige, vette en stinkende steenkoolwolken, gedragen door de wind in de richting van de hoofdstad. Zwaar gerommel in verre luchten, gesteund door het duidelijk hoorbare zuchten van de locomotief, waren nadrukkelijk de voorboden van naderend ontij. De velden en akkers rond het dorp konden best wel een flinke portie weldoend water gebruiken. Eerst moest echter, voordat de hemelsluizen begonnen te sproeien, het koren op hoge wagens binnengereden worden in voorraadschuren. De komende wintermaanden zouden lang genoeg gaan duren om de gele aren met de vlegel te dorsen en de graankorrels in juten zakken, met paard en kar, naar de molenaar in Pamel te brengen.
(2) Molen van Pamel
Na de vorstperiode zou het meel en de bloem dan, in linnen zakken van vijfentwintig en van vijftig kilo, verkocht worden aan de bakkerijen langs de westrand van Brussel.
Manten Decroo was een echte buitenjongen. Hij was fors en klein van gestalte. Hij genoot van een pezig en gespierd lichaam. Hij had een hoog voorhoofd met zware wenkbrauwen. Twee verstandig en belangstellend kijkende, diepliggende, grijze ogen verrieden zijn intelligentie. Onder zijn weerbarstige, lichtbruine borstelhaar huisde een scherpe geest en een goede portie gezond boerenverstand.
Manten was, anders dan zijn zus Sonja, erg bezig met materiële dingen. Hij kon intens genieten van de natuur. De knaap was een vrolijke jongen met veel vrienden. De boerenstiel vond hij niet echt zijn levensdoel. Hij was al veertien en voelde zijn lichaam veranderen. Meisjes hadden hem tot dan toe maar matig kunnen boeien. Hij had de vriendinnen van zijn zus tijdens zijn kinderjaren vooral rare, vervelende, enge wezens en aanstellerige, flauwe pestkoppen gevonden.
Maar de jongste tijd, mogelijk door de hete zomerdagen, voelde hij, een beetje verward, dat zijn lichaam soms reageerde wanneer spontane verwarrende fantasieën zijn gedachten stuurden. Hij mocht dan graag en gretig kijken naar de ontluikende vormen van diezelfde openbloeiende, vervelende wezens, diezelfde vriendinnen van Sonja. Hij gaf zijn ogen de kost, bewonderde, beoordeelde en schatte de meiden graag in. Al gauw had hij gemerkt, dat meisjes die hij stiekem zo bewonderde, dat bij wijlen ook hadden gemerkt. Sommigen hadden zijn blikken steels beantwoord met grote ogen, een blos of een verlegen glimlach. Sommigen hadden schichtig zijn zoekende blik met dezelfde geïnteresseerde mimiek beantwoord.
Al gauw moest hij, vol schroom, al eens iets bij de pastoor gaan biechten wat, volgens de begrijpende biechtvader eventueel het gevolg zou kunnen geweest zijn van zijn groei. Als opgroeiende jongeman zou hij het, volgens de parochieherder althans, steeds moeilijker krijgen om niet voortdurend in zonden te vervallen. Hij zou daardoor zijn gezondheid kunnen schaden; door bij zichzelf onnodig genot te gaan zoeken. Manten moest vooral uitkijken om niet te vallen voor de listen van Satan en zijn dienaressen. Opgroeiende meisjes hadden vaak de duivel met al zijn listen in hun lijf, stelde de priester in al zijn wijsheid. Als de jongen het soms te moeilijk zou krijgen met zichzelf kon hij altijd bij hem, de dorpspastoor, terecht voor aangepaste raad.
Tante Lena, door zijn moeder steevast ons Madeleine genoemd, was de wel tien jaar jongere zus van zijn vader, Michel. Manten had zijn tante al in jaren niet meer ontmoet. Hij kende zijn doopmeter eigenlijk niet goed. Zij woonde ergens in het verre West-Vlaanderen in een stadje dat Poperinge heette. Uit gesprekken die hij soms had afgeluisterd tussen zijn ouders scheen het dat tante Lena het leven luchtiger, veel minder vroom en meer vrijdenkend opvatte dan zijn ouders. Tante Madeleine durfde zelfs te beweren, zo had hij zijn moeder verontwaardigd aan vader horen vertellen, dat jonge mannen tijdens hun jeugd nooit genoeg van het leven en van meisjes kunnen genieten. Jongens moesten zich kunnen uitleven in hun apenjaren. Jonge knapen mochten gerust genot, ontspanning en rust vinden bij meisjes! Meisjes brachten kerels in volle groei tot rust en de wichten genoten trouwens ook zelf van de aandacht die ze van de jonge mannen kregen!
Manten zou later meer dan genoeg moeten kampen met ernst van het bestaan, had Madeleine gesteld en dit tot grote ergernis van haar schoonzuster Manse. Manten was een beetje verward geweest door Tantes uitgesproken mening over lichamelijkheid en dat wat hij als onkuisheid aanvoelde. Hij dacht en voelde echter wel dat hij zijn tante niet helemaal ongelijk kon geven.
Vader noemde het, wellicht uit eigen ervaring, schouderophalend gewoon ‘zijn moeilijke jaren’.
Vader Michel Decroo was al een eind in de dertig en was een nogal strenge en een introverte man. Hij was zoals zijn zoon Manten niet van de grootsten en erg gespierd. Hij had evenals Manten grijze ogen en een lichtbruine, borstelige kuif. Naast zijn werk op de boerderij was Michel ook koster van de Onze-Lieve-Vrouwe-Lichtmisparochiekerk. Het kerkgebouw was niet ver van het hof Decroo, zoals de hoeve in Lieferinge werd genoemd. Vader Michel was niet echt een bewonderaar van zijn baas, de zwaarlijvige pastoor van Lieferinge. Boer Decroo vond de zwartgerokte man maar een luie en een rare snuiter.
Michel Decroo mocht tijdens de wintermaanden graag rusten in zijn bergère met verstelbare rug naast de Leuvense stoof. Moeder bakte dan vaak voor haar man pannenkoeken van boekweitmeel of speltbloem en bestrooide die overvloedig met boter en kandijsuiker. Boer Michel kon vooral tijdens de donkere wintermaanden gedurende de stille namiddaguren genieten van zijn dagelijkse literfles Geuze, uit de koele kelder, en van zijn onafscheidelijke baardbrander.
Michel Decroo koppelde zijn werk voor de kerk aan de zorg voor een twintigtal vlees- en melkkoeien. Twee zeugen werden gevoederd door boerin, Manse. Op het erf rond het huis liep een hond die zo loenste dat zijn kop naar links draaide wanneer hij recht voor zich uit keek. De pesterige katten rond de hoeve vonden in het dier dan ook een uitgelezen prooi om uit te dagen en te misleiden. Het arme beest kon hen toch nooit vatten. Hij liep ‘zo scheef als een krab’, beweerde Bompa. Zelfs de trotse blauwe pauw op het erf schrok wanneer de hond het waagde in zijn buurt te komen en sloot, ontdaan, onmiddellijk, zedig zijn veelkleurige waaier.
Lies, een mooi, lichtbruin Brabantse trekpaard, aardig en zachtzinnig van karakter, genoot de speciale zorg van Bompa. De merrie werd ingezet voor alle soorten vervoer; ploegen, eggen en het binnenrijden van de oogsten. Met haar zware gespierde lijf met indrukwekkende achterhand trok ze op haar witte sokken en met haar eeuwig wuivende, blonde paardenstaart de zwaarste vrachten.
Moeder Manse Hansen - zoveel jonger, zoveel mooier en zoveel opgewekter dan haar man - liep, groot als ze was, lichtjes voorovergebogen en zorgde met veel ijver voor het reilen en zeilen binnen de woning; het koken, het wassen en het plassen. Moeder Manse was, voor wat sommige mannelijke dorpelingen in de herberg steels tussen pot en pint beweerden, een mooie en aantrekkelijke vrouw. Ook het erf en de moestuin vielen onder het gezag en de gestrengheid van Manse. Manten Decroo en zijn oudere zus Sonja deden voor hun moeder in het dorp vaak de enkele boodschappen die nog moesten gedaan worden. Het weinige wat het hof zelf niet voortbracht moest extra worden aangekocht bij de enkele winkels in Lieferinge.
Moemoe, moeders mama, beweerde dat de groenten die Manse kweekte, de beste waren die men in de wijde omgeving kon vinden. Bompa Hansen en Moemoe waren allebei oud; al wel rond de zestig. Ze woonden twee woningen verder, in een bescheiden huis, van met leem en klei bepleisterde muren en met een rieten dak, rijkelijk bedekt met vetplantjes, langs een met madeliefjes afgeboorde aardeweg. Hun grond grensde aan de moestuin van hun dochter. De twee woningen waren daardoor één doening gaan vormen.
Bompa Hansen liep bijna altijd rond in dezelfde blauwe boerenkiel. Hij was zoals Manten en zijn schoonzoon Michel geblokt van bouw en niet te groot. Hij had eeuwig en altijd een met de hand gerolde sigarettenpeuk achter het rechteroor. Manten had zich vaak afgevraagd of Bompa met die peuk achter zijn oorschelp ook zou slapen. Zijn kale hoofd kon niet, zo scheen het, zonder zijn onafscheidelijke, vettig beduimelde, bruine, geruite, boerenklak. Hij was de vaste helper van vader Decroo.

Misschien vind je dit ook leuk :

De Ganzenpoot

Michel Gonlag

Waarom begon de Eerste Wereldoorlog?

review:
*verplichte velden